De gelukzalige staat van het gereguleerde nietsdoen; Fakapikopiko in Matamaka

Hij moest veel namen onthouden. Het eiland was Nuapapu, de jongen die hem er heen bracht heette Pakilau Tukulá en hij woonde in het dorp Matamaka. Dat betekende "Veel stenen', maar hij zag er slechts hoge palmen, een parelwit strand en houten hutjes omringd door hordes varkens, kippen en honden. Een grote opwinding maakte zich van hem meester want het was een mirakel dat hij er in was geslaagd dit paradijselijke oord te bereiken.

Vanaf Schiphol waren de vliegvelden van Boston, Minneapolis, Los Angeles, Honolulu, Pago Pago, Fua'amotu, Salote Pilolevu en Lupepau'u voorbij geschoten. De tijd ging vooruit en achteruit, sloeg zelfs een dag over. Hij zag zeeën, woestijnen en oceanen. Hij beklom wankele vliegtuigtrappen die op een bestelbusje met open laadbak waren geplaatst. Hij zag zijn eerste palmen, de zon beukte op zijn kalende hoofd.

Het hoofdeiland was plat; er was een bank en een koninklijk paleis. Hij nam zijn intrek in een Victoriaans pension waar W. Somerset Maugham in 1916 nog had gelogeerd. In de hoofdstad bevond zich de belangrijkste kruising van het hele koninkrijk; er stond een verkeersagent die zich bewoog als een balletdanser. Uit een winkel klonk reggae-muziek. Het lawaai benauwde hem; hij moest hier weg, verder, veel verder.

Per tweemotorig toestel vertrok hij naar een archipel die uitsluitend in de buurt van zichzelf was gelegen. Vanuit zijn walkman danste Philip Glass door zijn hoofd. Beneden zag hij paradijselijke koraal- en rotseilandjes, met hier en daar een atol. Het water van de eindeloze oceaan was groenblauw. Hij stapte uit op een eiland waar de tijd leek stil te staan en waar de palmen wuifden op het eeuwige ritme van de wind.

De ene helft van de bevolking was katholiek, de andere helft protestants, keurig verdeeld over Mormomen, Methodisten en Zevende Dags Adventisten. Allen gingen op zondag drie keer naar de kerk; door-de-weeks klonken meerstemmige gezangen vanuit de houten kerkgebouwtjes. De meeste bewoners deden niets. Ze zaten in de hoofdstraat van het dorp en keken zwijgend voor zich uit. Elders op het eiland waren nederzettingen waar vijf auto's per dag langs kwamen, meestal volgepakt met zwaargebouwde vrouwen en getatoeëerde mannen. Ze reden aan de linkerkant van de weg, dat hadden witte mannen met tropenhelmen ooit zo bedacht.

In de haven zat hij urenlang te lezen in Best Stories from the South Sea. Net toen hij zich afvroeg of hij nu alleen maar naar dit afgelegen eiland was gevlucht om er novelles te lezen van schrijvers die gevlucht waren naar afgelegen eilanden om daar te verhalen over mannen die gevlucht waren naar afgelegen eilanden, sprak Pakilau hem aan. Hij was gespierd en droeg een zonnebril. Zijn Engelse woordenschat was beperkt maar het was duidelijk dat hij hem uitnodigde om naar zijn eiland te komen. Veel meer afgelegen nog dan het hoofdeiland van de archipel. De enige manier om er te komen was per roestig vissersbootje.

De volgende dag meldde hij zich volgens afspraak in de haven. Voor de familie van de jongen had hij een zak aardappelen meegenomen en een paar blikken Nieuwzeelandse corned beef. Het was een uur varen naar Nuapapu. Er waren twee dorpen op het eiland. Pakilau woonde in Matamaka, bij zijn grootouders, zijn oom Talefekau, zijn tante Pistuni en hun twee kinderen.

Pakilau hield van zijn vier honden. Hij noemde hun namen op. Ze leken sprekend op de varkens en ook op elkaar. Het eerste was Pakilau nooit zo opgevallen, dat de honden op elkaar leken was echter geen wonder want ze kwamen uit één nest. En waar de ouders van de honden waren? Die hadden ze met een pook op de kop geslagen, geroosterd in de umu en genuttigd tijdens een feestmaaltijd.

