De huid van Didiebrie

Het bosnegerdorp Adjoemie grensde aan een groot donker oerwoud waar de zon slechts doordrong als de bladeren door een zuchtje wind van elkaar weken. De zonnestralen waren dan net sterren die oplichtten aan een donkere hemel.

Satang, de duivel, in sommige dorpen bekend als Didiebrie, had zich als slang vermomd en woonde sinds enkele maanden in dit oerwoud, dicht bij het dorp Adjoemie. Hij had zijn hol gegraven onder de enorme wortels van een woudreus: de Kankantrie, de grootste boom in het bos. Maar de Kankantrie was ook de Heilige boom van de bosnegerstam die dit dorp bewoonde.

Voordat Satang er zijn hol had gegraven brachten de bosnegers er hun offers. Bovendien konden zij aan de heilige boom ook hun diepste geheimen kwijt zonder bang te zijn dat daar ooit iets van zou uitlekken. Maar dat kon nu niet meer. Niemand durfde meer bij de boom te komen.

Dat maakte de bewoners van het dorp Adjoemie erg zenuwachtig en gespannen. Er ontstond ook vaker ruzie in het dorp, terwijl het vroeger zo'n rustig, gezellig dorp was.

In een hutje met een palmbladerendak, woonde een familie met drie zonen van vijf, twaalf en veertien jaar. De oudste twee kinderen gingen overdag naar school, in een ander dorp, omdat in Adjoemie nog geen geld was voor een school. Overdag was de jongste, Aloisie, vaak alleen thuis, maar hij verveelde zich nooit want hij kon uren door het dorp dwalen. Dan schoot hij bijvoorbeeld met zijn katapult op hagedissen die hem bijna altijd te snel af waren.

Het hutje waarin Aloisie woonde stond aan de rand van het dorp, op wandelafstand van de Kankantrie, waar hij van zijn moeder nooit bij mocht spelen. Maar Aloisie wou ontzettend graag een keer dichtbij komen om te weten wat de mensen zo angstig uit de weg gingen.

Op een ochtend kon hij zijn nieuwsgierigheid niet meer in bedwang houden. Hij sloop naar de ingang van het hol. Het zweet brak hem uit van opwinding en liep in druppels van zijn voorhoofd. Zijn handen waren klam. Hij vond het erg eng, want hij wist dat hij iets deed wat niet mocht.

Er viel een zonnestraal precies op de ingang van het hol en daardoor kon hij iets in het hol zien liggen. Een prop van glimmende, zwart met bloedrode, geelomrande vlekken. Aloisie kon er niet goed bij en ging op zoek naar een tak. Met de punt van de tak trok hij wat hij zag liggen uit het hol. Het bleek een vel te zijn, een slangevel. Satang de slang had zijn vel verwisseld en hij was blijkbaar heel gehaast zijn hol uitgekropen want hij had zijn vel niet ingegraven.

Maar Satang mocht juist nooit zijn vel zomaar achter laten! Als het vel in mensenhanden terecht kwam, verloor hij, Satang, in sommige dorpen bekend als Didiebrie, zijn macht en werd hij een doodgewone slang als alle andere slangen in het bos!

Aloisie vond het vel bijzonder mooi. Hij prikte die aan de punt van zijn stok en rende er mee naar de hut. Onderweg stuitte hij op een oude wijze dorpsgenoot die het vel van Satang herkende.

Eerst bleef die stokstijf staan van schrik, maar meteen daarna begreep hij wat er aan de hand moest zijn. Hij gilde het uit van vreugde want nu was het dorp verlost van Satang de duivel. Hij rende zijn hut in, haalde een trommel en trommelde alle dorpelingen bij elkaar om ze het goede nieuws te vertellen. Die avond werd een groot kampvuur gemaakt en er werd besloten dat als Aloisie achttien zou zijn, hij opperhoofd van het dorp mocht worden.

En ze leefden nog lang en net zo gelukkig als in de tijd voordat Satang, ook wel bekend als Didiebrie, zijn hol onder de wortels van de Kankantrie had gegraven.