Ex-havenbaron tussen wantrouwende Waalse boeren; Van Beuningen doet in herten

De uit Kralingen afkomstige familie Van Beuningen drijft in de Ardennen België's eerste hertenfarm. Tweehonderdvijftig herten die het landschap decoreren alsof ze op een kerstkaart moeten.

De bezoeker treft het. Die ochtend zijn drie herten afgeschoten. De koploze, opengesneden karkassen hangen in takels, klaar om te worden gewogen. De vrouw in overall wast haar handen, zij heeft de dieren net leeggehaald. Lever, nieren en tongen zijn eruit gesneden, de rest van de ingewanden gaat via een slager naar de afvalfabriek. Haar echtgenoot, ook in werkpak met laarzen, spuit de voormalige herten schoon en constateert dat één hinde aan de lichte kant is en terecht naar de slager gaat. Ongeschikt voor de fokkerij.

Later giechelen ze dat veel bekenden in Nederland wel vreemd zullen opkijken als ze lezen hóe merkwaardig die Van Beuningens leven op hun hertenfarm in de Ardennen. Een oude, wrakke boerderij met één kolenkachel, één dag vakantie per jaar en lange, grijze winters. De enige luxe is dat alle bedden elektrische dekens hebben, maar dat mag ook wel als het vriest in de slaapkamers.

Daar tegenover staan een prachtig uitzicht over heuvels en dalen, ontmoetingen met buizerds en vossen, en natuurlijk de herten. Tweehonderdvijftig dieren in verschillende groepen, die onder alle weersomstandigheden het landschap decoreren alsof ze op de kerstkaart moeten.

Hoe komt een keurig echtpaar van rond de vijftig uit Kralingen in België terecht, in een halve ruïne tussen conservatieve, wantrouwende Waalse boeren? Twee antwoorden zijn te vinden in het archief van deze krant. Ten eerste een bericht van 30 juli 1983: "Directeur van Smit stapt onverwachts op'. De tekst luidt dat mr. J.W. van Beuningen, directeur van het Rotterdamse zeesleep- en bergingsbedrijf Smit Tak, zijn functie per 31 december van dat jaar neerlegt. Als reden wordt gegeven: “over en weer vastgestelde factoren die naar aangenomen moet worden een blijvende vruchtbare samenwerking zullen verhinderen”.

De bekende formulering, waaraan de redacteur toevoegt dat er waarschijnlijk ruzie is geweest over het te voeren beleid. De achtergrond is ook duidelijk: crisis in de offshore, twee sleepboten uit de vaart en vijftig arbeidsplaatsen verdwijnen. Plus die ene, maar voor John van Beuningen is binnen het concern geen herplaatsing.

“Je valt in het bekende zwarte gat”, zegt hij daarover. “Ik had er twintig jaar gewerkt, vijfhonderd man personeel en een secretaresse die het leven indeelt. Dan - niets meer. Ik heb eerst geprobeerd om ergens anders aan de slag te komen, maar op dat niveau is het niet eenvoudig. Bovendien drong mijn vrouw er steeds sterker op aan om iets buiten te gaan doen, in de landbouw of zoiets.”

Pag.15:

Slachten als naar bijverschijnsel; Ene helft produktie gaat naar restaurant, andere helft naar slager

De echtgenote - dat is Ima van Eysinga, burgemeestersdochter, en afkomstig uit de Friese landadel. “Ik ben geboren in St Nicolaasga, en dan is het westen al een hele overgang. Ik heb altijd verlangd naar het land, en ik vond dat ik na twintig jaar stad wel eens aan de beurt mocht komen. We hebben van alles overwogen: witlof, tomaten, champignons, bloemen - tot ik in de NRC las dat er steeds meer wild wordt gegeten. Het was een nabeschouwing op de jaarlijkse vreetpartij. Zo kwamen wij dus op herten. We hebben er alles over gelezen wat we te pakken konden krijgen en zijn naar Engeland gegaan om in de praktijk te leren. Daar zijn tientallen farms, waaronder hele grote.”

