"Er wordt iets extra's van je verwacht, of je nu van Ajax komt of van Lutjebroek'; Nederlandse voetballers gedijen in het buitenland

Er spelen dit seizoen 62 Nederlandse voetballers op het hoogste niveau in buitenlandse competities. Een ongeveer even groot aantal speelt op een lager niveau. Drie komen er in dit verhaal aan bod. Edwin Gorter (28) draait in Frankrijk met provincieclub Caen verrassend in de top mee. Henk Vos (23) van Standard Luik wordt door de Belgen tot beste aanvallers van hun land gerekend. Alfred Nijhuis (26) is in Duitsland een veelgeprezen scorende voorstopper bij het pas gepromoveerde MSV Duisburg.

ENSCHEDE, 24 DEC. Alfred Nijhuis heeft een huis in een keurige nieuwbouwwijk in Enschede, in de Suze Groeneweglanden om precies te zijn. Voor de deur van nummer 59 staat een Opel Vectra met Duits kenteken. Nijhuis is de enige voetballer uit de Bundesliga die in Nederland woont. De 1.90 meter lange verdediger van MSV Duisburg beschouwt zijn omstandigheden als ideaal, wonen in je eigen land en voetballen in een interessantere en betere competitie dan in Nederland. Nijhuis rijdt dagelijks heen en weer van Enschede naar Duisburg. Bij elkaar twee uur rijden over brede Duitse snelwegen.

Nijhuis, een afgestudeerd HTS'er (bedrijfskunde), vindt het zo allemaal “hartstikke mooi”. Hij tekende verleden maand in Duisburg ook snel bij tot 1995. “Al mijn vrienden en familieleden wonen in Enschede. Zou ik ergens dieper in Duitsland gaan voetballen dan is er sprake van hele andere situatie. Dortmund is al drie kwartier verder rijden. Dat zou al bijna niet meer te doen zijn. Dan moet je dus verhuizen. En hoe gaat mijn vrouw zich daar voelen. Dat is heel belangrijk. Ik zou niet goed kunnen spelen als zij ongelukkig zou zijn. Ik kan me ook voorstellen dat jongens die in Frankrijk of Engeland hebben gespeeld zijn teruggekomen voor hun familie.”

Enige drang om ook in Nederland te voetballen voelt Nijhuis niet. “Daar denk ik absoluut niet aan”, zegt de voorstopper. “Ik heb niet voor niets meteen "ja' gezegd toen ze vroegen of ik wilde bijtekenen.” Nijhuis kreeg vier jaar geleden een bescheiden contract van het plaatselijke FC Twente aangeboden. Daar ging hij toen niet op in. “Ik had niet het idee dat beide kanten even enthousiast waren. Twente had de selectie eigenlijk al rond.” Nijhuis ging toen vlak over de grens in Duitsland voetballen, bij Schöppingen uit de Oberliga Westfalen. Hij zegt nu hij een succesvol Bundesliga-speler is geen revanchegevoelens te hebben ten opzichte van Twente. “Het ligt altijd aan jezelf. Ik was destijds waarschijnlijk nog niet goed genoeg.”

Edwin Gorter en Henk Vos denken weleens aan een rentree in het Nederlandse voetbal. Dat heeft dan voornamelijk te maken met het feit dat ze vinden verkeerd te staan aangeschreven in Nederland. Gorter werd in zijn tijd bij DS'79 en Roda JC afgeschilderd als, zo zegt hij zelf, “een moeilijk ventje, die niet erg constant speelde” en van Vos herinnert men zich voornamelijk zijn schorsing van elf wedstrijden als speler van Willem II. Hij had NAC'er Van den Dungen een gebroken neus geslagen. “Nog altijd wordt mijn naam in verband gebracht met negatieve gebeurtenissen van vroeger. Dat zit me best wel hoog, ja.”

Henk Vos, destijds als een groot talent betiteld, was pas zestien jaar toen hij door PSV van RBC werd gekocht. “Bij PSV speelden grote jongens. Die verdienden pakken met geld. Die gaven net zo makkelijk duizend gulden uit als ik een tientje. Daardoor werd ik beïnvloed. Ik heb in die periode dingen gedaan die niet door de beugel konden. Op en buiten het veld. Je bent jong, hè. Er was ook niemand die mij corrigeerde van: "Henkie, nu moet je dit of dat doen'. Ik werd aan mijn lot overgelaten. Nu hebben ze dat internaat bij PSV. Ik zat gewoon bij een pleeggezin.” Vos is ervan overtuigd dat hij nu wel een grote kans zou hebben om bij PSV te slagen. “Ik heb veel levenservaring opgedaan. Ik ben ook getrouwd. En het scheelt enorm als er thuis een vrouw op je wacht.”

