Kerstmis aan de frontlijn van Kroatië; "Ik haat niemand. Ik schiet om mijn huis te verdedigen'

“Ik ben in vier maanden tijd precies twee dagen uit mijn uniform geweest, morgen ga ik weer terug. Als het moet, en als ik overleef, ga ik tien jaar door. Maar als de oorlog afgelopen is, dan word ik zo dronken als een varken.”

Als mijn vriend Ivan de trap afkomt zie ik meteen dat het beter met hem gaat. Drie maanden geleden nog hyperventileerde hij, net als iedereen in het dorp Komarevo. De dagelijkse beschietingen door de Serviërs en het leger, het voortdurend optreden van sluipschutters, maakten de mensen nerveus en slapeloos. Om te verhinderen dat hun dorpsstraat, als zovele andere in deze streek - de Banja - zou worden kapotgeschoten en zijzelf uit hun huizen verdreven, hadden ze toen niet veel meer dan de jachtgeweren en pistolen van hun vaders ter beschikking. “Er is veel veranderd”, vertelt Ivan. “We hebben nu artillerie, en we kunnen op elke aanval reageren. Ze hebben respect voor ons gekregen.”

Ivan maakt nu deel uit van het Kroatische leger, compleet met rang, taakomschrijving, wapens en uniformen. En een opdracht: doorgaan tot de laatste man, tot de overwinning, en de herovering van het door de Serviërs en het leger veroverde Kroatisch gebied. Het nieuwe zelfvertrouwen is mijn vriend aan te zien: de nerveuze huisvader, van beroep jager, is een van zichzelf verzekerde he-man geworden. Hij houdt er zelfs een nieuwe minnares op na, aan wie hij me onmiddellijk voorstelt. Ze werkt in het voornaamste hotel van het provinciestadje Sisak (vlak achter het front) waar we hebben afgesproken. Het is een forse vrouw, en ze heeft bepaald een verleidelijke glimlach, zoals ik hem even later zeg, boven de slivovic van het weerzien. Maar zijn echtgenote, die nog steeds bij hem op het dorp woont, vind ik leuker. “Altijd gedoe met vrouwen”, meent Ivan, “maar zonder hen kun je niet leven, net zo min als zonder je huis.”

Ivan is een soort pelotonscommandant in Komarevo. Het gaat er daar hard aan toe, harder dan hij en ik bij onze kennismaking in juli ooit hadden kunnen vermoeden. Maar hij is vastbesloten het huis dat zijn vader heeft gebouwd tot het uiterste te verdedigen. De kinderen hebben ze naar Zagreb gestuurd, net als zijn oude vader, een gepensioneerde kolonel uit het Joegoslavische volksleger, dezelfde instantie die Ivan en de zijnen nu dagelijks bestookt met mortieren, met tankgeschut en andere artillerie. “Hij heeft het moeilijk mijn oude. Hij heeft zich in de oorlog bij de partisanen van Tito aangesloten om mensen te beschermen, niet uit sympathie voor het communisme. Politiek heeft hem nooit geïnteresseerd en het is heel schokkend voor hem dat hetzelfde leger waaraan hij zijn leven heeft gewijd, nu op mij schiet.

“De politici hebben mensen als mijn vader verraden. Hopelijk komen wij van het Kroatische leger later niet in dezelfde positie. In iedere oorlog heb je mensen die profiteren, zonder zelf te vechten. Maar dat zijn zaken van later. Wij aan het front zien die dingen wel, maar we denken er niet te veel over na. Over die dingen al te veel nadenken, je ergeren, maakt kwetsbaar. Alles op zijn tijd.”

De ruime koffiekamer van het hotel is leeg, op wat oude mannen na. “Die zijn vorige week net uit krijgsgevangenschap vrijgelaten”, legt Ivan uit, “stel je voor, mannen van in de tachtig. De Serviërs pakken gewoon alle Kroatische dorpelingen op die ze niet vermoord hebben, om ze later tegen onze krijgsgevangenen uit te wisselen. Ach, het is een smerige oorlog en hier gelden geen Conventies van Genève.” Die laatste opmerking slaat ook op de gevechtshandelingen van meer spectaculaire aard, wederzijdse infiltraties en zo meer, die - in overeenstemming met de in Kroatië geldende regel dat geen details van operatieve aard aan de pers worden verstrekt - tussen ons onbesproken blijven.

