De drommel, Pietje; Scheldwoorden, vloeken, verwensingen en beledigingen

De Scandinavische talen schijnen veel beledigingen uit de religieuze sfeer te hebben.

In Zweden kom je een heel eind in de verbale agressiviteit als je de woorden voor hemel (himmel), god (gud), kruis (kors), ziel (själ) en vooral voor hel (helvete) en duivel (djävul, jävul, fan en satan) kent. Een Zweed die wil zeggen rot op of sodemieter op, doet dit met far at helvete, loop naar de hel. Ook de grove uitroep van afwijzing aan m'n reet wordt met behulp van de duivel of de hel vertaald. Det kan du ge dig fan pa (letterlijk: dat kan je je de duivel opgeven), of: I helvete heller (letterlijk: in de hel ook).

Ook in het angelsaksische taalgebied speelt de hel een grote rol bij het schelden, vloeken, tieren. De duivel heel wat minder. Get the hell out of here. Oh hell, they're back. What the hell do you mean by that? Het is moeilijk om precies aan te geven wat the hell hier eigenlijk betekent. Robert Chapman noemt het in zijn "New Dictionary of American Slang' (1986) een "hostile intensifier', een woord waarmee je je vijandige gezindheid zeer sterk tot uiting brengt. The hell kan, volgens Chapman, heel vaak vervangen worden door the devil of the fuck. Het eerste is wat minder sterk, het laatste klinkt aanmerkelijk ruwer.

In Nederland spelen de duivel en de hel nauwelijks meer een rol bij de vorming van agressieve taal. Margriet de Moor laat in haar laatste boek "Eerst grijs dan wit dan blauw' een van haar hoofdpersonen zeggen “wat een duivelse hitte” en dat klinkt mij al wat ouderwets in de oren. Net als loop naar de duivel! Loop naar de hel! De duivel hale je! Naar de duivel met die vent! Kom hier, voor de duivel! Wat duivel! Wie duivel mag daar komen! Dat mag de duivel weten! Om de duivel niet!

Toch moet er in het niet zo heel verre verleden dankbaar gebruik zijn gemaakt van deze krachttermen.

“De schoelje wil mij alzoo zijn eigen gronden, die niets waard zijn, voor een hoogen prijs aansmeren! Dat zal hem de duivel!” (J. van Lennep, Klaasje Zevenster [1866]).

“De duivel hale mij, zoo ik ooit weer met studenten soupeer.” (De Werken van E.J. Potgieter [1839]).

In het oudere Nederlands werd de duivel nog met andere namen aangeduid. Een ervan is nikker, ook wel als ikker gespeld. Etymologisch gezien heeft het niets te maken met nikker in de betekenis "neger'. Het eerste nikker is een oud Germaans woord dat in de mythologie een boosaardige watergeest aanduidt die mensen in het water naar beneden trekt om ze "in te lijven'. Later staat het voor "duivel'. Het tweede nikker is een late ontlening uit het Engels-Amerikaanse nigger. In verwensingen komt nikker "duivel' op dezelfde wijze voor als duivel. Jou Kinckel, de Nicker moet jou schennen (De Werken van G.A. Bredero [1617]).

Drommel

Een woord waarvan vrijwel niemand zich zal realiseren dat het ooit duivel heeft betekend, is drommel. Het is verwant met dreumes "klein kind' en volgens het "Woordenboek der Nederlandsche Taal' moet de duivel dan ook gezien worden als een "klein, ineengedrongen mannetje'. Het woord komt als basterdvloek voor: “de drommel, Pietje, nu durf ik niet langer”, schrijven de dames Wolff en Deken in het eerste boek van hun Willem-Leevendcyclus uit 1784-'85. Vooral na vraagwoorden is het lang gebruikelijk geweest. “Wie, drommel, leerde u toch zoo lief- En geestig uw woordjes te schikken” (De Dichtwerken van P.A. de Génestet 2, 36 [1857]).

Onlangs kocht ik het boek "Over alles' waarin een groot aantal columns van Nico Scheepmaker door Tim Krabbé is gebundeld. In zijn allereerste column uit het blad Vijfling (1949) schrijft hij: “Wel voor de drommel”, riep ik uit, “wie spreekt er hier nu eigenlijk Engels?”

Ik denk dat Scheepmaker, die een goed gevoel bezat voor wat hedendaags Nederlands is, wel voor de drommel in zijn stukjes uit later tijd toch niet meer gebruikt zal hebben. Het van drommel afgeleide drommels kan voor mij nog net. Maar door mij geraadpleegde jongeren van 12-15 jaar vonden het woord belachelijk ouderwets. Ik las hen een passage uit Van Deyssel (Verzamelde Opstellen 2, 387 [1896] voor: “Wij zijn kale en grijze, welwillende Heeren geworden: maar drommels, wij, jongens van '80, wij waren toch wel een nobele bende.” Om drommels werd ingehouden gelachen.

Een ander, reeds lang vergaan, woord voor "duivel' is droes. De etymologie ervan is onbekend. Het "Woordenboek der Nederlandsche Taal' geeft als laatste bewijsplaats wat droes (voor wat wij nu met "verdomme' zouden weergeven) uit de "Camera Obscura' (1840, p. 151): “Ik zou haar (een mof) toch niet anders dan 's avonds dragen” ... “allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?” Ten slotte zit er nog een "duivel' verborgen in het, ook al uit de mode zijnde blikskaters. De kater is in het Middelnederlands gebruikelijk voor de "duivel' en bliksen was het woord voor "bliksemen'. De blikskater is dus "de bliksemende duivel'.

Scheldwoorden, vloeken, verwensingen, beledigingen worden vaak gevormd van taboewoorden, of, zoals in het geval van de duivel, de hel of god, met woorden die een grote beladenheid hebben. Er zit iets magisch in het gebruik ervan, maar ook iets bedreigends, alsof het onheil kan brengen aan de spreker. Daarom worden ze vaak verzacht, eufemistisch verbasterd. Jemig (de pemig). Jeetje. Tjeempie (alle drie vervormingen van Jezus). Gossie (= God).

Dat in Nederland de duivel en de hel als scheldmiddel nooit zo erg populair zijn geweest, mag misschien worden opgemaakt uit het feit dat er nauwelijks eufemistische vervormingen van die woorden zijn. Het enige voorbeeld dat me te binnen wil schieten is deksels. Deksels, wat is het koud hier. Wat een dekselse vent. Te deksel, hoe kom je er op? “Wat deksel beginnen die meiden daar nou” ("Klaasje Zevenster' 3, 318).

Maar die hoor ik ook niet zo veel meer om mij heen. Kennelijk is de baarlijke duivel uit het Nederlands verbannen.