Tsjalling Swierstra, sociaal filosoof: "Angst voor vuile handen leidt tot apathie en afzijdigheid'

“Niemand heeft indertijd ingezien dat je een aantal belangrijke politieke doelen niet in termen van eigenbelang kunt formuleren: de consumptie-drift, de kwaliteit van de democratische instituties, de achterblijvende participatie van minderheidsgroepen, het milieu. Voor dat soort zaken heb je dringend iets als "solidariteit' nodig.”

De eens zo brave en godsvruchtige Nederlanders zijn cynisch geworden. Voor het geloof in de vooruitgang en maakbaarheid van de mensheid is wantrouwen en een zekere onverschilligheid in de plaats gekomen. En egoïsme als leidraad voor het menselijk handelen lijkt wel eens bon ton te zijn. Maar de laatste tijd hoort men ook weer geluiden die een ommekeer aanduiden. De houding van "ieder voor zich en God voor ons allen', met zijn amorele aspecten, heeft de samenleving zo niet ontwricht, maar dan toch wel zo ernstig door elkaar geschud, dat er brokken zijn gemaakt. Rechts én links geeft het toe.

Politici, gezagsdragers en publicisten die pleiten voor herstel van normbesef, die erop wijzen dat burgers rechten én plichten hebben, kortom meer gemeenschaps- of burgerzin prediken, worden niet meer bij voorbaat als ouderwets of oubollig uitgefloten.

T.E. Swierstra (31), verbonden aan de vakgroep Sociale Filosofie en Ethiek van de Rijksuniversiteit Groningen en bezig met een proefschrift over wetenschap, ethiek en politieke besluitvorming, analyseert de stelling dat het cynisme is toegenomen en zet vraagtekens bij het “ongekwalificeerd bepleiten van gemeenschapszin als remedie om de eventuele kwaal te overwinnen”.

In de manier waarop er op het ogenblik zo zorgelijk over cynisme wordt gepraat kun je volgens Swierstra twee varianten onderscheiden. De eerste is die van het eigenbelang, wat aan het eind van de jaren zeventig tot een massale ideologie zou zijn geworden, versterkt en gelegitimeerd door het no-nonsense denken van de jaren tachtig.

Dat Nederland nu voornamelijk door amorele egoïsten wordt bevolkt, gelooft Swierstra echter niet. “Er gebeuren in stilte heel veel goede en aardige dingen. Er zijn zoveel mensen die iets doen voor anderen, zonder daar aandacht voor te claimen. Het stikt in Nederland van de vrijwilligers. Neem al die mensen die belangeloos taalles geven aan immigranten, die werken harder dan een heleboel idealisten van destijds.”

Maar waar komt dan toch de indruk vandaan dat mensen tegenwoordig zo cynisch geworden zijn?

Swierstra: “De no-nonsense houding ontstond destijds als reactie op de crisis van de verzorgingsstaat. Mensen aanspreken op hun eigen belangen is op zich niet cynisch of slecht. De gedachte erachter was in feite idealistisch. Door individuen de ruimte te geven zou de welvaart vergroot worden, het bestuur zou efficiënter werken en de werkloosheid zou afnemen. Maar nu zie je dat het zo niet heeft gewerkt. De ballon is geknapt. Mensen blijken buiten de boot te vallen, er zijn talloze collectieve problemen die je met een beroep op het eigenbelang van individuele mensen niet kunt oplossen. Het no-nonsense verhaal is daardoor nu alleen nog maar een cynisch verhaal, waar de apologeten van destijds zelf van schrikken.”

Een tweede oorzaak zoekt Swierstra in het ontbreken van "spectaculaire acties'.