Edwin Gorter, getrouwd en één zoon, kan dat onderschrijven. “Ik was vroeger heel onrustig. Ik kon geen vijf minuten stil blijven zitten. Ik lustte ook bijna niets, je kent dat wel. Tegenwoordig kan ik genieten van een etentje met een goed glas wijn erbij.” Hij zegt op het veld ook ten goede te zijn veranderd. “Ik werk me tegenwoordig negentig minuten lang rot. Dat is weleens anders geweest. Ik kon vroeger tevreden zijn als we met 3-2 verloren, maar dat ik dan zelf had gescoord en goede kritieken in de kranten kreeg. Je moet hier in Frankrijk wel werken, want er wordt als buitenlander van je verwacht dat je iets extra's brengt. Of je nou van Ajax of van Lutjebroek komt.”

Gorter, de nummer tien van Caen, vindt dat hij in zijn huidige vorm aandacht van de zijde van de KNVB verdient. “Ik roep echt niet meteen dat ik in het Nederlands elftal hoor. Maar laat Michels nou gewoon eens komen kijken. En vindt hij het dan niks, prima.” “Ik zit me weleens te ergeren als ik het Nederlands elftal zie spelen”, geeft Vos toe. Nijhuis is van mening dat er te weinig naar nieuwe kandidaten voor Oranje wordt gezocht en dan met name onder de "onbekende' Nederlanders in het buitenland. “Nu is Michels, met alle respect, weer op Van Tiggelen teruggegevallen. Een speler van 34 jaar. Maar waarom pak je dan zo'n Monkou (speler van Chelsea, red) er niet eens bij? Die is zeven jaar jonger en die weet in Engeland ook goed wat het spelen onder druk is.”

Zelf zegt de nuchtere Nijhuis geen moment aan het Nederlands elftal te denken. “Welnee, ik kom net kijken.” Hij moet er wel om lachen dat de Duitsers zo nu en dan suggereren dat het de hoogste tijd is dat hij voor Oranje wordt uitgenodigd. “Dat is echt Duits. Ze denken dat als je in hun Bundesliga kan meekomen ook meteen goed genoeg bent voor het Nederlands elftal. Maar veel weten ze er niet van. Leo Beenhakker heeft dit seizoenen twee wedstrijden van Duisburg bezocht. Eén keer waarschijnlijk om Andy Möller van Eintracht Frankfurt te zien. Maar in de kranten stond dat hij voor mij was gekomen. Weten zij veel dat Beenhakker niets meer met Oranje te maken heeft.”

Afgezien van de financiële kant prijzen de Nederlandse voetballers in vreemde dienst de voetbalsfeer in de landen waar ze spelen. Die is, zijn ze unaniem van mening, veel beter dan "thuis'. “Ons publiek is knotsgek”, zegt Nijhuis. “Naar onze laatste wedstrijd voor de winterstop in Wattenscheid gingen 8000 supporters mee. Iedereen is altijd in het blauw-wit gekleed. Je ziet auto's met van die plakkaten en sjaals van MSV Duisburg. Die artikelenshop bij ons loopt als een trein.” Vos maakte dergelijke taferelen zelfs al mee toen hij in de derde klasse in België voor Germinal Ekeren uitkwam. “Alles was rood-geel gekleurd. Zelfs de gezichten. Nou heb ik in mijn tijd bij RBC nooit één supporter gezien met een gezicht dat voor de helft oranje en voor de eerste helft wit was geverfd.”

Alfred Nijhuis gaat weleens bij FC Twente kijken. Dat is vlakbij. Vanuit zijn straat kan hij de lichtmasten van het Diekmanstadion zien staan. “Bij Twente zitten er gemiddeld 4000 mensen. Daarvan schreeuwen er misschien 500 af en toe een beetje. En dan zit je door die sintelbaan ook nog eens ver van het veld af. Daar ben je als speler lekker mee. De sfeer op de tribune is zeker mede bepalend voor je spel. Als je door duizenden supporters wordt aangemoedigd, scheelt dat toch een aantal pk's.” Hij constateert dat de sfeer bij de meeste wedstrijden van het Nederlands elftal wel uitstekend is. “Dan komen ze uit alle windrichtingen aangewaaid, met Gullit-petjes, rood-wit-blauwe gezichten, noem maar op. Dan maken ze er een prachtige dag van. Maar in de gewone competitie blijkt zoiets niet te kunnen.” Aan de kwaliteit van het voetbal ligt het niet, denkt Nijhuis. Die valt volgens hem alleszins mee. “Als FC Twente het publiek van Duisburg zou hebben stond het nu misschien wel bovenaan.”

