Op elke lotswisseling voorbereid

Een humoristisch, eenzijdig, incompleet systeem zonder mededogen of altruïsme, onhoudbaar in zijn consequenties. Zo is te verklaren dat het cynisme als filosofisch systeem nooit een brede rivier is geworden, maar als modderige bergstroom toeleverancier is gebleven voor het scepticisme, de stoïcijnen en het christendom.

Wanneer heeft het cynisme een kwade naam gekregen? Oscar Wilde noemde de cynicus "Een man die de prijs kent van alles en de waarde van niets'. Ortega Y Gasset sprak over "een parasiet van de beschaving', Mencken beschreef hem als de man die "wanneer hij bloemen ruikt, kijkt waar de lijkkist staat'. De vriendelijkste definitie is nog die van een "gefrustreerd romanticus'.

Het is allemaal negatief. De cynicus is iemand die idealen wantrouwt en twijfelt aan goede intenties. Hij voorspelt dat het mis zal gaan omdat het altjd mis gaat. De moderne cynicus neemt altijd een minimumpositie in en zal wel uitkijken om enthousiast te raken over iets. Uit de familie van drie: de scepticus, de ironicus en de cynicus is de laatste de gebeten hond. De scepticus is de onderzoekende, keurige twijfelaar, de ironicus de vrijblijvende spotter, maar het sarcasme van de cynicus is dodelijk. Je kunt er niets mee.

“Ik zou graag afscheid willen nemen van uw vrouw.”

“Ik ook.” (Groucho Marx)

Dit klinkt cynisch, vooral omdat niemand weet of Marx méént wat hij zegt. Misschien wel, of half. Hoeveel mannen en vrouwen dromen niet van een plotseling maar pijnloos einde voor hun levenspartner: een ingreep van het noodlot die hen oprecht droevig, maar ook heel opgelucht achterlaat? Maar het blijven verboden gedachten voor de halfslaap, wanneer de controle verslapt. Of voor dromen, toch ook een totalitaire wereld zonder vrijheid van meningsuiting. Waarom zouden anders die symbolen en parabelen nodig zijn, zoals achter het vroegere ijzeren gordijn waar een dichter over vogels moest schrijven als hij vrijheid bedoelde?

De echte cynicus vermoordt niet de vrouw in zijn dromen, maar de censor in zijn hoofd. Als dat gebeurd is, heeft hij ook met zijn echtgenote - en in één moeite door met de kinderen - afgerekend. Ze hoeven dan niet eens meer dood, ze mogen blijven ademen of niet - het laat hem betrekkelijk onverschillig. Ruim tweeduizend jaar geleden zei de Griekse cynicus Teles: “Als mijn vrouw of zoon overlijden, is dat dan reden waarom ik, die nog leef, mezelf zou verwaarlozen of niet meer voor mijn bezittingen zou zorgen?”

Zoiets zeg je niet, en daarom deed Teles het. Net zoals Diogenes, de aartsvader van het cynisme, alles en iedereen tartte door zijn hondse gedrag. Geen aardige, warme man waarschijnlijk. Maar dat weten we niet zeker want Diogenes wilde iets demonstreren, namelijk de voosheid van conventies. Daarom deed hij zijn behoeften op het marktplein van Athene en masturbeerde hij in het openbaar. De filosofische boodschap aan zijn medemensen was: schaam je niet voor eerlijke instincten en lustgevoelens. Schaam je liever voor hypocrisie, oneerlijkheid, materialisme en sociale dressuur.

De Hond

Men noemde zijn gedrag honds en daarom noemde hij zich De Hond, (kyon= hond, vandaar waarschijnlijk kynisme) om zijn verbondenheid met dieren en met de natuur te demonstreren. De filosofische school der cynici, die ongeveer 350 v C. in Athene ontstond, leerde dat de wijzen leven volgens de regels der natuur, en de dwazen volgens regels en wetten van de omgeving. Want de zogenaamde beschaving, met al zijn verlokkingen van rijkdom, carrière, beloningen voor conformistische gedrag, eist zijn prijs. Hij berooft mensen van hun zuiverheid, vrijheid en zelfbewustzijn. Daarom wijst Diogenes aardse bezittingen af en vraagt hij de machtige Alexander uit zijn zon te gaan. Daarom woont hij, gekleed in vodden, in een ton (die volgens deskundigen eigenlijk een cistern, of een gemetselde opslagplaats voor graan was).

