De Boze in de Bijbel; Waarover spraken zij in de woestijn

Waarom sprak God met de duivel die toch zijn aartsvijand was? En waarom was Zijn zoon zomaar met de duivel op stap in de woestijn? En hoe wisten de evangelieschrijvers daarvan? Waarom was de duivel nodig voor Judas' verraad? Waar was dat hele verraad trouwens voor nodig?

In de Bijbel speelt de duivel geen rol van betekenis. In het Oude Testament komt het woord duivel zelfs niet eens voor. Ook zijn huidige woonplaats, de hel, wordt in het Oude Testament niet genoemd. De zeldzame keren dat de duivel in het Oude Testament genoemd wordt, heet hij de Satan. En ook onder die naam treffen wij hem in het OT op de kop af maar achttien keer aan, waarvan veertien keer in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. De eerste keer dat hij in de Bijbel genoemd wordt is in 1 Kronieken 21 vers 1. Daar lezen wij: “Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen.” Verderop wordt in dat verschrikkelijke verhaal over die volkstelling - waarbij God talloze onschuldigen straft, maar de schoft (David) die alles bedacht heeft vrijuit laat gaan - Satan niet meer genoemd.

Sprekend en handelend treedt Satan op in de eerste twee hoofdstukken van het boek Job. Daar vertelt het Woord ons dat de Satan bij God op bezoek gaat en met de Allerhoogste tot een deal komt betreffende Job, die met wederzijds goedvinden zwaar beproefd zal worden. Als kind heb ik altijd heel veel moeite gehad met dat verhaal. Dat de Satan - toch de ergste vijand van God - zomaar bij de Here op bezoek kon gaan en met Hem kon spreken, leek me absurd. Wie ontvangt er nu zijn ergste vijand bij hem thuis? Maar ook in Zacharia 3 wordt ons verteld dat de Satan bij God op bezoek is. Daar staat: “Vervolgens deed Hij mij den hogepriester Jozua zien, staande vóór den Engel des Heren, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen. De Here zeide tot den satan: De Here bestraffe u satan.”

De satan, kortom, is in het Oude Testament - die zeldzame keren dat hij optreedt - iemand die weliswaar bestraft moet worden, maar waarmee toch ook te praten valt. Zo volstrekt verwerpelijk kan hij dus niet zijn. Of is hij dat wel in al die gevallen waarin hij niet als Satan of Duivel wordt aangeduid, maar als den Boze, of het Kwade? En is hij misschien ook de Slang in het Paradijs die Eva verleidt? Maar die vijftien keer dat er in het Oude Testament sprake is van den Boze(n) of het Boze, is er zes keer sprake van een meervoudsvorm, en kan dus de Duivel of Satan niet bedoeld zijn, en in de andere gevallen is er of sprake van het Boze als abstract begrip of de Boze als tegenstelling tot de Goede zoals in Spreuken 4 vers 19: “De bozen moeten zich neerbuigen voor de goeden.” Ook met de term het Kwade - tweeënveertig keer in het Oude Testament - wordt nooit duidelijk de Duivel zelf bedoeld. In Job 2 vers 10 staat zelfs: “Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?” Met dat kwade wat van God komt, kan in dat geval moeilijk de Duivel bedoeld zijn.

In het Genesis-verhaal over de Slang in het Paradijs wordt nergens expliciet gezegd dat die Slang in feite de Duivel is. Je kunt misschien alleen maar uit Openbaringen 20 vers 2 (“...en hij greep den draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan...”) opmaken dat dat sprekende reptiel in het Paradijs de Duivel geweest zou kunnen zijn.

Nieuwe Testament

In het Nieuwe Testament komt de Duivel vaker voor. Zesendertig keer onder deze naam, en ook zesendertig keer onder de naam Satan. Een paar keer wordt hij ook aangeduid als Beëlzebul, maar niet altijd wordt daarmee de Duivel bedoeld. Zo lezen wij in Mattheüs 10 vers 25: “Indien men aan de heer des huizes den naam Beëlzebul heeft gegeven, hoeveel te meer aan zijn huisgenoten.” En die paar keer dat met Beëlzebul wel de Duivel bedoeld wordt, zijn het Farizeeën die de naam gebruiken, bijvoorbeeld in Mattheüs 12 vers 24: “Maar de Farizeeën zeiden: Deze drijft de boze geesten slechts uit door Beëlzebul, den overste der geesten.” (Hetzelfde verhaal geeft Lucas 11.)

