Exposities over een talentvol duo en de invloed van hun vernieuwende leermeester; Hoe Rembrandt de theatraliteit van Lastman dempte

Tentoonstellingen: Pieter Lastman, leermeester van Rembrandt. Museum Het Rembrandthuis, Amsterdam. T-m 16 februari. Catalogus ƒ 35,00 (gebrocheerd), ƒ 47,50 (gebonden). Rembrandt en Lievens in Leiden, "een jong en edel schildersduo', t-m 1 maart, Stedelijk Museum De Lakenhal. Catalogus ƒ 39,50 (gebrocheerd), ƒ 49,50 (gebonden).

Nederland is verwend. Zonder de aardbol rond te hoeven reizen kan iedereen op het ogenblik zijn eigen Rembrandtcorpus samenstellen. De Rembrandtdichtheid is deze maanden zelfs zo hoog dat men met een beetje handig reisplan binnen een dag tussen de zeventig en tachtig Rembrandts kan zien. De tentoonstelling in het Rijksmuseum levert er in één klap 49 op en de vaste opstellingen in datzelfde museum, in het Mauritshuis en in Boymans-van Beuningen bieden samen met de de omringende tentoonstellingen een kwart van het gehele nog bestaande werk. En over de prenten en tekeningen heb ik het dan niet eens.

Deze rijkdom wordt nog vergroot door de mogelijkheid om op ruime schaal het artistieke klimaat waarin Rembrandt werkte en dat hij deels zelf geschapen heeft, te bekijken. Voor de vroege periode biedt de tentoonstelling over Pieter Lastman in het Rembrandthuis een goed begin en deze sluit aan op die over Rembrandt en Lievens in de Lakenhal in Leiden.

Hoewel de kabinetachtige ruimtes van het Rembrandt-huis eerder geschikt zijn voor tekeningen en prenten is de Lastman-tentoonstelling alleszins de moeite waard. Het is de eerste maal dat aan deze leermeester van Rembrandt een tentoonstelling is gewijd. Er hangen 22 schilderijen en een aantal tekeningen en prenten, waarvan vele afkomstig uit het buitenland. Samen maken ze duidelijk wat Rembrandt in zijn jonge jaren voor ogen heeft gestaan, wat hij heeft geleerd en hoe hij dit voorbeeld ook weer achter zich heeft gelaten.

Over Pieter Lastman is weinig bekend. Hij werd in 1587 in Amsterdam geboren, verbleef, zoals dat schilders paste, enkele jaren in Italië en keerde in 1607 weer terug. Hij ontwikkelde zich tot een invloedrijk en vernieuwend historieschilder, dat wil zeggen, een schilder van bijbelse, mythologische en historische onderwerpen. Hij moest dus een verhaal vertellen, of liever gezegd een cruciaal moment uit een verhaal, en wel een moment waarin zich een omslag voltrok en waarop de zowel de voorgeschiedenis als de afloop gesuggereerd worden.

Bij de vele keuzes die daarbij gemaakt moesten worden heeft Lastman vernieuwend gewerkt. Zo koos hij verhalen, die zelden of nooit geschilderd waren en bedacht hij nieuwe beeldschema's. Zijn schilderijen zijn kleurig, levendig en vol figuren. Lastman deed, misschien omdat een aantal histories nog niet zo bekend waren, zo zijn best om het verhaal goed uiteen te zetten, dat hij zijn personages liet overacteren. Hun arm- en handgebaren, hun altijd iets te grote oogkassen zijn erg nadrukkelijk. Om in theatertermen te blijven: Lastman, was een innoverend dramaturg en metteur-en-scène van massaspelen, hij schakelde indrukwekkende costumiers in met een voorliefde voor bonte oosterse stoffen, zijn belichtingsmensen verstonden hun vak, de attributen glommen en fonkelden, maar de acteurs zelf waren weinig subtiel. Ze stonden op de juiste plaats, ze voerden de voorschreven handeling uit, over hun schrik of verbazing hoeft geen twijfel te bestaan, maar wij zijn niet meer gewend om zo naar emoties te kijken.