Diogenes was geen asceet, die alle lustbevrediging afwees. Hij onaneerde niet alleen uit filosofische noodzaak, mag men aannemen, en hij maakte ook gebruik van hem - gratis - aangeboden diensten van exclusieve Atheense hoeren. De houding van cynici tegenover lust, bezit en comfort was die van habere ut non: hebben alsof men niet heeft. Toen Diogenes werd gevraagd welk gewin zijn denkbeelden hem hadden gebracht, antwoordde hij: “Eigenlijk niets, behalve dat ik voorbereid ben op elke wisseling van het lot.”

Het doel van de oude cynici was het bereiken van totale onafhankelijkheid, de autarkeia. Physiek kon dat bereikt worden door het weigeren van bezit en luxe, geestelijk door het afwijzen van conventies, geloof en filosofische systemen, uitgezonderd het cynisme dan. Ook kunst is taboe, want die voert mensen weg van de ongecompliceerdheid van het natuurlijke leven; kunst en cultuur zijn omwegen naar de ware zuiverheid.

Stukken vuil

Het is, alles bij elkaar, een vreemde maar niet onzinnige filosofie. En hij is zeker niet zo somber en misantropisch als Ortega Y Gasset dacht. Maar het was ook voor de Atheners, die gewend waren aan de positieve, hoogstaande denkbeelden van een Aristoteles (tijdgenoot van Diogenes) moeilijk te begrijpen wat hij bedoelde. Wat dachten de Amsterdammers van de happenings van de provo's in de jaren zestig? Wie begreep dat de uche-uche-sessies van Jasper Grootveld de eerste acties voor milieuzorg waren?

Het hoge woord moet er uit: Diogenes, de cynicus, was een idealist. Hoe kan men iemand ánders noemen, die gepassioneerd ageert voor morele zuiverheid en deugd? Eigenlijk is het hartverscheurend om te lezen, hoe die baardige man overdag met een lamp door de straten loopt en roept: Mensen, ik zoek mensen. Wanneer ze naar hem toe komen ranselt hij ze af met zijn stok en schreeuwt: “Ménsen, heb ik gezegd, niet stukken vuil.”

Mooi, maar onrustig om mee samen te wonen. Geen wonder dat het cynisme de naam heeft gekregen van boosaardigheid en immoraliteit. Een filosofie die propageert dat vrouwen - en kinderen - gemeenschapsbezit moeten zijn, is aantrekkelijk, maar stuit vroeger of later op weerstand. Vooral wat betreft de vrouwen. Verwerping van materieel bezit is hoogstaand, maar men wil wel dat een lening wordt terugbetaald. De eerder genoemde Teles, een van de volgelingen van Diogenes die het cynisme wat cynisch opvatten, zei tegen een rijkaard: “Jij geeft met gulle hand, ik accepteer grootmoedig, zonder morren en zonder mezelf te verlagen.”

Het was een humoristisch, eenzijdig, incompleet systeem zonder mededogen of altruïsme, onhoudbaar in zijn consequenties. Zo is te verklaren dat het cynisme als filosofisch systeem nooit een brede rivier is geworden, maar als modderige bergstroom toeleverancier is gebleven voor het scepticisme, de stoïcijnen, het christendom, Rousseau, ("de nobele wilde'), Tolstoy, Tsjechov (“er is geen cynisme dat het leven kan overtreffen”) tot Groucho Marx toe.

En dat is nog maar een greep. Een van de duizenden studenten filosofie zou eigenlijk een doctoraalscriptie moeten maken (later simpel om te werken tot een proefschrift) over de invloed van het cynisme door de eeuwen heen.*)

Er zijn interessante hoofdstukken en vragen te bedenken: cynisme in de katholieke kerk (kerk en geld, kerk en nazi's), in de buitenlandse politiek (wij onderhandelen niet met terroristen), cynisme in de oorlog (een stad vernietigen om haar te redden), in idealisme (wie hebben de meeste slachtoffers gemaakt: cynische of idealistische heersers?)

Pollyanna

Ondanks de afschuw die veel mensen hebben van het cynisme, zijn elementen van de filosofie ver doorgedrongen in de westerse beschaving. (Merkwaardigerwijs weten Chinezen en Japanners geen raad met de moderne expressievorm van cynisme, met sarcasme of ironie. Iets zeggen maar het omgekeerde bedoelen, daar weet geen Japanner raad mee.)