Het meest spraakmakende optreden van de Duivel alias de Satan in het Nieuwe Testament wordt verhaald in Mattheüs 4, en hetzelfde verhaal krijgen we ook in Lucas 4. Dat is het verhaal over de verzoeking van Jezus in de woestijn. Ook in dat verhaal spreekt Jezus, alsof dat vanzelf spreekt, met zijn ergste vijand, de duivel. Ook dat verhaal heeft mij als kind altijd geteisterd omdat ik ten eerste maar niet begrijpen kon dat Gods zoon zomaar met de duivel in de woestijn op stap kon zijn, en ten tweede niet begrijpen kon hoe de evangelie-schrijvers Mattheüs en Lucas die niet bij die verzoeking aanwezig waren geweest, dat verhaal hadden kunnen optekenen. Had Jezus dan, toen hij uit de woestijn kwam, aan zijn discipelen verteld dat hij door Satan verzocht was geworden? Maar waarom werd dat dan nergens vermeld? Nee, dat verhaal kostte mij hoofdbrekens, net als trouwens dat andere verhaal over het optreden van Satan in het Nieuwe Testament. Volgens het Woord des Heren had "de duivel' (Johannes 22 vers 2) “reeds Judas in het hart gegeven Hem te verraden”. In Lucas 22 vers 3 heet het: “De Satan voer in Judas.” Judas' verraad, kortom, was eigenlijk het werk van de duivel. Daaraan twijfelde ik als kind ook geen moment, maar wat ik totaal niet begrijpen kon was dat het nodig was om Jezus te verraden. Jezus, redeneerde ik als kind, was toch héél bekend, net zo bekend als bijvoorbeeld onze dominee, en als de politie onze dominee wilde oppakken hoefde daar toch geen verrader aan te pas te komen? Elke agent in Maassluis wist hoe onze dominee er uitzag, en zo moest het volgens mij indertijd in Jeruzalem ook geweest zijn. Jezus was zo vaak opgetreden, in en buiten de tempel, en was bovendien op een ezel binnen komen rijden - dus elke soldaat kende zijn gezicht. Nee, dat verraad, ik begreep er niets van. Daarbij kwam dat ik altijd dacht: “Nou ja, blijkbaar was dat verraad nodig. Maar als Judas Jezus nu eens niet verraden had, dan was Jezus niet opgepakt en niet gekruisigd en zouden wij dus ook niet verlost zijn geworden. Met andere woorden: door via het verraad mee te werken aan de Kruisiging die onze Verlossing heeft bewerkstelligd, heeft Judas eigenlijk héél goed werk verricht.” Zei je zulke dingen op catechisatie, dan werd je zowat gelyncht. En toch denk ik er nog steeds zo over. Je kunt Judas wel brandmerken als verrader en Pilatus en Kajafas en Herodes als schobbejakken, maar als zij niet gehandeld hadden zoals zij gehandeld schijnen te hebben, was Jezus niet gekruisigd en was er nooit sprake geweest van Verlossing. Al diegenen die hebben meegewerkt aan de Kruisiging hebben daarmee een bijdrage geleverd aan de uitvoering van Gods heilsplan, en dus een goed werk verricht. Ook Satan die in Judas voer heeft aldus aan de uitvoering van Gods heilsplan meegewerkt.

Geen reden dus voor al die waarschuwingen tegen de duivel en de satan in de brieven van Paulus en Jacobus en Petrus en Johannes. In die brieven wordt ons overigens weinig verteld over de duivel dat kan bijdragen tot een scherper omlijnd profiel van zijn Persoon. In de Handelingen der Apostelen komt de duivel alias de satan nog een paar keer voor als verleider, onder andere in dat afschuwelijke verhaal over Ananias en Sapphira die terstond ter dood gebracht worden omdat ze niet al hun geld dat zij met de opbrengst van de verkoop van een stuk land hebben verkregen aan de voeten der apostelen leggen, maar ook daar worden wij niet veel wijzer over de duivel.

Oorlog

Pas in het laatste Bijbelboek wordt ons vrij uitvoerig verteld wie nu eigenlijk de duivel is en wat wij van hem te verwachten hebben. Zo krijgen wij in Openbaringen 12 vers 7 te horen: “En er kwam oorlog in den hemel: Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen den draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij kon geen stand houden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt de duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.” Daar komt dus het verhaal vandaan dat de duivel een gevallen engel is.

Verderop in Openbaringen wordt ons nog verteld dat “den draak, de oude slang, dat is de duivel” duizend jaar gebonden is geworden en vervolgens nog voor een korte tijd “moet worden losgelaten”. In mijn jeugd heb ik talloze malen gehoord dat die "duizend jaar' niet letterlijk genomen moest worden, daarmee werd alleen maar een héél lange periode bedoeld, maar het was volgens bijvoorbeeld dominee Venema wel duidelijk dat die korte periode van loslaten rond 1955 was aangebroken. Dat kon je afleiden uit het feit dat huisvrouwen hun lippen stiftten!

Als ik aan mijn jeugd terug denk kan ik haast niet geloven dat al die dominees met die schaarse en onduidelijke gegevens over de duivel die het Woord geeft, zo'n terreur hebben kunnen uitoefenen. De duivel komt amper in de Bijbel voor, want ook voor het Nieuwe Testament geldt dat al die vermeldingen van de(n) Boze of het Kwade te abstract zijn dan dat zij rechtstreeks op de duivel kunnen slaan. In die gevallen dat hij echt sprekend en handelend optreedt - het boek Job, de verzoeking in de Woestijn - betreft het verhalen over gebeurtenissen die geen mens heeft kunnen waarnemen (in het boek Job bezoekt Satan God in de hemel, dus daar was geen aardse sterveling bij, en bij de verzoeking in de woestijn was geen notulist aanwezig). In alle andere gevallen is de duivel of de satan alleen maar iets tamelijk abstracts dat grossiert in slechte inblazingen. En wat het Bijbelboek Openbaringen betreft: wat daarin staat is van begin tot eind zulke kolder dat het haast niet te geloven is dat zo'n man als kamerlid Schutte, blijkens het interview van 19 oktober in deze krant, al die krankzinnige waanzin voor waarheid aanneemt. Maar ja, zeggen de Christenen dan: dat nu is de list van de duivel, die verleidt je ertoe om te geloven dat het Evangelie onzin is.

Stel nu eens dat dat waar is. Dan is de duivel in feite ontzaglijk bescheiden. Hij blaast dan de ongelovigen in dat hij zelf niet bestaat. Dat iemand zich zo volledig kan wegcijferen in het hart van al die ongelovigen, wat een fantastisch staaltje van Christelijke Nederigheid!