“Het Nederlandse publiek is ontzettend kritisch”, aldus Gorter. “In Frankrijk zijn ze altijd tevreden met een uitslag van 1-0. In Nederland zeggen ze dan: we hebben wel gewonnen, maar het was niet veel. Nul-nul betekent in landen als Italië, Frankrijk en Spanje een winstpunt en daar is iedereen dan blij mee, de trainer, de spelers, het publiek en de president.” Vos: “In België krijg je ook een hand als je verliest.” Gorter vindt het ook irritant dat Nederlanders altijd over de hoge salarissen van de voetballers praten. “Als Gullit slecht speelt, hoor je de mensen mopperen van: verdient die nou zo veel geld? Weet je wat de meest gestelde vraag aan mij is? Ben je al binnen?”

De voetbalemigranten willen zeker niet alles negatief afschilderen wat er in de Nederlandse competitie gebeurt. Vos spreekt zelfs van “het mooiste voetbal” als hij het systeem ter sprake komt met twee echte buitenspelers en een lange centrumspits. In Nederland komt dat nog voor. In België spelen ze met één, in het gunstigste geval met anderhalve spits. “Heerlijk die ruimte die Taument in de eerste wedstrijd tussen Feyenoord en Ajax kreeg. Bij Anderlecht-Standard geven ze je echt geen centimeter cadeau”, aldus Vos. “Er wordt positief gedacht in het Nederlandse voetbal”, vindt Nijhuis. “Neem zo'n Simon Kistemaker. Hij zei voor de competitie dat De Graafschap een leuke ploeg voor de eredivisie zou zijn. Hij wist natuurlijk ook wel dat het moeilijk zou worden. Maar een dergelijk optimisme doet prettig aan.”

Edwin Gorter, al ruim vijf jaar in het buitenland voetballend, spreekt naast Nederlands inmiddels vier talen. Duits en Engels had hij door de middelbare school al onder de knie, in zijn periode bij het Zwitserse Lugano (1986-'91) leerde hij Italiaans en nu is hij in Caen goed op weg met Frans. Gorter noemt het “een absolute must” om als buitenlandse speler de taal van het land te spreken. “Op die manier kan je laten zien dat je je wilt aanpassen. Dat wordt erg gewaardeerd. En als al jouw ploeggenoten zich steeds doodlachen als jij iets niet snapt dan duren de dagen lang.” “Ook in het veld is het van groot belang dat je de taal spreekt”, constateert Nijhuis. “Er moeten in fracties van seconden beslissingen worden genomen. Dan kan je niet even rustig nadenken hoe je iets tegen je ploeggenoten gaat zeggen. Ik denk dat het verleden jaar met PSV niet zo goed ging omdat er te veel buitenlanders in de selectie zaten. Dat werkt volgens mij niet.”

Nederlanders zijn meestal wel bereid een andere taal te leren. Met spelers van andere nationaliteiten ligt dat anders. “Ik heb”, vertelt Gorter, “Terry Lees, een Engelsman, bij DS meegemaakt. Hij zat al een jaar of vijf, zes in Nederland en sprak toch nauwelijks de taal. "Lik mijn reet', zei hij af en toe. Dat was alles. Engelsen zeggen: "ik spreek mijn eigen taal en dat is genoeg'. Duitsers idem dito.” “Maar wij moeten wel, hè”, vervolgt Gorter. “Nederlanders hebben dat avontuurlijke in zich. Dat zie je ook in de handel. We zijn zo'n klein land, maar betekenen toch wat in de wereld.” Nijhuis: “Ik las dat Gullit heeft gezegd dat Nederlanders zich niet makkelijk laten imponeren. Dat herken ik. Het kwam mij niet schelen of mijn tegenstander Möller of Sammer heet.” Gorter: “Je kan mij zo in Japan neerzetten en ik red me.”