IRA rondt Kerstoffensief af met brandjes in metro

LONDEN, 24 DEC. In haar zogeheten Kerstoffensief buiten Brits grondgebied in Noord-Ierland, heeft de IRA, het verboden Ierse Republikeinse Leger, gisteren voor de tweede maal in tien dagen spectaculair gescoord. Omdat haar machtige arm dat wilde, lag gisteren het ganse raderwerk van de ondergrondse in Londen urenlang stil.

Drie op zichzelf relatief onschuldige brandbommen, die een minimum aan materiële schade aanrichtten, waren voldoende om elke normale vooronderstelling over het verloop van het ondergrondse treinverkeer op losse schroeven te zetten. Net als bij het ontploffen van een bommetje, acht dagen geleden op het talud van het spoorwegemplacement bij Clapham, durfde de directie van de ondergrondse de verantwoordelijkheid van mogelijk volgende, serieuze ontploffingen niet aan. In februari van dit jaar was immers een reiziger omgekomen en waren 40 mensen gewond geraakt bij het ontploffen van een IRA-bom op Victoria Station. Ze sloot alle metrostations voor meer dan twee ochtendspitsuren. Dat betekende ongerief voor zo'n half miljoen gebruikers van het systeem en inkomstenverlies voor een toch al economisch gehandicapt Londens bedrijfsleven.

Voor de IRA-terroristen beantwoordde de onrust en ongerustheid over hun acties geheel aan het criterium voor een geslaagde actie tegen de Britse bezetter. De IRA-leiding moet met genoegen kennisnemen van het feit dat heel Londen, en dus heel Engeland, op zijn kop staat na een aantal simpele (brand-)bomaanslagen, terwijl een al veel langere campagne van ernstiger bomaanslagen in Noord-Ierland zelf in de Engelse kranten nauwelijks meer aandacht krijgt dan een paar regels.

In een economisch opgeleefd Belfast, hoofdstad toch van de Britse provincie Noord-Ierland, zijn de afgelopen maanden drie zware bommen ontploft die hotels, winkels en Belfasts operagebouw gedeeltelijk in puin hebben gelegd. Maar Belfast is in het bewustzijn van de meeste Britten afgeschreven als iets wat gelukkig ver van hun bed is. Pas als de IRA er in slaagt haar aanwezigheid buiten Noord-Ierland te laten voelen, slaat de "vaste land'-Britten de schrik om het hart.

Het tweede doel dat de IRA daarom met haar campagnes in Engeland bereikt heeft, is de aandacht die er voor haar activiteiten is gewekt. Die aandacht dient tot steun van aanhangers van het Republikeinse ideaal, die in Noord-Ierland zelf misschien een beetje ontmoedigd raakten over het geringe succes van de beweging en de verre afstand tot hun doel van een verenigd Ierland.

Zo'n zes weken geleden al waarschuwden veiligheidsbronnen in Noord-Ierland dat de IRA haar activiteiten zal gaan verleggen naar Engeland zelf. Een van de redenen daarvoor was de golf van oog om oog, tand om tand-aanslagen op republikeinse sympathisanten en willekeurige katholieken in Noord-Ierland, gepleegd door een gereorganiseerde loyalistische terreurbeweging, de Ulster Defence Association (UDA).

Loyalisten en republikeinen hebben sinds het in de koelkast zetten van de politieke besprekingen over de toekomst van Noord-Ierland, in juli jongstleden, de vijandelijkheden met zo'n enthousiasme hervat, dat het aantal van 71 doden in 1990 nu al met ruim 20 is overschreden. De IRA-leiding kon haar aanhangers in Engeland zelf veiliger laten operen. Ze bewerkstelligde bovendien dat leger en politie hun aandacht nu moeten verdelen over meer dan één gebied.

Het begin van de IRA-acties zelf ging spectaculair mis. Twee IRA-leden bliezen zichzelf op 16 november jongstleden op bij het plaatsen van een bom die was bedoeld voor de militaire kapel van de Blues and the Royals. Maar veertien dagen later begon de huidige serie aanslagen met relatief onschuldige brandbommetjes, die voor wijdverbreide paniek en schade zorgden.