Aanvankelijk zochten de Van Beuningens in Nederland, in het oosten van het land want herten in de polder, dat kan niet. Maar de grondprijzen waren, dank zij het EEG-landbouwbeleid, astronomisch. Ten slotte kwamen zij in België terecht, en via advertenties in een agrarisch tijdschrift kochten zij een totaal vervuilde en vervallen boerderij in Nassogne, negentig kilometer ten zuidwesten van Luik. Via pachtovereenkomsten kon het areaal uitgebreid worden tot 32 hectare.

Eind 1987 verhuisde de familie. John van Beuningen: “Het was een ongelofelijke troep. Enkelhoge modder en mest, de rioolbuis kwam zo op het erf uit. De stallen moesten verbouwd worden, elektriciteit aangelegd, en het land moest omheind worden. Dat gebeurde door een ploeg Engelsen, met speciaal uit Nieuw Zeeland geïmporteerd manshoog gaas. Om niet alle beginnersfouten tegelijk te maken, hebben we hier het eerste jaar een Engelse deskundige gehad. Er viel genoeg te leren: inenten, geweien afzagen, het leeghalen van afgeschoten dieren, tractor besturen, met maaimachines en hooipersen omgaan, ga maar door. Gelukkig had Ima haar groot rijbewijs gehaald, dus die kon goed met alles overweg. Begin 1988 kwamen de eerste veertig herten uit Engeland. Fencetame, zoals dat heet, dus gewend aan omheiningen. Ze waren vrij duur, 1500 gulden per stuk, maar met goedkopere wilde herten valt niet te werken.”

Nu, vier jaar later, is er al een soort routine. Het ritme van de seizoenen dicteert het werk voor de Van Beuningens. Half september, wanneer de bossen een rood-gele gloed krijgen, worden de bokken bronstig. Elke groep van vijftien hinden, die het hele jaar bij elkaar loopt, krijgt één bok die tot eind november de tijd heeft om het roedel te bevruchten. Om het dier nog wat te inspireren, krijgt hij halverwege gezelschap van een jongere concurrent. De verstandhouding tussen de heren is gespannen, maar omdat hun levensgevaarlijke geweien zijn afgezaagd, rammen ze alleen de koppen tegen elkaar.

Van half mei tot eind juli worden de jonge herten geboren, vrijwel altijd één per hinde. De dieren doen dat zonder hulp, hoewel er bij stuitligging een veearts moet komen om het jong er - meestal dood - uit te halen.

We lopen door de stallen en de kortgeschoren velden. (“Herten eten zó keurig, heel wat anders dan die slordige koeien”). Ima heeft een emmer met voer bij zich en die herten zijn niet gek. Op een drafje komen ze aangezet en ze golven om haar heen: een zee van borstelige bruine ruggen, grote oren en donkere ogen. Geen sprake van schuwheid of angst, wél alertheid op de vreemde bezoeker. Eén hinde is bijzonder vrijpostig, zij is niet weg te sláán.

“Dat is Julia”, vertelt Ima, “die heb ik met de fles grootgebracht en nu is het net een huisdier. Ze volgde me overal, ook als we met de honden gingen wandelen.”

Ik vraag mij af of Julia ook als herterug in een sterrenrestaurant zal eindigen. Herten zijn oneindig mooier en liever dan varkens - hoewel Kousbroek ze ontroerende genieën vindt - maar zeker aaibaarder dan koeien.

Ima verzekert dat de zachtogige Julia niét geslacht wordt, zij is de mascotte en mag haar pensioen halen.

Ima weet uit ervaring dat er verzet is tegen hertenfarms. Ze staan er zelf ook wat dubbelzinnig tegenover: “De mensen eten graag wild, maar ze houden niet van het idee om dieren te slachten. Wij hebben er ook een hekel aan, het is één van de naarste bijverschijnselen, daarom doen wij het ook niet. John jaagt wel op klein wild maar wij vragen een Belgische vriend om onze herten af te schieten. Dat gebeurt heel clean, zonder stress en met één kogel. Er is helemaal geen paniek; de rest van de groep kijkt even op van het geluid en graast dan gewoon verder. Ze hebben dan een rustig, mooi leven gehad hier. Maar we drijven een onderneming, dus we kunnen niet te sentimenteel zijn.”