Lastman ensceneerde emoties en dat hoorde ook zo. Het was de norm en het is dan ook niet verwonderlijk dat veelbelovende jonge schilders als Jan Lievens en Rembrandt helemaal uit Leiden kwamen om juist bij hem het vak verder te leren. In de korte tijd dat zij bij Lastman gewerkt hebben, konden ze niet alleen diens werk en werkwijze bestuderen, maar ook de prenten die hem inspireerden en die hem als voorbeeld dienden. In de vroege historiestukken van Rembrandt is Lastmans invloed zonneklaar. Dezelfde drukke ensceneringen, dezelfde aandacht voor de stoffen, beweging en afwisseling, dezelfde doordachte manier van belichting. Maar ook de afwijking krijgt geleidelijk gestalte. Rembrandt dempt de theatraliteit, hij maakt de composities overzichtelijker en weet op subtiele wijze een veel grotere psychogische spanning op te bouwen. Niet meer door rollende ogen en al te flapperende armgebaren, maar door ingetogenheid, door stil spel. Rembrandt heeft minder handen en ogen nodig om de boodschap over te brengen en wat knapper is, hij heeft die soms helemaal niet meer nodig.

Rembrandt reduceerde het theatrale en dat heeft een verstrekkend gevolg: de emotie kan ook los van het verhaal worden begrepen en wordt daardoor universeler. Die reductie van middelen is nog het meest zichtbaar in zijn tekeningen en etsen; een enkel lijntje kan daar een grote emotionele spanning opwekken.

Autobiografie

De borduurwerkerszoon Jan Lievens (1607-1674) moet al op zijn tiende, veel eerder dan Rembrandt, in de leer zijn gegaan bij Lastman. In de jaren tussen 1625 en 1631 vormde hij met Rembrandt een veelbelovende duo in Leiden. Dat blijkt niet alleen uit hun werk, maar ook uit een vaak geciteerde fragment uit de autobiografie van Constantijn Huygens. In 1631 schreef hij dat Lievens Rembrandt overtreft in "grootsheid in vinding' en "gewaagdheid van onderwerp', maar dat Rembrandt sterker is in de "trefzekerheid en levendigheid van uitbeelding'. Op de Leidse tentoonstelling is te controleren of we nog iets van Huygens visie kunnen delen.

Voor deze tentoonstelling is een relevante selectie gemaakt van schilderijen, prenten en tekeningen. Ook de indeling heeft een logica, maar helaas leidt de onrustige opstelling met al die panelen, schotjes, sokkels, bordjes in verschillende tinten groen en roze de aandacht af van de kunst. Gelukkig hangt er na de meest rommelige zaal die wat aanzetten tot een culturele context geeft, voldoende werk van Lievens en Rembrandt.

Hoewel niet zeker is dat Rembrandt en Lievens een atelier hebben gedeeld, moeten ze nauw hebben samengewerkt en zelfs gewedijverd. Hun werk, met dezelfde achtergrond en leermeester, is nauw verwant, al heeft Rembrandt veel sterker onder Lastmans invloed gestaan dan Lievens. De laatste is eigenlijk origineler en zijn leertijd bij Lastman lijkt maar een incident. Beiden nemen ook weer afstand van Lastman. Hun composities zijn eenvoudiger, de belichting is warmer en vaak dramatischer. Ze reduceren het aantal figuren en beelden die vaak ook op een Caravaggio-achtige wijze van dichtbij zijn weergegeven.

Hun wedijver is goed af te lezen bij de twee kruisigingen uit 1631. In formaat en beeldtraditie zijn ze hetzelfde, maar Lievens schilderde een berustende Christus, Rembrandt een dramatisch opstandige Christus. Ook in hun verschillende versies van de Opwekking van Lazarus loont de vergelijking. Ook wordt voorstelbaar waarom Huygens zo'n bewondering had voor de later lang vergeten Lievens. De Apostel Paulus en Job op de mestvaalt, de portretten van Rembrandt en van Huygens zelf zijn indrukwekkende stukken die mijlenver verwijderd zijn van Lastman.

Beide schilders kregen aan het eind van de jaren twintig, waarschijnlijk via Huygens, opdrachten van het stadhouderlijk hof. In 1631 vestigde Rembrandt zich in Amsterdam, in 1632 vertrok Lievens naar Engeland. De oude Pieter Lastman stierf een jaar later in de wetenschap dat zijn voormalige pupillen een succesvolle loopbaan tegemoet gingen.