"Zelfportret' Carmiggelt toont de schrijver zoals hij zich wilde voordoen

Carmiggelt over Carmiggelt, woensdagavond, Ned.1 21.00-21.50u. Deel twee volgt woensdag 1 januari.

Simon Carmiggelt heeft vaak van vroeger verteld. Over het sociaal-democratische gezin waarin hij werd geboren (en waar “uit beginsel” werd gelachen om het VARA-amusement), over zijn vlegeljaren bij de socialistische krant, over het illegale Parool, over het schrijven van zijn Kronkels en over het voorlezen daarvan op de televisie. Het waren meestal gestructureerde verhalen met een kop en een staart, waarin in de loop der jaren maar weinig veranderde. Vriendelijk gezegd: hij was een bekwaam verteller die precies wist wat de interviewer wilde horen. Onvriendelijk gezegd: het waren standaardverhalen die maar weinig van hemzelf lieten zien.

Wie voor een tweeluik over Carmiggelt uitsluitend gebruik maakt van 's mans eigen uitlatingen, zoals Kees de Bree het voor de KRO heeft gedaan, legt zichzelf grote beperkingen op. Carmiggelt over Carmiggelt komt dan ook niet verder dan het al bestaande beeld van de minzame toeschouwer, die in onderkoelde bewoordingen de tragi-komische kanten van het bestaan belicht - het beeld dat in de allereerste plaats door Carmiggelt zelf werd geschapen. Waar hij zelf niet over sprak, blijft buiten beschouwing. Alleen die foto van Renate Rubinstein, in het tweede deel, springt er even uit. Maar daarop volgt dan weer snel een uitspraak van de hoofdpersoon, uiteraard uit een andere context gehaald, over het privé-leven van schrijvers. “Ongezonde belangstelling,” oordeelt hij, kennelijk zonder zich te realiseren dat hij vaak over het privé-leven van schrijvers heeft geschreven.

Intussen zit tussen al die vaardig in elkaar geschoven archiefbeelden wel degelijk heel wat bezienswaardigs, al was het maar omdat zo veel verschillende interviewers de revue passeren: H.A. Gomperts en Elly Nieman in zwart-wit, Sonja Barend en Koos Postema met lang haar in kleur. En hoewel Carmiggelt steeds dezelfde blijft, zien we hem toegroeien naar het hoofd dat uiteindelijk het best bij zijn verhalen paste. De veertiger met de hoornen bril uit de oudste opnamen is eigenlijk nog niet de echte.

Des te spijtiger, dat het tweeluik inhoudelijk te wensen overlaat. Er zijn feitelijke lacunes (even spreekt Carmiggelt over zijn werk als filmcriticus, maar onvermeld blijft dat hij ook toneelrecensent was) en er zijn onbevredigend korte passages over wezenlijke momenten in zijn leven. Hij doet zijn inspanningen voor het illegale Parool af als “heel boeiend werk”, zonder aan te geven dat de oorlogsperiode voorgoed zijn normen en waarden bepaalde. Hij laat zich in een zwart-wit-fragment ontvallen dat hij vraagtekens zet “bij de mate waarin ik zelf geslaagd ben in het leven”, zonder die intrigerende bekentenis te verduidelijken. De vrienden die in de research-fase zijn geraadpleegd, hadden daarover meer kunnen vertellen, maar De Bree koos ervoor hen buiten beeld te houden. Hij is de gevangene van de vorm, die hem dwong uitsluitend Carmiggelt aan het woord te laten. En die vertelde hoogst onderhoudend, maar lang niet alles.