De kwaadaardige vrijer; Zwakheid, uw naam is vrouw

Is hij/zij een man, een vrouw, een reptiel, een monster of alles tegelijk? In de loop der eeuwen is de duivel meermalen van gedaante verwisseld. Maar wie of wat hij ook is, het vrouwelijk geslacht was altijd het meest bevattelijk voor zijn leugens.

Wanneer kinderen tijdens het tikkertje spelen het kind dat hen achtervolgt en bijna gevangen heeft buiten adem van het rennen om genade smeken, roepen ze om wapenstilstand. De woorden voor wapenstilstand zijn verschillend, elke streek in Engeland heeft zijn eigen uitdrukking, en dat geldt ongetwijfeld ook voor andere landen. Maar in Engeland bevat de kreet van de kinderen vaak een herinnering aan het kruis -- 'cruces' of 'cree' of zelfs 'crosses'--en gaat hij gepaard met een gebaar van gekruiste vingers; de achtervolger houdt heel even in. Net als bij een ontmoeting met de duivel werkt het kruisteken -- voor het ogenblik -- tot het spelletje weer begint. De achtervolger gaat de uitgeruste speler weer achterna, net als, zo waarschuwt ons het christelijk evangelie, de verleider op de loer ligt om de onachtzame tot de zonde te verlokken. Het spel wordt in Engeland meestal 'He' genoemd en 'He' is degene die achtervolgt. Soms is de straf als je gevangen bent een symbolische dood, soms gevangenschap in een hoekje van het speelterrein tot een andere speler te hulp komt. En soms, wanneer jongens meisjes achtervolgen, is de inzet een zoen.

Maar in andere versies van tikkertje is de achtervolger 'It'. Nu ben ik 'It' roept een meisje en begint de speelplaats rond te rennen om haar prooi te vangen. De rol van 'It' gaat van speler tot speler: hij is besmettelijk. Bij 'He' verzamelt de achtervolger zijn of haar slachtoffers tot er niemand over is. De kinderen spelen in het klein het drama van de zonde, -met zijn opwinding en valpartijen, dat hen als volwassenen te wachten staat.

Hoewel het christendom de vrouw, het vlees en de duivel beschuldigt van een hecht verbond. hoewel Eva de schuld voor de zondeval heeft gekregen, is het geslacht van de duivel in de visuele en linguistische zinnebeelden over het algemeen mannelijk. Lucifer, de stralendste der engelen, uit het verhaal in Genesis over de strijd in de hemel tussen de goede en de slechte engelen, had zijn val in de hel te wijten aan zijn trots, terwijl in de Openbaring 'de grote draak (die) op aarde werd geworpen, de oude slang die genaamd wordt duivel' geidentificeerd wordt met Satan 'die de gehele wereld verleidt'. De namen van heidense goden, buitenstaanders en nietjoden in het Oude Testament, en van heidenen in het Nieuwe Testament, hechten zich aan de duivels van het Joodse volk: zowel in Beelzebub als in Belial horen we de echo van Baal, die in het Midden-Oosten op grote schaal werd vereerd door de volkeren waar de joden tussen leefden en waarvan ze zich wilden onderscheiden. Deze voorbeelden tonen twee principes die de geschiedenis van de duivelsvoorstelling lijken te beheersen: de duivel verschijnt in een gedegenereerde, monsterlijke vorm, afstote, lijk en beestachtig; en hij vertegenwoordigt in die verschillende gedaanten een Ander, zowel bedreigend als verafschuwd. Het bijbelse monster Leviathan heeft veel van zijn trekken nagelaten aan de duivel van de volksmythologie: zijn verschrikkelijke tanden, de rook uit zijn neusgaten 'als uit een kokende en dampende pot', zijn adem die kolen in brand zet en de vlam die opstijgt uit zijn muil. Leviathan is een draak, een reptiel dat door zijn koelbloedigheid onvatbaar is voor hitte, een vuurmachine; deze eigenschappen werden toegevoegd aan de figuur van de rode draak uit de Openbaringen die in een bodemloze put wordt gegooid. Het chtonische karakter van de draak is terug te voeren op de mythologie van de vijanden die door de joden beschimpt werden, op het Babylonische dualisme en op de strijd om de aarde en de hemel in de vorm van Tiamat en Marduk. Maar in het christendom verliezen draken hun hemelse krachten en primitieve goddelijkheid. Ze worden grotere, onhandigere neven van 'de listigste van alle dieren des velds', de slang uit Genesis. Nadat hij met succes Eva heeft verleid en tot de zondeval gebracht, wordt de slang vervloekt onder alle schepselen, door God veroordeeld om zolang hij leeft op zijn buik te kruipen en stof te eten. Gespleten