Op 1 december gingen dergelijke explosieven af in grote winkelbedrijven in Tottenham Court Road en Oxford Street. Een week later gebeurde hetzelfde in Blackpool en in Manchester, waar Scotland Yards anti-terreurbrigade nog tientallen niet-ontplofte brandbommen aantrof. Op 14 december ontstond brand en beperkte schade in de nieuwe vleugel van de National Gallery. Een winkelcentrum in Noord-Londen moest die zaterdag voor naar schatting honderdduizend op kerstinkopen beluste Britten gesloten blijven, nadat ook daar brand was ontstaan door een IRA-explosief. Twee dagen later ontplofte in de vroege ochtenduren een bom naast een stuk rails op het drukste wissel-spooremplacement van heel Engeland, dat bij Clapham ten zuiden van Londen. Een half miljoen forenzen, onder wie opnieuw een groot aantal potentiële bezoekers van de door recessie getroffen winkelbedrijven, kon Londen niet bereiken of besloot eigener beweging thuis te blijven. Een telefonische waarschuwing betekende dat ook de Beurs die dag twee uur ontruimd moest worden.

En gisteren waren de treinen weer aan de beurt: het ontdekken van twee brandbommen in metrotreinen en één explosief in de sneltrein naar het vliegveld Londen-Stanstead betekende dat de directie van de ondergrondse alle treinen voor onderzoek terugriep naar de depots. Pas daarna durfde de directie de treinen weer in te zetten voor de normale dienstregeling. De schade aan Londens economie alleen al wordt door plaatselijke bestuurders geraamd op tientallen miljoenen ponden.

De inventiviteit van de IRA-leiding zit hem vooral in de manier waarop ze haar doelwit kiest: elke keer net een beetje anders dan de anti-terreurexperts verwachten. Net hebben de Spoorwegen speciale en kostbare veiligheidsmaatregelen getroffen, of de Underground is aan de beurt. Net zijn winkelbedrijven in het hele land op hun hoede, of musea moeten op scherp staan. “Deze jongens zijn beroeps geworden”, zei een ongeïdentificeerde hoge veiligheidsbron onlangs tegen The Independent. “Ze hebben 22 jaar ervaring. Wat denk je: als ze een bazooka op Downing Street kunnen afvuren, dat ze dan geen brandbommetje in een winkel kunnen achterlaten?”

De Britse regering hoopt ondertussen dat het "Kerstbestand' dat de IRA gisteren voor Noord-Ierland heeft afgekondigd, ook voor de rest van het Verenigde Koninkrijk mag gelden. Het parlement is op reces en mede daardoor heeft de regering tot nu toe met succes de druk kunnen weerstaan om een parlementair debat te wijden aan het effect van de IRA-acties. Ze vreest van een dergelijk debat alleen maar heil voor de terroristen zelf, die zich dan immers kunnen laven aan de publiciteit.

De regering is ook beducht voor groeiende druk in de richting van herinvoering van internering, een middel dat in het begin van de jaren '70 tot eindeloos negatieve gevolgen en een nog grotere opleving van geweld heeft geleid. Peter Brooke, de Britse minister voor Noord-Ierland, heeft internering van de veronderstelde leiders van de IRA formeel nooit helemaal uitgesloten. Hij denkt dat de inlichtingen waarover hij nu kan beschikken, veel geavanceerder zijn dan die op grond waarvan zijn voorganger Reginald Maudling honderden onschuldigen liet oppakken. Maar internering is een laatste middel, waarachter geen enkele mogelijkheid tot oplossing van de verdeeldheid en het geweld meer schuilgaat. Dus werkt hij geduldig door aan geregelde informele ontmoetingen tussen vertegenwoordigers van alle partijen in Noord-Ierland, in de hoop dat die na de komende verkiezingen zullen leiden tot formele voortzetting van de besprekingen, leidend tot de politieke oplossing die de IRA en UDA-UDF gelijkelijk buiten spel zou zetten.