“Er zijn geen Dolle Mina's meer, het feminisme heeft op ideologisch gebied de strijd gewonnen. Er is geen vredesbeweging meer, er zijn geen grootscheepse acties tegen kernenergie. Op het gebied van het milieu gebeuren er ook minder spectaculaire dingen dan toen Greenpeace net begon. Maar dat betekent niet dat er nu niets meer gebeurt. Veel van die bewegingen zijn inmiddels geprofessionaliseerd. Er wordt hard gewerkt op dat soort gebieden maar onzichtbaar, binnen de muren van de instituten.

“Het hangt ook samen met de manier waarop de kranten werken. Over acties in Borssele of Doodewaard werd destijds volop bericht. Als er nu een rapport uitkomt, is het een van de zoveel rapporten en is er nauwelijks aandacht voor.”

En tenslotte stelt Swierstra dat - paradoxaal genoeg - het cynisme lijkt te zijn toegenomen juist omdat onze morele verwachtingen steeds hoger worden. “Er wordt in moreel opzicht steeds meer van ons gevraagd. In de moderne wereld zijn de afhankelijkheidsketens steeds langer geworden, zodat er in toenemende mate een beroep wordt gedaan op de individuele verantwoordelijkheid. Ons alledaagse handelen heeft allemaal gevolgen die we niet meteen kunnen overzien. Een voorbeeld: vroeger was het gewoon leuk, gemakkelijk en statusverhogend om een auto te hebben. Nu heeft het hebben van een auto, erin rijden, een morele lading gekregen vanwege de luchtverontreiniging en de asfaltering van Nederland.” En zo is het met het roken (niet alleen ongezond voor je zelf, maar ook voor anderen), het eten van vlees (denk eens aan de bio-industrie en aan al dat veevoeder waar de armsten van de wereld mee gebaat zouden zijn) en rondjes geven in het café (kun je dat geld niet beter aan een goed doel geven). Of met het dragen van bont (waarvoor dieren zijn gemarteld) en de omgang tussen de seksen (die knipoog is absoluut seksistisch). “Het is vaak niet duidelijk wat nou mag en wat niet. Mensen kunnen dus op veel nieuwe gebieden moreel tekortschieten, zonder dat dat betekent dat ze per saldo immoreler of cynischer zijn geworden.”

Het valt dus eigenlijk wel mee?

“In deze vorm wel ja. Ik zie de samenleving nog niet zo gauw ontbinden. Maar er is een tweede soort cynisme die wel veld heeft gewonnen. Die is ontstaan na de ontmaskering van de grote vooruitgangsideologieën. Daar is iedereen weliswaar enigszins mee besmet, maar het zijn vooral bepaalde oudere, linkse intellectuelen voor wie er nu op cynisme een premie staat. Onder het mom van een groots ideaal, waar ze zich met huid en haar aan verbonden hadden, zijn er de meest afschuwelijke misdaden gepleegd. Daar zijn ze zo van geschrokken dat het nu hun voornaamste zorg is om nooit meer medeplichtig te worden aan iets dergelijks. Ze geloven niet meer in de roze gloed van welk ideaal ook, daar koesteren ze een cynisch wantrouwen tegen. Maar dat is de makkelijkste weg. Dan houd je altijd schone handen.

“Ik noem dat een moreel cynisme en ik heb daar op mijn beurt morele bezwaren tegen. De angst voor vuile handen leidt namelijk tot apathie en afzijdigheid. Je kunt elk ideaal ontmaskeren als hypocriet, als gestoeld op eigenbelang. Dat is een goedkope truc, die altijd lukt.”

Als voorbeeld noemt Swierstra de houding van (groen) links tijdens de Golfoorlog. “Hun bijdrage aan de discussie over het morele gehalte van die oorlog, bleef te vaak beperkt tot de constatering dat Bush niet zuiver op de graat was. Zijn nieuwe wereldorde zou alleen maar over de oliebelangen van de rijke landen gaan. Nu was dat op zich natuurlijk een juiste constatering, maar dat laat onverlet dat je toch voor de bevrijding van Koeweit kon zijn. Dat Bush' motieven niet deugen, doet er niets aan af dat die oorlog tegen Saddam Hoessein terecht gevoerd werd.

