Het vernietigende vuur

Wie de verklaring van de begrippen cynicus, cynisch en cynisme in het woordenboek volgt, ziet een "underdog' voor zich. Iemand die, geslagen door het leven, aan alles en iedereen twijfelt, vooral aan het goede in de mens en in de wereld; iemand die verbitterd is en zich wapent met bittere, bijtende spot. Zijn lach is een holle, cynische.

De opmerking van koningin Beatrix aan de Maastrichtse lunch dat zij haar hoofd op de nationale munt beschikbaar stelt om het ontstaan van de ecu te bevorderen, zal niet gauw als cynisch worden uitgelegd, zelfs in het historische besef dat koninklijke hoofden dikwijls het slachtoffer zijn geworden van verbitterde, dus cynische moorddadigheid. De vorstin uitte zich lichtelijk ironisch over de vergankelijkheid van wereldse symbolen en haar goedgeefsheid lokte dan ook in het weinig wereldse vaderland nauwelijks een reactie uit.

In de alledaagse aanwending van de drie "c's' gaat het vaker om het offensieve gedrag van de sterkere tegenover de zwakkere, dan over de bittere verdediging, tot het laatste woord, van de laatste tegen de eerste. Veel mensen zien het niet als cynisch om de boven hen geplaatsten cynisch optreden te verwijten. Cynisch is wel: het ongebreidelde gebruik van macht in strijd met de veronderstelde normen, de afgesproken regels, de goede manieren, het burgermansfatsoen.

Kasteelromannetjes maken gewag van mannelijk optreden dat gemakkelijk als cynisch kan worden aangeduid - hoewel dat later ten behoeve van het "happy end' meestal aan een misverstand wordt toegeschreven. De vakbondsman die, altijd "te laat', verneemt dat er zoveel werknemers "uit moeten' omdat de zaak moet worden gesaneerd (gezond gemaakt), zal de bazen al gauw cynisme toeschrijven. Dezen hadden immers beloofd eerder te laten "inspreken'? In dergelijke gevallen wordt ervan uitgegaan dat de aanstichter van alle ellende er geen benul van heeft, of, sterker, ervan wil hebben.

Het begrip cynisme komt ook al gauw in de gedachten wanneer het over kernwapens gaat. Ondanks alle verklarende en in wezen verontschuldigende theorieën over wederzijds verzekerd vernietigend vermogen zijn de meeste wereldburgers waarschijnlijk van mening dat een bedreiging met de totale ondergang geen aanvaardbare, eerder een cynische methode is om de veiligheid van het eigen volk of van een groep van bevriende landen te verzekeren. Maar dit gevoelen is in de tientallen jaren van het bestaan van het atomaire evenwicht niet wezenlijk in de stembus tot uitdrukking gekomen in de landen waar de stembus ernstig werd genomen. Leiders verzekeren om het hardst dat zij van de hun ter beschikking staande kernwapens walgen, maar die afkeer heeft nog niet tot de afschaffing van dit wapentuig geleid. Vooral Ronald Reagan combineerde een niet aflatende bouwlust in deze sector met zijn herhaald uitgesproken afschuw van de vernietigingskracht van de H-bom. En opeenvolgende Sovjet-machthebbers verveelvoudigden hun arsenalen onder het motto "alle kernwapens de wereld uit'. We stuiten hier misschien op een wijd verbreid cynisme.

Hoe zeer kernwapens een gouden machtsglans hebben die menig oog verblindt, blijkt opnieuw in de nieuwe naties die uit de oude en afgeleefde Sovjet-Unie voortkomen. Als kinderen die op een onverwachte plek leuke speeltjes vinden, raken de leiders van de nieuwe republieken onder de begoocheling van al die blinkende raketten, vliegtuigen en bommen.

Hun aandacht was getrokken door het gehannes met de nucleaire "voetbal', de Gouden Ark van de nucleaire commando-politiek, afgelopen zomer in Gorbatsjovs vakantie-oord. Een niet nader geïdentificeerde KGB-soldaat zou er tijdelijk mee op de loop zijn geweest. Geleerde beschouwingen worden sindsdien gewijd aan de methodiek waarmee de Sovjets hun geïnstitutionaliseerde wantrouwen ook ten opzichte van elkaar in de nucleaire sfeer tot uitdrukking brachten.

De eerste die doorhad dat de nucleaire magie in de binnenlandse worsteling om de macht kon worden benut was Jeltsin. Hij eiste direct na het mislukken van de coup een "dubbele sleutel': geen Sovjet-kernwapen zou nog het luchtruim kunnen kiezen zonder zijn instemming. Bovendien moesten alle Sovjet-kernwapens uit veiligheidsoverwegingen naar het grondgebied van de Russische Republiek worden overgebracht.

Niet dat Jeltsin van plan was wie dan ook ermee te bestoken, en evenmin mag men aannemen dat de Russische president veel benul heeft van de nucleaire strategie, maar het politieke gewicht van de bom had hij begrepen. Jeltsin verbond zijn "claim' met een dreigement aan het adres van de Oekraïne dat de wederzijdse grenzen niet voor alle eeuwigheid vastliggen. De Oekraïeners reageerden onmiddellijk met de mededeling dat alle strijdkrachten op hun grondgebied voortaan Oekraïense strijdkrachten zouden zijn en dat een verplaatsing van "hun' strategische en tactische kernwapens naar Rusland onnodig was. Een gezamenlijk beheer door de republieken met kernwapens binnen de grenzen zou voldoende zijn.

Althans voor het betrekkelijk kleine aantal deskundigen in de wereld is het duidelijk dat hier met vernietigend vuur wordt gespeeld, alle beloften uit Moskou en Kiev dat men niets kwaads in de zin heeft ten spijt. (Misschien dat de Sovjet-experts hun twijfels opzij zetten in de hoop dat zij op deze nucleair-nationalistische golf kunnen meerijden.)

Toch dringt zich de vraag op of we hier met cynisme te maken hebben. Eerder lijkt het erop dat het menselijk tekort de doorslag geeft. Het ligt zo voor de hand: in het spel om de macht worden alle beschikbare middelen aangewend. Maar waar het begrip cynisme herinnert aan meedogenloze machtsuitoefening zouden juist niet de middelen moeten worden gebruikt die het eigen bestaan in het geding brengen. Zo bezien heeft Truman de goden al getart en dat behoort een ware cynicus niet te doen.

Tenzij we veronderstellen dat de drang naar macht een typische karaktertrek van de verbitterde is. Politiek is dan een in de tijd gerekte wraakoefening op de ander aan wiens goedheid een eeuwige twijfel bestaat.