In Matamaka viel het hem niet moeilijk zich aan te passen. Wie iets nodig had, liep een hut binnen en pakte wat van zijn gading was. Wie moe was, liet zich vallen. Wie vis wilde eten, ving vis. Wie naar zee wilde staren, staarde naar de zee. En wie honger had, at.

In Matamaka was geen elektriciteit of stromend water. Er waren geen auto's, fietsen, straten, hekken, winkels of kranten. Niemand had honger en niemand was rijk. Sommigen bezaten een radio op batterijen. Talefekau luisterde iedere avond naar het nieuws. Zo had hij ook de Golfoorlog gevolgd. Het ging er soms wild aan toe, daar overzee.

De kalende man leerde snel. Hijzelf was een palangi, zo riep iedereen hem toe. Op zondag ging hij naar de kerk. Hij droeg nu voor het eerst een tupelu, een blauw rokje met daaroverheen een matje van boomschors dat ze "buitenrok' noemden. Vroeger hadden de boten nog van boomschors gemaakte zeilen en wie het eiland van de koning naderde scheurde het zeil aan stukken en bond het om zijn lichaam. Dat was het uiterste teken van respect want zonder zeil was de terugtocht een zware opgave. Nu hadden de boten dieselmotoren maar het ontzag voor de koning was ongebroken.

In de kerk prees de dominee de Here. Daarbij huilde hij tranen met tuiten, maar na afloop lachte hij en nodigde de palangi uit voor een gezamenlijke maaltijd. In Matamaka waren geen tafels of stoelen en nu de palangi in een rokje gehuld ging, doemde er een probleem op. De dorpelingen zaten de hele dag in de yoga-zit en de blanke man hield dat niet vol. Maar opgetrokken knieën betekende inkijk en daar waren de kerkgangers niet van gediend. Hij schoof zijn benen daarom opzij, hetgeen wel mocht maar eigenlijk de zwangere-vrouwenzit bleek te zijn en dus in feite ongepast. De aanwezigen zeiden hun gebeden en deden zich tegoed aan geroosterde speenvarkens, kokosnoten, papaya's, rauwe vis en ananas.

's Avonds nodigde Talefekau hem uit op een feest. In een hut zaten twintig mannen tegen de wand. Een jong meisje bereidde een narcotiserende drank uit fijngehakte en uitgeperste kava-wortels. Ze schonk de kava in een uitgeholde kokosnoot die de mannen aan elkaar door gaven. Ondertussen probeerden ze de aandacht van het meisje te winnen. Wie daarin slaagde zou haar mogen ontmaagden in het palmenbos. De kalende man was een serieuze kandidaat maar in het vertellen van grappen of sterke verhalen gehandicapt wegens het ontbreken van een woordenschat. “Fakaòfoòfa” en “Ko 'eku ha'u mei Holani, fefe hake?”, lieten ze hem zeggen zonder dat hij wist waar hij het over had. Om vijf uur 's ochtends was de helft van de mannen ter plekke in slaap gevallen of niet meer aanspreekbaar. De anderen gaven nog niet op maar de palangi haakte af.

De volgende dag kwam de zon op en ging later weer onder. In het rozerode licht van de avond speelde de dorpsjeugd volleybal. De mannen staarden naar de zee. Doorgaans sliepen Pakilau en Talefekau tien à dertien uur per etmaal. De staat van het gereguleerde nietsdoen heette fakapikopiko. Alle bewoners van Matamaka kenden het en ze genoten ervan.

Op een dag vroeg hij Pakilau naar zijn toekomstplannen. De jongen staarde naar de zee. Nee, hij begreep de vraag niet. Visser wilde hij niet worden en student evenmin. Hij kwam uit Matamaka en dus woonde hij in Matamaka. Hij zou leven tot hij stierf.

Niemand wilde van de palangi weten hoe lang hij zou blijven. De vissersboot had hem gebracht en nu was hij er. Hij sliep tussen de anderen, hij at de rauwe vis en hij droeg de tupelu die Talefekau hem had gegeven. Toen, plotseling, bedankte hij iedereen en vertrok met de vissersboot. Het was al laat op de dag, de zon ging onder, de dorpsjeugd speelde volleybal en de mannen staarden naar de zee.

Foto: En de zon ging onder in Matamaka (Alfred van Cleef)