“Een betere strategie zou geweest zijn om te zeggen: meneer Bush, ik houd u aan uw mooie woorden. En wat mij betreft onder auspiciën van de Verenigde Naties. Dan had misschien ook de gruwelijke nog steeds voortdurende farce rond de Koerden en Shi'iten vermeden kunnen worden. In Bush nieuwe wereldorde blijkt niet alleen voor hen geen plaats te zijn, maar ze worden momenteel ook collectief vergeten.”

Angst voor idealen, zoals die oudere linkse intellectuelen hebt u niet?

“Nee, alleen voor die grootschalige idealen. Voor mijn generatie, de jonge dertigers, was het geen verrassing toen na het vallen van de muur bleek hoe erg de situatie in Oosteuropa was. De beweging waarin ik begin '80 politiek actief was, zette zich juist af tegen marxistische wereldverbeteraars. Wij wilden ons niet zoals zij of sommige feministen, opwerpen als spreekbuis voor anderen. We waren niet zoals die studenten van goede huize die zich een plat accent aanmaten en in naam van de arbeidersklasse zeiden te spreken. Dat vonden we heel vernederend. Of zoals die feministische dochter die haar moeder ging vertellen dat ze eigenlijk een waardeloos leven had gehad, omdat ze onderdrukt was en dat zelf nooit had had ingezien. We wezen elke "voorhoedepretentie' af.

“We verzetten ons tegen zaken waardoor wij ons zélf bedreigd voelden, zoals de milieuvervuiling, militarisme, kernenergie, woningtekort en wat de vrouwen betreft, de onderdrukking van vrouwen. We spraken kortom in termen van ons eigen belang, curieus genoeg net zoals de no-nonsense denkers, zij het om een andere, evengoed idealistische, reden.

“Ik koester wel een bepaald wantrouwen tegen welk idealisme ook. Als er nu geroepen wordt: herstel van het normbesef is DE remedie van de kwalen van deze tijd, dan beschouw ik dat wantrouwend. De stelling "Nederland is collectief cynisch geworden' is namelijk niet alleen feitelijk onjuist, maar ook politiek geladen. Die diagnose draagt als het ware de kuur al in zich. Door de burgerzin te herstellen en het gemeenschapsdenken te bevorderen zou alles weer beter worden, zoals vroeger. Maar als je dat al te gemakkelijk zegt, zonder te differentiëren, wordt het gevaarlijk. Het Vlaamse Blok pleit ook voor dergelijke dingen. Een moralistische, christelijke, gemeenschap bestaat bij de gratie van mensen die er niet toe behoren. Dat is eng. Dat is collectief egoïsme: wij zitten goed, laat iedereen verder opsodemieteren.”

Dat is dus geen oplossing. Wat dan wel?

“Het lijkt mij nog steeds goed om te onderzoeken op welke maatschappelijke gebieden het behartigen van het eigenbelang wel produktief is of kan zijn. Maar rechts, en ook mijn soort links, heeft indertijd niet ingezien dat je een aantal belangrijke politieke doelen niet in termen van eigenbelang kunt formuleren: de consumptie-drift, de kwaliteit van de democratische instituties, de achterblijvende participatie van minderheidsgroepen, het milieu. Voor dat soort zaken heb je dringend iets als "solidariteit' nodig, maar dat soort terminologie is in diskrediet gebracht. En door te weigeren in termen van algemeen belang te praten, zijn er gaten gevallen.

“Bij mij, en bij veel van mijn generatiegenoten voorzover ik daarvoor kan praten, bestaat er een zeker enthousiasme voor de liberale democratie. En het ideaalbeeld dat daarbij hoort, is een maatschappij waarin allerlei soorten mensen een eigen boeiend privéleven kunnen leiden, waarin er geen sterke tweedeling is tussen mensen, waarin vluchtelingen een plaats vinden en allochtonen werk.

