Sociaal tekort Europese Unie

De ontwikkeling van een economische en een sociale ruimte in het Europa van de Twaalf laat duidelijk twee snelheden zien.

Of nog liever: de economische integratie voltrekt zich in een tempo dat thans is vastgelegd in een tijdschema, terwijl de sociale eenwording stagneert. Bij de besluitvorming van de Europese Raad in Maastricht is het hoofdstuk sociaal beleid onder Britse druk zelfs buiten de verdragstekst gelaten. De elf overige staten, die in een afzonderlijk protocol besloten een gemeenschappelijk sociaal beleid te voeren, lieten zich in een uitzonderingspositie manoeuvreren. We zijn dus bezig een Europa van de ondernemers in te richten zonder sociaal gezicht.

Over de vraag of dit nu te betreuren is of niet bestaan verschillende opvattingen. Prof. W. Albeda, oud-minister van sociale zaken en kenner van de arbeidsverhoudingen par excellence, vindt dat er een schijndiscussie wordt gevoerd over de vraag of de sociale stelsels naar elkaar moeten toegroeien. Naar zijn mening mag niet worden verwacht dat de sociale ruimte op dezelfde, min of meer automatische wijze kan ontstaan als de economische ruimte. De economieën worden door het wegnemen van belemmeringen aan elkaar gesmeed door de werking van de markt. De markt is, in tegenstelling tot de stelsels van arbeidsverhoudingen, onverschillig voor culturele en sociale verschillen.

Albeda werpt de vraag op waarom de verschillende stelsels van arbeidsverhoudingen eigenlijk met elkaar moeten worden geïntegreerd. Naar zijn mening kan een Europese economische ruimte het heel goed stellen zonder een Europese sociale ruimte. Als dat niet zo was zouden de Europese werkgevers- en werknemersorganisaties al lang in actie zijn gekomen.

Sociale verhoudingen zijn naar zijn mening wezenlijk anders dan economische verhoudingen. Economische verhoudingen hebben vooral een horizontaal karakter. Het gaat om contracts- en concurrentieverhoudingen tussen ondernemingen. Sociale verhoudingen hebben veeleer een verticaal karakter. Het gaat immers bij arbeidsverhoudingen om de instituties die de regels, die de arbeidsverhoudingen beheersen, bepalen. Daarbij zijn altijd de drie partijen, overheid, vakbeweging en werkgevers betrokken.

In West-Europa hebben zich overal nationale systemen ontwikkeld. Volgens Albeda valt het niet te verwachten dat zich dit historische proces van "nationalisering' zal herhalen op Europees niveau. En alweer redeneert hij uit het ongerijmde. Als er werkelijk behoefte was aan verplaatsing van de verhoudingen naar een bovennationaal niveau, dan had de vakbeweging maar moeten zorgen voor een sterkere vertegenwoordiging op Europees niveau dan het zwakke Europees Verbond van Vakverenigingen waarvoor ze niet eens bereid is voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen.

Er ontbreekt ook een deugdelijk institutioneel kader voor permanente betrekkingen tussen werkgevers en werknemers op Europees niveau. De hoop dat het Economisch- en Sociaal Comité, een adviesorgaan van de Europese Commissie en de Raad van Ministers waarin werkgevers en werknemers vertegenwoordigd zijn, zich zou kunnen ontwikkelen tot de plaats waar de sociale dialoog tussen de sociale partners zou gaan plaatshebben is niet bewaarheid. De sociale dialoog heeft in de Europese Akte een wettelijke status gekregen. Deze dialoog tussen de sociale partners op Europees niveau zou de mogelijkheid openen van Europese CAO's.

Albeda gelooft daar niet in. Er is nog weinig te merken van een ontwikkeling in de richting van een Europese sociale ruimte. Volgens Albeda komt dat doordat de functionerende nationale systemen van arbeidsverhoudingen en sociale zekerheid niet wezenlijk worden bedreigd door het bestaan van een zich integrerende economische ruimte in Europa. Werkgevers en werknemers voelen zich niet door de feiten gedwongen om zich in te spannen voor sociale integratie.

De discours over de sociale ruimte in Europa wordt dan een schijndiscussie. Ik vraag mij af of dat zo is. Bij het debat in het Britse Lagerhuis verdedigde premier John Major het besluit om niet aan de harmonisatie van het sociale beleid mee te doen onder andere met het argument dat aangestuurd wordt op het sluiten van Europese CAO's. Daardoor zal de gehate vakbondsmacht zich via Brussel toch weer laten gelden in Groot-Brittannië, dat zich onder leiding van Margaret Thatcher daar nu juist van ontdaan heeft.

Voor Major en zijn Conservatieven is een integratie van de Europese stelsels van arbeidsverhoudingen dus kennelijk wel een reële mogelijkheid. Zij zien er zelfs een gevaar in.

De vraag is nog steeds: kan het Europa van de ondernemers dat thans in aanbouw is het stellen zonder een sociale dimensie? Ik denk dat het ontbreken daarvan evenzeer als een tekort zal worden ervaren als het gebrek aan democratisch gehalte van de Europese Unie.