De slang in de hof van Eden is door kunstenaars door de eeuwen heen op verschillende manieren geinterpreteerd, waarbij zijn beestachtige laagheid verschillende vormen aannam -- pythons met een menselijk gezicht, hagedissen, zeeslangen of zelfs, in een prent van de Zondeval van Lucas van Leyden, een soort kruising tussen een bever en een koala. Maar wanneer de verleider in actie is buiten de hof van Eden, in de context van middeleeuwse mirakelspelen bijvoorbeeld, of in renaissance-uitbeeldingen van duivelsuitdrijving wordt zijn gestalte bijna menselijk--hij loopt rechtop en kruipt niet meer op zijn buik, waartoe hij verdoemd was. De apocalyptische draken van het kwaad worden gekenmerkt door een ontbreken van menselijke fysieke eigenschappen maar de duivels uit de christelijke folklore ontwikkelen een overmaat aan lichaamsdelen; hun monsterlijkheid schuilt in een overvloedige vermenging van trekken van verschillende diersoorten. Slangen en draken werden vaak afgebeeld zonder ledematen, maar demonen toonden een neiging tot veelvormigheid. Op bizarre wijze wordt de gespleten menselijkheid weergegeven in gespleten staarten, gespleten hoeven, dubbele ledematen en enorme uitgroeisels, met grote tanden en horens. Deze hybride demonen, vlees noch vis, zoogdier noch reptiel, zijn vaak afgeleid van de goden uit het heidense pantheon. De saters van de Grieken, die epicuristische lusten belichaamden, de natuurgeest Pan en zijn vertrouwde Priapus stonden model voor de faunachtige vormen van de opzichters van het christelijke hellevuur. Zo hebben de honderden duivels van Taddeo di Bartolo in zijn gruwelijke fresco's uit 1396 in San Gimignano - een visioen van een verschrikkelijk laatste oordeel - geitestaarten, ossehoeven, roofvogelklauwen, veren en vacht, horens slagtanden, honde- en ezelsoren, vleermuisvleugels, snavels van aasvogels en kaken en tanden van prooidieren. De hoofdrolspeler, een Dantesk, nachtmerrieachtig beeld van Satan zelf, de muil van de hel, zet zijn klauwen in de lichamen van de ketters en verslindt zondaars door al zijn lichaamsopeningen. Dat soort duivels is bedoeld om het laagste van het laagste uit te beelden, en hun onderlijf wordt daarom op middeleeuwse afbeeldingen uitbundig weergegeven. Duivels hebben vaak een tweede gezicht op hun achterwerk, dat in woestheid wedijvert met de trekken op hun bovenste gezicht.

Slagtanden

Het woord monster komt van het Latijnse 'monstrare', tonen, en de verleider van de gotiek en de renaissance maakt dan ook een ware vertoning van zijn beestachtigheid. Op de basreliefs in de oude kloosterhof van de Dom in Utrecht verricht Sint Maarten een wonder en zegeviert over een duivel die een bewusteloos slachtoffer vastgepind houdt onder een knie -- deze duivel heeft een stierekop, klauwen, een arm die uit een brullende drakekop op zijn schouder steekt, en op zijn achterwerk zit een ondefinieerbaar monster met slagtanden, een kruising tussen een leeuw en een pad.