Cynisme is vaak moeilijk te onderscheiden van christelijk moralisme. Is het volgende verhaaltje een parafrase op Diogenes, of iets heel anders?

Op een dag brandde het huis af. Eigenlijk was het de schuld van moeder, want die was geit aan het braden in de bijkeuken, en had het raam niet op het haakje gezet. Een windvlaag sloeg het venster tegen de braadpan, een golf olie stortte op het fornuis en vatte vlam. De wapperende gordijnen gingen op hun beurt in de fik en binnen een uur was het huis een geblakerde ruïne. Gelukkig konden moeder en Molly, die toevallig haar poëzieboek aan het lezen was, tijdig wegkomen. Alleen de veertienjarige hond Victor bleef achter in de bijkeuken; hij kon nauwelijks meer lopen door voortschrijdende heupdysplasie.

Die nacht sliep de familie onder de blote hemel, maar de volgende dag al begonnen vader en Edward aan een nieuw huis. Ze sleepten boomstammen aan, riet, dikke takken, plaggen - alles wat ze konden vinden. Twee weken later was het nieuwe huis - eigenlijk een grote hut - klaar. Moeder had soep gekookt in de gietijzeren pan - de beruchte uit de bijkeuken - die ze in de ruïne had teruggevonden. Ze aten de heerlijke aardappelsoep en op hete stenen gebakken, grove tarwekoeken.

Het begon hard te regenen, maar dat maakte het binnen alleen maar intiemer. Edward keek peinzend in het houtvuur en mompelde: “eigenlijk vind ik het hier gezelliger dan in het oude huis.”

Moeder keek verrast op en zei aarzelend: “Weet je, dat dacht ik ook net. Als ik 's nachts wakker word en ik hoor jullie ademhalen, zijn jullie zo heerlijk dichtbij. We hebben hier ook meer gesprekken met elkaar. En ik hoef maar één pan af te wassen.”

Molly werd meteen enthousiast. “Ja, ik ben eigenlijk veel blijer met mijn ene poëzieboek dan met al die ouwe boeken vroeger. En Victor - ik denk er vaak aan dat hij nauwelijks meer kon lopen. Hoeveel pijn zou hij niet hebben gehad als hij in leven was gebleven?”

Vader streek over zijn baard en zei plechtig: “Ik ben het met jullie eens. Eigenlijk, eigenlijk is het niet zo erg meer dat ons huis is afgebrand. Misschien moeten we wel blij zijn dat moeder het haakje niet op het raam heeft gedaan.”

Molly en Edward knikten instemmend. “Goed gedaan, mama”, zei Edward warm.

Is dit cynisme? Ja, zegt de lezer van 1991 waarschijnlijk, want die voelt de gemene ondertoon in deze parodie. De strekking klopt ook: materieel bezit leidt tot onvrijheid: minder betekent juist méér.

Maar wie ooit Pollyanna-kinderboeken heeft gelezen van de Amerikaanse Eleanor Hodgman Porter (1913), herkent het genre. Hoogst moralistisch, zonder dubbele bodem of sarcasme, met in het Nederlands de ondertitel: De boeken van het blij zijn . Daarin wordt kinderen, en vooral wilde, weerbarstige meisjes, geleerd om hun plaats in het gelukkige gezin te accepteren. In dat opvoedingsproces is het niet genoeg om tegenslagen te accepteren, de kinderen moeten er blij mee zijn. Wanneer Jo uit Little Women van Louisa Alcott (Onder Moeders Vleugels) haar mooie lange haren laat afknippen en die verkoopt om geld te verdienen voor een zieke vader, zegt ze dat het zo veel beter is. “My head feels deliciously light and cool.”

Is dat geen echt cynisme: het opgeven van genot voor een hoger genot? Het verschil met Diogenes is alleen, dat die gemakkelijk zonder zijn haren kon, maar ook zonder zieke vader.

*) In de KB in Den Haag geeft de computer onder "cynisme' vier titels, waaronder uiteraard Peter Sloterdijks Kritiek van de cynische rede, een Belgisch stripverhaal en een waarschuwend speechje van iemand van de Hogeschool voor Journalistiek in Kampen. Onder "ironie' en "scepticisme' staan tientallen titels.