Circustheater wordt tehuis langlopende musicals

Het Circustheater in Scheveningen wordt op initiatief van producent Joop van den Ende verbouwd tot musical-theater voor produkties, die er voor onbepaalde tijd kunnen blijven staan en niet op reis gaan. Het gebouw krijgt een geheel nieuwe gevel, een nieuwe hal en nieuwe foyers. De renovatie gaat vijftien miljoen gulden kosten.

Meer dan één symbolische gulden behoefden de nieuwe eigenaren van het Circustheater in Scheveningen voor de aankoop niet te betalen - op voorwaarde dat ze minstens 8 miljoen gulden zouden investeren in een complete renovatie. Het worden er bijna twee keer zoveel, want het oude gebouw moet een nieuwe, nationale allure krijgen. Op een siertoren aan de voorgevel zal voortaan de naam prijken van de produktie die hier wordt gespeeld. Een nieuwe hal en nieuwe foyers krijgen ruimte in een extra schil die om het oude theater wordt heengebouwd. Het huidige, meestal waaierige theaterplein wordt daardoor een stuk kleiner. En eindelijk verdwijnt de gevel van smoezelige golfplaat, die 25 jaar lang heeft herinnerd aan het voorlopige karakter van de bebouwing.

Hoewel producent Joop van den Ende bij de overdracht de meeste aandacht heeft gekregen, is zijn bedrijf slechts één van de drie nieuwe eigenaren. De andere twee zijn de Maastrichtse ondernemer Benoit Wesley, die zijn hotels in 1987 met een miljoenenwinst van de hand deed, en de Amsterdamse firma Stardust Productions van journalist-impresario Henk van der Meyden. Ze hebben elk een gelijkwaardig belang. Hun aanvankelijke pogingen om de oude Heineken-fabriek in Amsterdam in handen te krijgen, vonden geen genade in de ogen van de desbetreffende deelraad. Scheveningen was hun tweede keus. “Eigenlijk had dit theater natuurlijk in Amsterdam moeten staan”, beaamt Ed Burgers, directeur vastgoed bij Van den Ende. “Nu moeten we er dus voor zien te zorgen, dat het toch dezelfde landelijke uitstraling krijgt, die het in Amsterdam had gehad.”

Het Circustheater, aanvankelijk eigendom van projectontwikkelaar Reinder Zwolsman, verrees 25 jaar geleden op de plek van het negentiende-eeuwse Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, dat door brand werd verwoest. De voorgevel werd met opzet niet afgewerkt, omdat de gemeente van plan was er een 35 meter hoog gebouw vol kantoren, flats en winkels vóór te zetten. Dat is echter nooit gebeurd. In de eerste jaren werd het theater voornamelijk bespeeld door het Nederlands Danstheater en de Nederlandse Opera; sindsdien was de programmering vooral gericht op grote amusementsprodukties.

Al sinds de déconfiture van Zwolsman stond het Circustheater op de nominatie te worden gesloten. Het was “een blok aan het been” voor de erfgenaam, Nationale Nederlanden, die samen met de gemeente Den Haag het jaarlijkse verlies (circa 2,8 miljoen gulden) aanzuiverde. De gemeente zocht vorig jaar contact met Van den Ende, die nergens gehoor vond voor zijn wens musicals te produceren met een open end - produkties die, zoals in New York of Londen, in één theater kunnen blijven staan zolang de publieke belangstelling groot genoeg is. Tot dusver is dat in Nederland in geen enkel theater mogelijk.

“Het is onze bedoeling hier succesvolle produkties van elders op die manier te programmeren,” zegt Burgers. “Voorlopig zullen we niet experimenteren met eigen musicals die hun succes nog niet hebben bewezen; die blijven, zoals in ons land gebruikelijk is, op tournee gaan.” De eerste op de lijst is een Nederlandse versie van The Phantom of the Opera van Andrew Lloyd Webber, die waarschijnlijk in mei 1993 in het Circustheater in première gaat - na afloop van de verbouwingen, die eind 1992 beginnen.

De komende maanden werkt het Circustheater nog een paar bestaande verplichtingen af. De huidige serie voorstellingen van Les Misérables loopt door tot mei, daarna moet er ruimte worden gemaakt voor het Adama Zijlstra-muziekconcours en - deze zomer - voor de traditionele maand van Paul van Vliet. Dit najaar zijn nog enkele losse produkties te verwachten, tot de tijdelijke sluiting. Onder het nieuwe bewind kan geen enkele van de oude bespelers meer worden gegarandeerd dat er ruimte zal zijn. Dat geldt dus ook voor Van Vliet, die in het recente verleden actie heeft gevoerd voor behoud van “zijn” theater. De grote series gaan vóór. “Alleen als er een periode moet worden overbrugd, bijvoorbeeld als iets onverwacht zou floppen, kunnen we losse produkties in huis halen,” aldus Burgers. “Maar het is uiteraard niet de bedoeling dat dat vaak zal voorkomen.”

De personeelsleden, twaalf in vaste dienst, zijn door de nieuwe eigenaren overgenomen. Voor de voormalige directeur Erik Kroes is de verandering het grootst; hij houdt zich voortaan bezig met de publiekswerving en verliest zijn programmeringsvrijheid. “Dat is wel zuur,” geeft hij toe. De nieuwe directeur wordt Michiel Tromp Meesters, thans werkzaam bij het Barbizon-hotel in Amsterdam. “Een echte schouwburgdirecteur zou hier gek worden, want van een eigen programmering is geen sprake meer,” zegt Burgers. “Zo'n man is hier dus niet nodig. De nieuwe directeur moet een gastheer zijn, die niet per se verstand hoeft te hebben van theater.”

In het door marmer en Venetiaans stucwerk gedomineerde ontwerp van de Maastrichtse architect Arnold Meys blijft de zaal, met de veelgeprezen akoestiek, nagenoeg intact. De grootste noviteit is de bouw van een aantal logeplaatsen, die de zaal “intiemer” moeten maken. Het aantal stoelen (1550) blijft gelijk. Een grote, naar buitenlands voorbeeld gemodelleerde musical moet hier straks een miljoen bezoekers kunnen halen, menen de eigenaren. Hoe lang moet zo'n produktie dan op deze plek blijven staan? Burgers haalt er de zakjapanner bij en antwoordt binnen enkele seconden: “Bijna twee jaar.”