“Dat ideaal, van samenleven in een rechtvaardige, democratische en pluriforme maatschappij, hoef je niet op een heroïsche manier te verwezenlijken, dat moet je veel bescheidener en minder spectaculair benaderen, op een pragmatische, praktische manier. Je moet telkens opnieuw definiëren welke waarden je hersteld wilt zien en waarom. Gemeenschapszin, okee, maar dan voorzover die het samenleven tussen heel verschillende mensen mogelijk maakt.

“Er zou een moreel debat moeten plaatsvinden, gestuurd door het verlangen hier zoveel mogelijk mensen vreedzaam en veilig te laten samenleven en niet alleen maar blanke, heteroseksuele mannen in snelle grote auto's. Dat vereist meer dan alleen het herstel van normbesef. Als je wilt dat verschillende mensen, vrouwen, kinderen en ouden van dagen veilig de straat over kunnen, dan zul je moeten zorgen voor een publieke ruimte die licht en veilig is.

“Als je actieve burgers wilt, moet je de sociale, economische en culturele voorwaarden scheppen waaronder iedereen ook daadwerkelijk inhoud aan dat actieve burgerschap kan geven. Dan moet je zorgen dat ze over voldoende tijd, energie en cultureel kapitaal beschikken, in plaats van ze naar een bestaansminimum terug te dringen om ze zogenaamd te "prikkelen' - zoals nu met de AOW'ers gebeurt.

“En meer sociale controle moet bijvoorbeeld niet gaan over de geur van de couscous, maar wel over het omkieperen van het huisvuil op de trap. Of over lawaai-overlast. Evengoed moeten minderheden verplicht worden om het Nederlands goed te leren, maar dan moet daar wel meer geld en gelegenheid voor komen.

“Ook het begrip tolerantie zou je moeten herdefiniëren. Onze verdraagzaamheid bestaat tot nu toe vooral in de andere kant opkijken (als je het niet ziet, heb je er ook geen last van). Mensen zijn bang voor manifestaties van een andere cultuur, daar moeten we een antwoord op zien te vinden.

“Ik zie het als de kern van een liberale, pluriforme samenleving, dat mensen leren elkaars verhalen na te vertellen. Dat zij begrijpen hoe anderen de wereld zien. Daar hoeven ze het niet mee eens te zijn, maar ze kunnen er dan wel rekening mee houden. In ons openbaar debat, via de media, wordt er veel te veel naar deskundigen geluisterd, en te weinig naar "gewone' mensen. Een vriendin schreef laatst een reactie naar de opiniepagina van een kwaliteitskrant. Ze werd gebeld door de redactie op welk gebied ze deskundig was. Dat moest kennelijk, er mocht niet onder staan "De auteur is betrokken burger'.

“Ik zag laatst een documentaire waarin vluchtelingen hun brieven aan vrienden of ouders thuis voorlazen. Wat ze leuk vonden hier, wat vreemd, en wat bedreigend. Dat geeft een aangrijpender beeld van de vluchtelingenproblematiek dan al die cijfers, statistieken en rapporten van deskundigen.

“In mijn utopische samenleving zijn er veel plaatsen waar mensen elkaar ontmoeten en meningen uitwisselen, zonder elkaar te willen overtuigen, zonder zendingsdrang. Een stad als Amsterdam benadert dat ideaal veel meer dan bijvoorbeeld een xenofobisch dorp in de provincie, waar ze asielzoekers weigeren.”

Betekent dat nu weg met het cynisme?

“Nee. Teveel cynisme is niet goed, maar een beetje is best. Een gezond wantrouwen maakt het mogelijk om kritischer te worden en weerbaarder. En zo'n houding maakt de samenleving uiteindelijk alleen maar democratischer.”

Foto: Swierstra: "Amsterdam benadert mijn ideaal van een liberale, pluriforme samenleving.' (Foto Maurice Boyer)