De overdaad aan dierlijke lichaamsdelen van de duivel verbeeldt voor de toeschouwer de rusteloze bedrijvigheid van de verleider die altijd op pad is en voor wie, zegt de Schrift, de zielen altijd waakzaam moeten zijn. Deze bedrijvigheid vormt op zichzelf een vorm van agressieve verlokking. Hoewel de zonde die de duivel uitlokt niet noodzakelijkerwijs lust is, ligt wellust aan de oorsprong van het kwaad. Het werk van de duivel wordt vaak uitgebeeld als dat van een menselijke verleider: er wordt getoond hoe hij zijn slachtoffers benadert en liefkoost, zondige gedachten influistert en zondige verlangens opwekt. En het vrouwelijke geslacht is, al vanaf de oermoeder Eva, altijd het bevattelijkst voor zijn leugens (“Zwakheid, uw naam is vrouw") . Hoewel bij eerste lezing het overwegend mannelijke geslacht van de duivel en zijn volgelingen afwijkend kan lijken van de gangbare christelijke mysogynie, zou het een misvatting zijn om de traditionele iconografie op die manier te interpreteren. De duivel als gevreesd deelhebber in de lotgevallen van menselijke zielen, krijgt automatisch het mannelijke geslacht vanwege zijn actieve karakter, nog afgezien van zijn geschiedenis als gevallen engel en mannelijke draak. Maar hij wordt ook gekarakteriseerd als minnaar, kwaadaardige vrijer en verderver van zielen. Zijn seksualiteit wordt op zijn lichaam tot uitdrukking gebracht in fallische uitwassen en allerlei genitale maskers om het verband tussen kwaad en lust te onderstrepen: hij is een mannelijk element van lust, en verbonden met de dood, volgens de straffen van de zondeval. De zonde en de sterfelijkheid komen op hetzelfde moment op de wereld, in de vloek die God over Adam en Eva uitspreekt nadat ze van de verboden vrucht hebben gegeten. Zo wordt het zinnebeeld van de Dood en het Meisje voorgesteld als de duivel die zijn slachtoffer verleidt en wegvoert in een soort macabere hofmakerij, een minnaar die zijn geliefde najaagt en omhelst.

Vaak wordt de vrouw afgebeeld als medeplichtige van haar verleider, een zuster in het kwaad, . waar ze door de vroege kerk ook al van wordt beschuldigd, en niet als van hem wegvluchtend in doodsangst. Een meesterwerk van meedogenloze fantasie is Baldungs Eva, de Dood en de Slang van omstreeks 1510--12. Het glanzende grijze lijf is tweemaal rond een bladloze boom des doods geslingerd en maakt nog een krul boven de stam voordat zijn kleine platte kop verschijnt boven de hand die Eva luchtig op zijn staart legt. Ze ziet eruit of ze er een kneepje in wil geven, met een gebaar dat meer op een liefkozing dan op verzet lijkt. De slang bijt naar beneden en zijn tanden komen in de rottende arm van de Doodsfiguur die van achter de boom opduikt. Gods vloek veroordeelde de mensheid ter dood en Eva's samenzwering met de slang, die hier door Baldung zo wreed wordt gesuggereerd, riep sterfelijkheid af over al haar kinderen. Op Baldungs schilderij is Eva zelf nog niet aangetast: ze houdt een andere appel, waar nog niet van gegeten is, koket achter haar rug.

Eva lijkt des te schuldiger omdat ze nog niet aangeraakt is. Haar argeloos onthulde lichaam bewijst haar schaamteloosheid, haar onaantastbaarheid brengt geen onschuld over, maar alleen haar schuld, haar onbeschaamdheid. In sommige beroemde uitbeeldingen van de zondeval, zoals Michelangelo's fresco in de Sixtijnse kapel, heeft de slang een vrouwengezicht, dat een weerspiegeling lijkt van Eva's gezicht. Deze preoccupatie in de late middeleeuwen en de renaissance met de vleselijke zonde en het complot van de vrouw met de duivel draagt bij tot de demonologie van de heksenvervolging, die tot het eind van de zeventiende eeuw zal duren en die de fantasieen over de seksualiteit van de duivel tot ongekende hoogte opzweept. Een van de vele tragische effecten was dat een stereotype steeds vastere vorm kreeg: de oude vrouw of het besje werd de moer van de duivel, een voorstelbare heks. In de vijftiende en zestiende eeuw hadden jonge heksen zich gevoegd bij hun oudere mentors in de fantasmagorieen van kunstenaars als Jeroen Bosch en Lucas Cranach. Maar tweehonderd jaar later, nadat sociale ontwikkelingen geleid hadden tot een toenemende afhankelijkheid en armoede bij alleenstaande oude vrouwen, had de belangrijkste prooi -- en gezellin -- van de duivel, het bekoorlijke meisje, haar plaats afgestaan aan vrouwen die niet meer in de vruchtbare leeftijd waren, en zij werden het voornaamste doelwit van de folteringen van de inquisitie. Beestachtigheid

