Van binnen van gietijzer Surplus, jan-feb 1992. ...

Van binnen van gietijzer Surplus, jan-feb 1992. 32 blz, .ƒ4,25. 020-620.7767.

Literatuur versus oratuur Forum der Letteren, dec. 1991. Uitg. Smits, 070-3895390. 80 blz., ƒ21.

The Sound of Writing. America's Short Story Magazine of the Air. Anchor Press (Van Ditmar), 239 blz. ƒ29,60.

Van binnen van gietijzer

"Bij mij is alles brand' en "Just this hollow feeling' - Surplus heeft in één nummer Marina Tsvetajeva en Jean Rhys. Van de Russische dichteres met haar spectaculaire leven (zie Elaine Feinstein: Marina Tsvetayeva, Penguin) heeft grafisch vormgeefster Hanne Lijesen een veelbelovend omslag gemaakt met een foto en de tekst "Mateloos in een wereld van maat'. Het binnenwerk biedt echter niet meer dan één enkel bladzijdetje over Tsvetajeva, waar Heleen Swildens Het uur van de ziel bespreekt, een bundeling van brieven die verscheen bij Plantage - Gerards & Schreurs in Leiden. “Ik pas in geen enkele vorm - zelfs niet in de allerruimste van mijn gedichten.”

Jean Rhys krijgt van redactrice Dien de Boer meer ruimte. Carole Angier publiceerde bij Deutsch een biografie van haar. "Manisch onzeker' noemt De Boer de schrijfster, die op latere leeftijd zich nauwelijks meer staande kon houden in het leven dat ze als oneindig naargeestig ervoer. Na lezing van Angiers biografie meldt De Boer: “Het leven van Jean Rhys is nog wanhopiger en moeizamer geweest dan ik op grond van haar werk verwachtte, en machtelozer dan aannemelijk zou zijn geweest in een fictief verhaal.”

Onder de welsprekende titel "Van binnen van gietijzer' schenkt Heleen Swildens aandacht aan Nina Berberova, wier autobiografie Cursivering van mij vertaald is door Marja Wiebes en Margriet Berg (AP, 639 blz., ƒ85). Andere schrijfsters van wie werk besproken wordt zijn Eva Bentis, Hermine de Graaf, Miriam Van Hee, Bharati Mukherjee (Jasmijn), Assia Djebar, Yuko Tsushima, en de eerste Nederlandse architecte Margaret Staal-Kropholler. Geen eng-Nederlandse oriëntering dus in Surplus.

In de vaste Poëzievertaalwedstrijd ditmaal de vrouw die vóór Nadine Gordimer de Nobelprijs voor Literatuur ontving: Nelly Sachs (1966). Ter opluistering van het eerste lustrum van dit tweemaandelijkse tijdschrift over literatuur van vrouwen, in februari, is bovendien een verhalenwedstrijd uitgeschreven op regels van Ida Gerhardt: "Ergens in die groene gronden lijkt zij op mij, lijk ik op haar'.

In de rubriek voor oorspronkelijk werk Elma van Haren: “Onder zwarte wolken ben je naar de stad gefietst voor een nieuw gezicht uit potjes. Ziedaar! Zoveel liever eigenlijk val je voorover in die sterrenhemel als sterren uit elkaar.”

Surplus, jan-feb 1992. 32 blz, .ƒ4,25. 020-620.7767.

Literatuur versus oratuur

De PEN in Amerika verzorgt sinds een jaar of tien een verhalen-bank voor kranten. Eens per jaar kan er ingezonden worden, waarna een groep beroepslezers uit het ruime aanbod een pakket selecteert. Daarvan wordt ongeveer drie kwart daadwerkelijk geplaatst. Diezelfde PEN maakte samen met de National Public Radio een korte-verhalentijdschrift om uit te zenden, "The Sound of Writing'. Van de voor de NPR-microfoon uitgesproken verhalen maakten de makers een bloemlezing om gewoon gedrukt te worden. Het boek verscheen bij Anchor Books en bevat 38 bijdragen.

Het 32 jaar oude tijdschrift voor taal- en letterkunde Forum der Letteren schenkt in het nummer van dit kwartaal speciale aandacht aan de relatie tussen het geschreven en het gesproken woord. Men heeft het in de inleiding over oratuur en literatuur. Oratuur? Het zal wel goed zijn als FdL het zegt.

Filosoof Ger Groot volgt de tegenstelling "mondeling versus schriftelijk' van Plato tot en met Derrida en behandelt de veranderende waardering voor gesproken taal en literatuur door de eeuwen heen. Classicus A. D. Leeman ging te rade bij Cicero: “Maar de pen (stilus) is de allerbeste bewerker en leermeester van welsprekendheid”. Hij spreekt (nee: schrijft) de hoop uit dat hoewel de pen het in de maatschappij voorgoed verloren lijkt te hebben, er tóch betere tijden voor de spreekstijl aanbreken: “Is de ergste tijd van het adagium "Zeg maar "gewoon' wat je denkt' dan toch aan het voorbijgaan?”