Tot nu toe drijven de Van Beuningens de enige hertenfarm van België. Twee andere bedrijven staan op stapel, maar John hoopt dat het er snel meer worden want dan komt er een ruimere afzetmarkt voor fokdieren. Een drachtige hinde levert ongeveer twee duizend gulden op, een hele geslachte bok duizend gulden. Met de afzet van herten voor de slacht gaat het moeizaam. De produktie - dit jaar veertig stuks, alleen bokken want de hinden zijn voor het fokken - is nog te klein om eigen distributiekanalen op te zetten. De helft van de produktie gaat naar restaurants en particulieren, de andere helft naar de plaatselijke slager.

Maar is er hevige prijsconcurrentie uit Groot- Brittannië en vooral Nieuw Zeeland. “Uit Engeland en Schotland komt veel echt wild, het vlees is voor de jagers bijzaak. Dat geldt nog sterker voor Nieuw Zeeland; daar fokken ze herten voor de geweien. Geweien in de bast, dus met die fluwelen bekleding, gaan naar het Verre Oosten als aphrodisiac. Het vlees kan dan goedkoop worden verkocht. Maar voor al die import geldt dat je niet weet wat je krijgt: het hert kan twee jaar oud zijn, maar ook tien jaar. Wij proberen een soort merkartikel te leveren: bokken met constante kwaliteit van anderhalf jaar oud. Zonder stress geslacht, onmiddellijk gebloed en binnen een uur leeggehaald. De handel zégt wel kwaliteit te willen, maar ze letten toch allereerst op de prijs. Er is nog een eigenaardigheid: wij zijn geen agrarisch bedrijf, we vallen onder de jachtwet. Geen subsidies dus, geen toegang tot een slachthuis. Het betekent ook dat je alleen van 15 september tot 10 januari geslachte dieren mag vervoeren. Dat zal wel veranderen als er meer farms komen. De EG wil ook diversificatie, vooral in niet-intensieve bedrijven. Ze doen nu een marktstudie naar herten, bisons, geiten en slakken. Misschien komt daar wat uit.”

Is er eigenlijk van tevoren een ondernemingsplan gemaakt? John van Beuningen grinnikt. “Dat dacht ik, ja. Maar de deskundigen hadden vergeten dat wij nog moesten leven. De investeringen zijn altijd hoger dan je denkt, bij ons ongeveer één miljoen gulden. We hebben ook veel moeten importeren omdat je niet alles opnieuw kunt uitvinden. De zaak rendeert dus nog niet, we zijn bevoorrecht dat wij het ons konden permitteren.”

We gaan aan de lunch: hutspot met hazepeper. Géén hertebout, snoepen uit de eigen zaak is niet professioneel. Het bestaan lijkt vredig en zorgeloos, met al die wandelende herten in heuvels. Maar de agrarische omgeving is wantrouwend op het vijandige af, twee jaar geleden is het dak van de stal gewaaid, de kudden kunnen geveld worden door besmettelijke ziekten zoals abortus bang of tbc. Zijn ze niet bezig aan een krankzinnig avontuur?

Ima: “Soms vraag ik me af waar we in hemelsnaam aan begonnen zijn.”

John: “Ik ook, maar nooit op hetzelfde moment als zij. En gelukkig steunen de kinderen ons geweldig. Het wordt inderdaad een probleem als één van ons ziek wordt, dan moeten we hulp nemen. Het is redelijk hard werken, met één officiële dag vakantie per jaar.”

Ima: “En daar komt dan niks van terecht. Eigenlijk hebben we het hele jaar vakantie. Mij krijgen ze hier niet meer weg, over mijn lijk.”