Een gevoel van verval

In Amerika heerst algemeen een groot wantrouwen in de politiek. Een cynisme dat niet alleen voortkomt uit de huidige economische recessie. Al sinds het einde van de Eisenhowerperiode, te beginnen met de oorlog in Vietnam, is het vertrouwen van de Amerikanen in de politiek gestaag gedaald.

Bijna een maand lang werd het Congres door een groot financieel schandaal gevangen gehouden: de kapper in Washington kost vier dollar in plaats van de gebruikelijke twaalf. En daaruit blijkt volgens sommige commentatoren maar weer hoe rot de Amerikaanse politiek is, en hoe geprivilegieerd Congresleden zijn.

Rond dezelfde tijd speelde het chequeschandaal. Congresleden, die een gezamenlijke bank hebben, bleken voor enkele honderden dollars ongedekte cheques te hebben uitgeschreven in het restaurant, vaak omdat ze de stand van hun bankrekening niet goed bijhielden. De kosten waren niet voor rekening van de staat, maar voor die van de collega's die de bank financierden.

Anderen hadden nog grote rekeningen in het restaurant uitstaan vanwege recepties die door kiezers op naam van hun Congreslid werden georganiseerd en niet betaald. Wat niet meer dan een kleurrijke anekdote over gangen en wandel van sommige Congresleden had kunnen zijn, ontwikkelde zich tot een vertrouwenscrisis tussen kiezers en het Congres. In alle deelstaten was te horen hoe schandelijk de volksvertegenwoordiging zich gedroeg. Maar wat kun je ook anders verwachten van "die zakkenvullers'. Om van de problemen af te zijn, besloot de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden de gezamenlijke bank op te heffen.

Het zijn een paar voorbeelden van het in Amerika algemeen heersende wantrouwen in de politiek. Dit cynisme komt niet alleen voort uit de huidige economische recessie. Sinds het einde van de Eisenhowerperiode, te beginnen met de oorlog in Vietnam, is het vertrouwen van Amerikanen in de politiek alleen maar gedaald. Hoewel Amerikaanse politici niet minder goed zijn dan vroeger - waarschijnlijk zelfs beter door de strenge controle - ervaren de meeste Amerikanen hun volksvertegenwoordiging als slechter. Een "nationale malaise', noemde de Democratische president Carter dit gevoel.

Paradoxaal genoeg is het sinds eind jaren vijftig gestaag dalende vertrouwen gelijk opgegaan met een strengere ethische regelgeving en een grotere rol van de televisie. De openbare, puriteinse zuiveringsrituelen blijken een averechts effect te hebben.

John F. Kennedy was de eerste "televisiepresident'. Als zijn Republikeinse rivaal Richard Nixon door zijn snelle baardgroei niet nog tijdens een beslissend televisiedebat zo'n schurkachtig uiterlijk had gekregen, had Kennedy waarschijnlijk niet gewonnen. Zijn gewelddadige dood werd op de televisie uitgezonden, maar van de seksuele uitspattingen van de president kreeg het publiek niets te weten. Dat was privédomein. Zo is het leven van president Kennedy een afgerond heldenepos in de videotheek.

De beelden van de knappe, jonge Kennedy en zijn vrouw Jacky brachten Amerika aan het dromen. Hoe anders loopt het met de publieke bejegening van zijn verwanten en nazaten. De afgelopen maand boog de hele natie zich over de vraag of een Kennedytelg binnen of buiten de vagina van een vermeend verkrachtingsslachtoffer had geëjaculeerd. Alle getuigenverklaringen over verveelde seks en verkrachting werden integraal uitgezonden. In de media ontsnapte ook senator Ted Kennedy niet aan een nauwkeurige inspectie van zijn privéleven. Waarom had hij zijn verdachte neefje meegenomen naar een dancing? En was hij niet altijd al een drinker en vrouwenversierder geweest?

Het leergierige Amerikaanse publiek wist na afloop van het openbare proces uiteindelijk meer van het materiaal van het slipje van het vermeende slachtoffer van Smith, dan van de instorting van de Sovjet-Unie.

Het Kennedyschandaal volgde pal op de publieke hoorzittingen over de vermeende seksuele intimidatie door rechter Thomas - waarin verhalen over Long Dong Silver en een schaamhaar in de coke openbaar werden gemaakt.