Filosoof

Toen ik Ivan leerde kennen was hij geen vechtjas, eerder een filosoof en dat is hij nog. “Ik haat niemand, maar als er iemand aankomt die je dood wil schieten, dan schiet ik op hem, dat is nu eenmaal oorlog. Wat moet ik anders, als ik mijn huis wil verdedigen? Het belangrijkste is dat je in leven blijft, en daarvoor is het nodig dat je normaal en menselijk blijft denken. In het begin waren er nog helden onder ons, nu zijn er alleen nog maar mensen die vechten, zo goed als ze kunnen. De jongens die jij vijf maanden geleden hebt leren kennen, daar in hun hoofdkwartier in de school van Komarevo en in die eerste geïmproviseerde kazerne in de bossen, die zijn nu allemaal dood. Ik leef nog, maar dat is ook maar toeval. Laatst zit ik met iemand op een muurtje en lees de krant. Er valt een granaat en de man naast me is dood. Ik had alleen twee gaatjes in mijn krant. Je praat met een man en even later is hij dood. Je merkt dat je een fout hebt gemaakt en een paar jongens blijven achter op het veld. Wat kun je doen? Je trekt je terug in je bunker en gaat door met grappen maken. En je zegt Jebi ga! (Fuck it).”

Ivan is geen uitgesproken Kroatische nationalist. Zijn mededorpelingen bejegenden hem zelfs met enige argwaan, in die zonnige julidagen, want het was bekend dat hij geen enkele sympathie voelde voor de nationalistische partij HDZ, die ook in Komarevo een verpletterende overwinning had behaald. Hij heeft ook niet "Kroaat' in zijn paspoort staan, maar "Joegoslaaf', zoals de zoon van een gepensioneerde kolonel van het Joegoslavische leger betaamt. Nog steeds is Ivan geen strijder voor een nationalistisch ideaal. “De jongen met wie ik in de bunker het nauwst samenwerk is trouwens een Serviër, die zijn eigen huis verdedigt, net als ik. Er zijn er onder ons veel die denken dat als je Milosevic en Tudjman (de presidenten van Servië en Kroatië) tegenover elkaar in de loopgraaf zou zetten en zeggen "schiet maar tot er eentje gewonnen heeft', ze binnen een halfuur een akkoord zouden hebben en de oorlog afgelopen zou zijn”.

Fouten

In die warme julidagen, toen de oorlog nog nieuw was en een absurd, wreed theaterstukje leek, bevond Ivans huis zich nog een eindje achter het front, maar je kon al wel de dagelijkse mortierbombardementen op naburige dorpen horen. De dorpelingen hadden een soort burgerwacht georganiseerd, terwijl wat verderop, in het schoolgebouw, de Nationale garde van Kroatië met zelf in elkaar getimmerde pantserwagens en stafkaarten al de indruk van een echt leger probeerde te wekken, vast besloten de naburige industriestad Sisak tegen het Servische offensief te verdedigen. Er zijn veel fouten gemaakt, veel achteraf gezien onnodige doden gevallen. Maar nu is er echt een legerstructuur tot stand gekomen, met bevelslijnen en dagelijkse fourage, vertelt Ivan. Er zijn bunkers gebouwd, en er zijn echte wapens, meestal uit veroverde kazernes van het Joegoslavische leger.

De frontlijn is in dit hoekje van Kroatië sinds juli niet noemenswaardig veranderd, zij het ten koste van tientallen doden en gewonden aan beide zijden. “We kunnen ze hier bij Sisak van twee zijden onder vuur nemen, ik zou niet graag in hun schoenen staan”, meent Ivan . Infanterieaanvallen door Servische militie en soldaten van het leger konden zo tot nu toe worden afgeslagen. Maar tegen hun mortierbombardementen kunnen de Kroaten soms weinig doen: het dorp Komarevo is grotendeels verwoest, op het naburige Sunja landden laatst op één dag duizend vijandelijke projectielen. Ivans huis staat nog.

Met de inname, eind september, van het stadje Petrinja heeft het leger zich een comfortabele basis verworven voor artilleriebeschietingen op de omgeving, ook op Komarevo en Sisak.