Tegen het midden van de achttiende eeuw wordt een belangrijke historische mentaliteitsverandering zichtbaar die kan worden afgeleid uit de weergave van de duivel. Beestachtigheid als een negatieve lading wordt niet langer onlosmakelijk verbonden met dierlijke morfologie om de aanwezigheid van het kwaad aan te geven: dit soort beestachtigheid wordt eerder weggehaald bij dieren en aan orde -- van dieren, zelfs atschrikwekkende dieren als beren en griezelige als hagedissen -- stijgt daarmee in aanzien. Nadat Descartes had verkondigd dat dieren geen ziel hadden, en uitlegde dat ze daarom een soort machines waren, namen veel geleerde mannen en vrouwen de, verdediging op zich van beesten, van hun intelligentie, de harmonie van hun gemeenschappen, hun positieve kwaliteiten met betrekking tot mensen. De kloof tussen dierlijk en menselijk werd smaller -- de fabels van La Fontaine spelen tenslotte met antropomorfisme omdat het koninkrijk van de dieren zo'n eerlijke spiegel biedt van het menselijk gekonkel. Beestachtigheid belichaamde niet meer de Ander, maar begon het menselijke Zelf te weerspiegelen. En tezelfdertijd keek dat menselijke zelf naar de vroegere tegenstanders -- de wilde beesten en monsters die het kwaad hadden vertegenwoordigd, zoals de draak en de beer -- en begon ze te zien als rivalen, als superieur aan hun meesters in sommige opzichten. Tegen het eind van de negentiende eeuw wordt de kinderkamer overspoeld met boeken waarin Beesten Meisjes ontvoeren, gevangen houden met amoureuze bedoelingen, en dan echte lieverds blijken te zijn, zoals in het klassieke sprookje van La Belle er la Bete. Vanaf 1900 beginnen de teddybeer en andere knuffelversies van wilde beesten een aantrekkelijk en idyllisch beeld van de natuur te vormen voor opgroeiende kinderen. Deze ontwikkelingen houden verband met de in vele opzichten veranderde houding ten aanzien van seks, natuur en zonde; maar ze onthullen daarbij ook hoe de traditionele kenmerken van het Beest, de harige Verleider met hoeven en een staart, hun dreiging hebben verloren.

Duivelsuitbeeldingen in andere landen concentreren zich tegenwoordig juist op de gewelddadigheid van zijn werken, en zijn verschijningen in menselijke vorm. De populaire cultuur drukt deze angst voor het kwaad uit in een hele reeks apocalyptische films. In The Fisher King, laat Terry Gilliams de demonische vertegenwoordiger van dood, waanzin en bloeddorst zien als een apocalyptische rode ridder, met een fantastische wapenrusting, een scharlakenrode wapperende mantel en vlammen die uit zijn helm schieten terwijl hij op zijn slachtoffer afrijdt door de woestenij van de moderne stad. Hij is een visioen van de Ander die dreigt, maar niet langer een chtonisch beest, een draak die te voorschijn kruipt uit de onderwereld waar hij thuishoort. Hij is eerder een man, met negatieve vaardigheden en talenten, een cultureel produkt dat onherstelbare schade kan aanrichten.

Eschatologie is tegenwoordig nauw verweven met ecologie het diabolische heeft nu een menselijke vorm.