In "Schrijven voor luisteraars', een artikel dat juist in verband met The Sound of Writing interessant is, probeert Isabel Hoving een andere benadering te vinden voor orale literatuur dan de gebruikelijke. Traditioneel wordt, vooral in de taalkunde, mondeling taalgebruik hoger gewaardeerd dan het geschrevene. Alleen waar het om kunst gaat ligt dat precies andersom. Orale literatuur wordt als een primitievere en dus inferieure vorm van beschaving beschouwd. Hoving betoogt, met als bewijs twee Caribisch-Britse romans, dat vooral de literaire functie van oraliteit in werken uit de "Afrikaanse diaspora' van belang is. “We always tellin you not to say "Ah don know'. It soun real country. Why you caan say 'Me en know'?”

Voor wie goed op de hoogte is - en dit gebied ligt vol voetangels en klemmen - zijn hierin allerlei belangrijke aanwijzingen over etniciteit, klasse en sekse te vinden. Met de Afrikaanse en Caribische auteurs komen andere dan de standaard spreektalen de literatuur binnengeslopen verwacht Hoving. Ama Ata Aidoo: “We don't always have to write for readers, we can write for listeners.”

Hoewel de verhalen in The Sound of Writing speciaal geschreven zijn om beluisterd te worden, is daar werkelijk niets van te merken. Samensteller Richard Bausch gaat in zijn voorwoordje in op wat hij noemt "de verwatering van de kwaliteit van het gesproken woord in het hedendaagse korte verhaal'. Sinds de stilisten bij uitnemendheid Joyce, Hemingway en Katherine Anne Porter is de vorm zo verfijnd gemaakt dat de menselijke stem bijna van de bladzijde verdwenen is, wordt weleens gesteld. Volgens Bausch, die in zijn eigen werk streeft naar een minimaal gebruik van stijlbloempjes, kan een moderne schrijver maar beter niet proberen zijn verhaal wat meer "talkie' te maken: dat zou nu geforceerd aandoen.

Wat van dit alles waar moge zijn, er valt inderdaad heel weinig dialoog te bespeuren in deze bundel radioverhalen. En weinig stilistische opsmuk. De regelbevestigende uitzondering is hier Lucienne S. Bloch, van oorsprong een Belgische, met een fraai verhaal over een ga-ga grootmoeder die wandelde van Oostenrijk naar Londen en met wie ze elke week oude foto's bekijkt: “Pictures were the safety net for what fell from her memory's difficult trapeze act.”

Bekenden in dit "radiotijdschrift' zijn Updike, Coraghessan Boyle, Louise Erdrich en natuurlijk de ontembare Joyce Carol Oates (meer dan twintig romans, veel ander literair werk en in elk blad, bundel of bloemlezing te vinden). Aardig is de liefdesverklaring van Janet Kauffman aan het overhemd van een (ex?)minnaar. Madison Smart Bell schreef een ontroerend verhaal over een goochelaar die temidden van rotzooi en ellende een straatzangeres adoreert. In het mooie "Angel of Mercy, Angel of Wrath' van Ethan Canin wordt vrij veel gesproken, tussen een rare oude dame en de vrouw van de reinigingsdienst die binnengevlogen zwarte vogels komt vangen.

Allan Gurganus is in Nederland met zijn dikke bestsellerdebuut Oldest Living Confederate Widow Tells All niet aangeslagen. Zijn humor druipt ook weer af van "Nativity, Caucasian', waarin tijdens een bridgepartijtje de vliezen breken bij een hoogzwangere vrouw en het pekineesje van de gastvrouw haast verdrinkt in een golf vruchtwater.

Bestaat er al een bloemlezing van proza waarin de piano een hoofdrol speelt? Pointl zonder piano is ondenkbaar, en Burgess; er is Jelinek met haar pianiste, Au pair van Hermans, en in het nieuwe boek van Patrick Süskind komt een enge pianolerares voor. In D. M. Kaplans "Piano Lessons' krijgt een argeloos lief jongetje lessen in een nonnenklooster, wat zijn vader maar half vertrouwt, maar waar hij op een mooie dag te zien krijgt hoe een groepje opgewonden nonnen een sneeuwballengevecht houdt.

Forum der Letteren, dec. 1991. Uitg. Smits, 070-3895390. 80 blz., ƒ21.

The Sound of Writing. America's Short Story Magazine of the Air. Anchor Press (Van Ditmar), 239 blz. ƒ29,60.