Die beschietingen zijn één van de grote specialiteiten in deze oorlog. De mortieren, kanonnen en multiple-rocketlaunchers van het leger worden niet in de eerste plaats ingezet ter voorbereiding op een infanterieaanval, of zelfs tegen de lokaties van vijandelijke troepen, zoals in de traditionele strategie. Nee, de bedoeling is eerder de bevolking uit een streek of stad te verjagen, van een stukje onafhankelijk verklaard Kroatië een puinhoop zonder mensen te maken. Dat gaat langzaam maar grondig, soms met enkele tientallen granaten per dag, soms met honderden.

In navolging van steden als Osijek en Karlovac verandert Sisak langzaam in een gehavende stad: een gat in de weg hier, een gevel vol sporen van granaatscherven en gebroken ruiten daar. “En geen militair object in de hele binnenstad”, zegt Ivan, terwijl we van het hotel naar het plaatselijk Kroatisch legercommando lopen. Van het ziekenhuis is de afdeling gynaecologie verwoest. “Dat heeft hen er trouwens niet van weerhouden, ons laatst te vragen of we een paar gevallen van tyfus in ons ziekenhuis konden opnemen. Het is er niet van gekomen, omdat door de gevechten niemand de zieken kon ophalen.”

“Voor vliegtuigen zijn we niet meer bang”, vertelt mijn vriend. “Die hebben we weggeschoten. Eerst gewoon met onze Kalasjnikovs (automatische geweren). Dan trokken we lootjes wie er buiten de loopgraaf zou gaan staan om te schieten. Op die manier, geloof het of niet, hebben we een Mig-21 naar beneden gehaald. Later kregen we ook anti-luchtdoelraketten, van die dingen die de warmte opsporen. Van onze eerste kwam nog bijna ruzie, want een van de andere jongens vuurde met lichtspoormunitie en toen vloog de raket die achterna. Maar hoe dan ook, de piloten durven hier niet meer te vliegen. Dat weten we, want we luisteren hun radiocommunicatie af, en er is gehoord hoe een piloot een bevel weigerde”.

Zwart verleden

Voorshands wonen er nog mensen in Sisak. Kinderen zie je niet, wel winkelende huisvrouwen, rijdende personenauto's en af en toe een man in Kroatisch uniform. Sisak is geen aantrekkelijke stad, maar een plaats die vooral van de inmiddels zwaar beschadigde staalfabriek en olieraffinaderij aan de zuidkant van de stad leefde. Bovendien hangt over Sisak de schaduw van een recent zwart verleden, het concentratiekamp middenin de stad waar tijdens de oorlog meer dan tweeduizend joodse-, Servische en andere kindertjes zijn omgekomen.

De synagoge tegenover het stadhuis doet sinds de oorlog dienst als muziekschool, vertelt Ivan als we er langslopen. Er hangt een ijzig koude mist in de straten, en aan het front een kilometer verderop is het nog kouder. Met de nieuwe wapens hebben de Kroaten ook nieuwe, warme uniformen gekregen. Alleen met de helmen wil het nog niet zo lukken. “Ik heb er wel een, maar die is te klein, en bovendien hindert zo'n ding je erg in je bewegingen.”

We komen bij het militaire hoofdkwartier van Sisak. Ook hier is veel veranderd. De oude "crisisstaf', met zijn eigenmachtige commandant die zich vroeger graag liet interviewen, bestaat niet meer. Kroatië wordt niet meer verdedigd onder leiding van lokale warlords. Er is een gecentraliseerde commandostructuur onder leiding van een generaal in Zagreb voor in de plaats gekomen. Dat de Kroaten zich hebben voorgenomen verloren terrein te herwinnen, blijkt uit een sticker op auto's voor de ingang van het hoofdkwartier: “Wij gaan terug naar Petrinja!”

Binnen biedt de woordvoerder van dit hoofdkwartier, Zelko Kardes, koffie aan, en moet voor de bestelling een bonnetje invullen. “Bureaucratie”, mompelt Ivan, “ook wat dat betreft hebben we nu een echt leger.” Vanuit Sisak, vertelt de woordvoerder, worden zo'n 150 van de ongeveer 700 kilometer Kroatisch front bestierd.

