"Wie de huursubsidie aantast haalt het hart uit het beleid'

ZOETERMEER, 24 DEC. Zijn gezicht verstrakt en in afgemeten bewoordingen laat hij eerst weten: “Nee, daar zeg ik niets over.” De vraag aan ir. J.M. Koopman was : heeft het CDA staatssecretaris Brokx (volkshuisvesting) in 1986 terecht laten vallen, kort voor de parlementaire enquête over bouwsubsidies?

De betrokkene zelf, thans burgemeester van Tilburg, maakt nu nog van zijn verontwaardiging daarover allerminst een geheim. Ir. Koopman, toen en nu de hoogste volkshuisvestingsambtenaar van Nederland, zegt na enig nadenken: “Gezien vanuit het functioneren van de volkshuisvesting hoefde Brokx voor mij helemaal niet weg.”

Betekende het gedwongen vertrek van Brokx niet ook gezichtsverlies voor de ambtelijke top van het ministerie?

“Nee, dat hebben wij niet als een nederlaag ervaren. Er was ook geen schandalige zaak aan het licht gekomen. Het vertrek van Brokx was een puur politieke keuze van het CDA.”

Maar in de organisatie en administratie op het ministerie zijn daarna grote ingrepen gedaan.

“Dat kwam niet door de parlementaire enquête, al heeft die dat wel sterk gestimuleerd. Wij waren al bezig een beter financieel beheerssysteem op te zetten. Dat was onder Brokx in 1985 besloten. Staatssecretaris Heerma heeft zich er daarna wel sterk mee bemoeid. De letter van een regeling is veel zwaarder gaan wegen. Een conclusie van de parlementaire enquête was dat je de regels zelf moet toepassen en niet een vrije interpretatie ervan.”

Een verdere vergelijking tussen Heerma en diens voorganger gaat de vertrekkende topambtenaar soepel uit de weg. Koopman stapt op 1 januari officieel op. Na een loopbaan van 35 jaar in rijksoverheidsdienst, verspreid over de ministeries van landbouw en visserij en van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening (later uitgebreid met milieubeheer), gaat hij de VUT in. De laatste elf jaar was hij directeur-generaal volkshuisvesting op het departement in Zoetermeer.

Onder zijn medewerkers gaat hij door voor een wat stugge man die de hiërarchische verhoudingen niet snel negeert. Belangenbehartigers buiten het departement denken dat hij, de land bouwingenieur, de ware passie voor de volkshuisvesting ontbeert. Het is kritiek waaraan Koopman schouderophalend voorbijgaat. Hij is in die jaren voor 60 procent volkshuisvester geworden, schat hij. Die andere 40 procent was gereserveerd om verder te kijken. Dat hielp in zijn contacten met ambtenaren van het ministerie van financiën, die meestal kwamen vragen of het ietsje minder mocht zijn.

Toch zijn er momenten waarop Koopmans engagement met zijn eigen departement de boventoon bepaalt. Vijf jaar na dato kan hij zich nog kwaad maken over zo'n markante gebeurtenis in de parlementaire geschiedenis als de enquête over de bouwsubsidies en de publiciteit daarover. “Toen van de aanvankelijke beschuldiging van bouwfraude aan alle kanten gebleken was dat daarvan absoluut geen sprake was, is men toch doorgegaan met dat circus om mensen met behulp van de TV in het beklaagdenbankje te zetten. Ik heb dat rustig overleefd. Maar dat ook mensen uit vorige generaties tot volksvermaak op het matje werden geroepen, dat heb ik geen fraaie methode gevonden.”

Het lijkt meer dan alleen een koele analyse wanneer de topambtenaar zegt dat de grenzen van de bezuinigingen op volkshuisvesting in zicht komen en dat zeker de individuele huursubsidie niet kan worden aangetast. “Dan haal je het hart uit het beleid.” Hij haalt er de cijfers bij. In 1985 werd 3,9 procent van het Nationaal Inkomen aan volkshuisvesting besteed. Dat is dit jaar 2,6 en het daalt tot 1996 nog tot 2,2 procent. “We hebben een fatsoenlijke volkshuisvesting in Nederland en die moet je in stand houden, wil je niet in akelige toestanden terecht komen. Zoals elders in Europa, waar de bevolking veel minder gemengd door elkaar woont.”

Wie eet er wel eens Koopmans blauwe? Dat was het eigen aardappelras dat boer Koopman op het polderland van Schouwen-Duiveland teelde. Koopman junior heeft zijn agrarische belangstelling van huis uit meegekregen. Zijn eerste impuls was om na de HBS economie te gaan studeren, maar Zeeuwse boerenzonen luisterden in die beginjaren vijftig naar hun vader. Het werd de Landbouw Universiteit in Wageningen. In 1956 voltooide hij de studie cultuurtechniek. Dat was in de tijd dat afgevaardigden van het ministerie van landbouw de examenkandidaten na de diploma-uitreiking in de hal opwachtten om hen een baan aan te bieden. Zo ook aan Koopman. Hij bleef er tot 1980 om als directeur van de cultuurtechnische dienst en van de landinrichtingsdienst te eindigen. Dat jaar maakte hij de overstap naar Volkshuisvesting.

Ambtenaar voor het leven dus. Heeft hij nooit de ambitie gevoeld naar het bedrijfsleven te gaan? “Vele malen”, zegt hij zonder aarzeling. “Maar ik heb slechts eenmaal in mijn leven gesolliciteerd. Dat was in 1960, 1961. Het Landbouwschap in Noord-Holland zocht een secretaris. Ik eindige als tweede op de voordracht. Maar het hielp wel, die sollicitatie. Ik kreeg op het ministerie onmiddellijk een hogere rang plus drie extra periodieken. Aan carrière-planning moet je zelf doen.”

Dat lijkt een handzaam advies in een periode waarin door decentralisatie en privatisering het voortbestaan van de functie van menig rijksambtenaar allerminst vanzelfsprekend is. De taakafstoting is bij Volkshuisvesting in een gevorderd stadium. Bij de provinciale directies moeten in 1995 of 1996 400 van de 600 arbeidsplaatsen verdwenen zijn. Het totale directoraat volkshuisvesting krimpt met een kwart.

Het is verbazingwekkend dat er op het departement - met uitzondering van het Kadaster - meer onrust lijkt te bestaan over de toekomstige huisvesting dan over het verlies aan werkgelegenheid. Maar onder de oppervlakte borrelt de ergernis. Ook bij de directeur-generaal zelf. “Het irriteert mij wezenloos als ik geluiden hoor dat de decentralisatie wordt tegengewerkt omdat de ambtenaren niet zouden willen. Dat is gewoon niet waar. Maar het lijkt wel of ze denken dat je dit soort processen met duizenden mensen van de ene op de andere dag kunt doorvoeren zonder desastreuze schade aan te richten.”

De irritatie neemt toe als de ene decentralisatie nog niet is afgerond en de volgende reorganisatie al wordt aangekondigd. Zulke geluiden gaan bijvoorbeeld over het samenvoegen van de ministeries van VROM en verkeer en waterstaat. “Voor mij hoeft dat niet”, zegt Koopman. “Ik mis een analyse die erop duidt dat samenvoeging een middel is voor grotere doelmatigheid. Ik geloof niet dat dat automatisch zo is. Je kunt vaststellen dat er onvoldoende samenhang is in het regeringsbeleid. Dan moet je denken over het functioneren van de ministerraad. Kan de minister-president knopen doorhakken? Nee. Een gekozen minister-president helpt misschien. Een die wel knopen kan doorhakken.”