De duivel uit mijn kinderjaren springt te voorschijn.

Hij sluipt weer rond in schaduwen, ligt op de loer, verstopt zich in mijn slaapkamer, fluistert vloeken en leugens in.

Volwassenen zet hij aan tot moord en doodslag: pas op, pas op! Want het is hem allemaal al zo lang gelukt als de wereld oud is. Hij is afgrijselijk en angstwekkend, maar hij boeit, dit helleschepsel met zijn harige vel, hoeven, klauwen, horentjes en vooral zijn vileine grijns, o, hij boeit heel wat meer dan welke zalige of heilige ook.

Het duurt niet lang of de hel blijkt van vorm en inhoud te kunnen veranderen. Misschien is het geen vuurzee, maar een eindeloze, gure ijsvlakte, een bestaan van onophoudelijke martelingen, eeuwige spijt en verdriet.

Maar daar lokt en lacht de wellustige schelm. En als hij al niet laat zien hoe plezierig het leven kan zijn, dan fluistert hij het wel weer even in. Hij is gladgeschoren, hij gaat goed gekleed, maar als je goed luistert, hoor je het schurken van het haar onder zijn hemd en als je beter kijkt zie je hoe puntig zijn oren zijn. Dit is Satan zelf, de heerser van de hel, de barman van het nachtcafé dat nooit dichtgaat.