Dan kondigen gefluit en een explosie de landing van granaten middenin het centrum van de stad aan. Ik kijk, tot algemene vrolijkheid, enigszins bezorgd achterom door het grote raam in de kamer. Tenslotte maak ik dat, in tegenstelling tot de andere aanwezigen, niet elke dag mee. Vijf seconden later loeien in de hele stad de sirenes voor "algemeen alarm'. “Tankgeschut, zo te horen”, zegt een geuniformeerde jongen achter een schrijfmachine. “Ja wij gaan niet naar de kelder hoor, wij zijn van het leger, als je naar de kelder gaat kun je geen oorlog voeren.”

Nadat ik de woordvoerder gezegd heb, mij - op militair terrein zijnde - geheel naar zijn instructies te voegen, lijkt het hem toch beter ons gesprek in de kelder voort te zetten. Terwijl rondom ons granaten blijven landen, dalen we de trappen af naar een soort kantine, waar Kroatische soldaten tegen inlevering van een bonnetje voedzame bonensoep met worst nuttigen. De beschieting is wat onverwacht, zegt de woordvoerder. Men had gedacht vrijdag met een zuiveringsactie de directe omgeving van Sisak van tanks te hebben gezuiverd. “Meestal wachten we af of ze blijven vuren. Als het bij een paar granaten blijft, laten we het zo, maar als ze doorgaan schieten wij terug.” “Dat is een vreemde ervaring in de bunker”, zegt Ivan, “als je boven je hoofd granaten in beide richtingen over je heen hoort vliegen.”

Geruchten

Hier in Sisak, boven de bonensoep, is de Kroatische hoofdstad Zagreb een onwaarschijnlijke herinnering. In Zagreb staan hier en daar kerstbomen met gekleurde lichtjes. Er lopen veel passagierende militairen door de stad, en de ziekenhuizen liggen vol, maar sinds de ontruiming van de kazernes door het Joegoslavische leger valt in de stad bijna geen schot meer. Er zijn alleen nog, zoals in de meeste Kroatische steden, 's nachts wat mysterieuze explosies in winkels en restaurants. Er doen gruwelijke geruchten de ronde over nachtelijke moorden, over een massale uittocht van Servische inwoners. Als Kroatië wordt erkend zal het leger Scud-raketten richting Kroatische hoofdstad sturen, is een ander gerucht. In Zagreb zijn de mensen veel angstiger dan in frontsteden als Osijek of Sisak.

Verder gaat alles zijn gewone gang, met vijf of tien procent toeslag voor de vluchtelingen of de Kroatische militairen - het leven in de modieuze koffieshops, de toneelvoorstellingen en de concerten. Er was bijvoorbeeld het tweedaags festival van punkgroepen onder de in dit verband dubbelzinnige naam Onafhankelijkheid '91. De drumster van de damesgroep Hands between legs had drastische opvattingen over de oorlog: “Servië moet vooral winnen, zodat Zagreb het nieuwe Liechtenstein van Europa kan worden”, vond ze.

Muzikaal is het uiteenvallen van Joegoslavië in deze sektor van het muziekwezen een ellende, want de beste popgroepen, dat is algemeen bekend, komen uit Belgrado en Sarajevo. Toch beïnvloedt de oorlog haar leven, meldde de drumster, met de blik op een groepje headbangers in uniform. Haar eerste vriendje is vorige week gesneuveld.

Onder de jonge inwoners van Zagreb die, net als veel oudere trouwens, het kijken naar de dagelijkse portie oorlogsgruwelen in het televisiejournaal allang hebben opgegeven, leeft de nodige irritatie over de door het nationalistische establishment opgelegde herleving van volksdans en nationalistische liederen. Om nog maar te zwijgen van het verplicht gebruik in de media van nieuwbedachte- of uit de negentiende eeuw opgediepte "Kroatische' woorden, die de taal van de republiek zoveel mogelijk moeten doen verschillen van wat vroeger het servo-kroatisch heette.

Kerstboom

De spanning tussen moderniteit en nationalistische nostalgie komt ongewild tot uiting op de tentoonstelling "Kerstmis en de Kroaten', waarvoor een aantal kunstenaars hun eigen versie van de Kroatische kerstboom heeft ingestuurd. De meer gestileerde ontwerpen zijn naar een achterafzaal, sommige zelfs naar een doodlopende gang verbannen. Prominent aanwezig, en druk bekeken door families met kinderen, zijn de boom vol herinneringen aan het Oostenrijks-Hongaars imperium (oude Weense sigarendoosjes en koffieblikken) en natuurlijk de onvermijdelijke boom met tientallen Kroatische nationale wapentjes.

In de overvolle Maria-kerk in het centrum van Zagreb preekte de priester zondag over verdraagzaamheid, en over een plaatsje in de stal voor de honderdduizenden vluchtelingen.

Veel sportcomplexen en fabriekshallen van Zagreb zitten vol met door de strijd verdreven dorpelingen, of zojuist vrijgelaten krijgsgevangenen, op doortocht naar andere opvangfaciliteiten, fabriekshallen of zelfs op een zijspoor gerangeerde treinen, aan de kust van Istrië of ten noorden van Zagreb.

Een jongen liet me de brandwonden van sigaretten op zijn handen zien, zijn dichtgeslagen ogen en gebroken neus begonnen al weer een beetje te helen. Hij was door Serviërs opgepakt in een dorp bij Vukovar, vertelde hij, en in een kamp ergens in de Vojvodina dagenlang afgetuigd door de militaire politie van het Joegoslavische leger. Ze zagen een verrader in hem omdat hij een Servische vader heeft, maar toch in zijn Kroatische dorp was gebleven. De jongen had een papier op zak, waarin het militaire hof in Belgrado liet weten de strafzaak tegen hem te seponeren. “De rechter kon natuurlijk zien dat ik was mishandeld om me tot een bekentenis te dwingen.”

Na nog een paar dagen treiteren hadden ze hem op een vluchtelingentransport naar Kroatië gezet. Net als de vluchtelingen om hen heen, zittend op britsen, wenste hij dat hij voor Kerstmis naar huis kon terugkeren. Maar hij weet dat dat niet gaat. Je mag al blij zijn als je in deze molen van transporten en verplaatsingen je familieleden kunt terugvinden.

De symboliek op straat houdt meer verband met Pasen dan met Kerstmis. Op een bekende affiche ziet men het Kroatische volk als Christus gekruisigd. Gekruisigd voor Europa, dat spreekt. Want veel Kroaten willen de oorlog zien als een strijd van beschaving tegen "het laatste communistische leger in Europa'. In de kranten en in gesprekken duiken de meest fantastische verklaringen op voor het voor velen hier verassende feit, dat de Europese gemeenschap en de Verenigde Staten nog niet met troepen zijn komen helpen. De bisschop van Sibenik houdt het op een samenzwering van Vrijmetselaren. Ronduit populair is de veronderstelling dat Washington probeert het Joegoslavische conflict levendig te houden, om daarmee de Europese integratie te dwarsbomen.

Ivan houdt niet van Zagreb, vertelt hij, als we teruglopen naar het hotel. “Ik heb me daar laatst een hele avond moeten laten vertellen hoe onze oorlog is, terwijl ik hem voer, die oorlog, en niet de lui in Zagreb.” Ook hij verkeert in de veronderstelling dat “er hier maar één Navo-soldaat hoeft te sneuvelen, en dan is de zaak geregeld”. De vraag naar zijn plannen met Kerstmis beantwoordt hij met hoongelach. “Ik ben in vier maanden tijd precies twee dagen uit mijn uniform geweest, morgen ga ik weer terug. Als het moet, en als ik overleef, ga ik tien jaar door. Maar als de oorlog afgelopen is, dan word ik zo dronken als een varken.”

We lopen door de vrijwel verlaten straten van Sisak, want ofschoon er al een uur geen granaten meer in het centrum zijn geland, is het alarm nog van kracht. In de buurt van de stad zijn ontploffingen te horen, “maar dat zijn de onzen, die schieten nu naar Petrinja”. Wat zeg je bij het afscheid van iemand, die een redelijke kans loopt te sneuvelen? Ik stomp hem maar wat, onkruit vergaat niet, zoiets, en wens hem geluk. Dan gaat de sirene voor "einde alarm'. Mensen komen weer op straat, auto's worden gestart. “Die horen de Serviërs natuurlijk ook, die sirene”, zegt Ivan bij de deur. “En daarom schieten ze als er flink wat mensen op straat zijn altijd nog één granaat af.” Een minuut later hoor ik hem landen.