Weinigen betwistten de televisie het recht om dergelijke pikante getuigenissen uit te zenden, openbaarheid dat gaat voor - ondanks de persoonlijke schade voor de onschuldige partij. Maar alles bij elkaar zonk het vertrouwen in de volksvertegenwoordiging tot een nieuw dieptepunt.

Tussen deze twee momenten, de verkiezing van John Kennedy tot president en het verkrachtingsproces van zijn neef William in West Palm Beach ligt de groeiende macht van de televisie. Politieke campagnes zijn theater geworden, gerecenseerd door journalisten: kandidaat A heeft niet zo'n sterke presentatie, kandidaat B weet het veel beter te brengen.

In de moderne voorsteden, waar de meeste Amerikanen wonen, is de televisie het sociale cement geworden. Een politicus (in spe) heeft vrijwel alleen nog de camera ter beschikking om zich tot zijn publiek te richten. Uitgestorven is het instituut van het partij-apparaat, dat de politiek van de grote stad tot dorpsniveau terugbracht. Politiek was ooit een zaak van vrijwilligers die in zaaltjes bijeenkwamen om daarna deur-aan-deur stemmen te werven. De aldus gekozen politici hadden een complexe organisatie tot hun beschikking, een systeem van wederzijdse gunsten, geschenken, legaal of corrupt. Ook de partij-afdelingen waren instituten. In hun eigen district leken politici wel feodale "patronen', gesteund door de plaatselijke partijbazen. Van een dergelijke positie konden ze gemakkelijk misbruik maken. Wie gekozen werd, had de vrije hand in benoemingen van nieuw personeel. De nieuw aangestelde ambtenaren moesten hun dank betuigen door een percentage van hun salaris af te staan aan de partijkas. Dat leidde echter niet tot erosie van het vertrouwen. Zo kan burgemeester Curley van Boston worden herkozen, zodra hij zijn gevangenisstraf had uitgezeten.

In het nieuwe systeem moeten zelfbenoemde kandidaten enorme verkiezingskassen vullen om campagnespots op de televisie te kopen. De bijdragen aan die kassen komen niet van de partij maar van belangengroepen, die door het Congreslid worden gediend. De kieswethervorming van 1978 heeft grenzen gesteld aan dergelijke bijdragen, die bovendien openbaar moeten worden gemaakt.

Maar de belangengroepen hebben een veel effectiever wapen dan de verkiezingsbijdrage: de negatieve campagnespot op de televisie waarmee de politieke tegenstander die een ongewenst standpunt inneemt, zwart kan worden gemaakt. Daarmee wordt het imago van de politiek geschaad, maar de politici en belangengroepen hebben er baat bij. De vuurwapenlobby, de National Rifle Association, is zo'n machtige groep die sommige zittende Congresleden doet huiveren.

Het negatieve beeld van politiek werd nog versterkt door de algemene hervormingsbeweging tegen corruptie, in de jaren zestig begonnen en evenzeer ondersteund door de televisie. Zo werd na het Watergate-schandaal en de hoorzittingen die integraal werden uitgezonden, de financieringsmethode van verkiezingscampagnes onder de loupe genomen en gewijzigd. Er volgden nog talloze “gates”, Koreagate, Billygate, Irangate. Bij het Absca m-schandaal kon de kijker via geheime camera's zien hoe Congresleden zich door vermomde FBI-agenten lieten omkopen. Sindsdien heeft de schandaalindustrie zich gestaag uitgebreid, liefst voor de camera.

Zo groeit het wantrouwen, dat ook te maken heeft met het gevoel dat Amerika Amerika niet meer is: een gevoel van verval.

President Carter herkende het algemene cynisme en was er somber over. Hij werd geïnspireerd door het boek van Cristopher Lasch over de leegte van de individualistische samenleving: The Cultus of Narcissism. President Reagan vermeed dergelijke bespiegelingen. Hij sloeg een zonnige toon aan en straalde nostalgie uit in zijn toespraken over de “bright shining city on the hill”. Gevleid door dergelijke goed uitgevoerde televisietoespraken vertoonden de Amerikanen een kleine optimistische opleving. Het was “morning in America”. De geleende japonnen van Nancy Reagan waren bijna even duur als de gekochte pakjes van miljonairsdochter Jacky Kennedy. Alleen was Nancy niet zo jong als ze eruit wilde zien. Het Irangate-schandaal bood een kijkje achter de decorstukken van het Ronald Reagan. Inmiddels had een krach een einde gemaakt aan het feest op Wall Street.

President Bush kreeg eerst uitstel van ellende, toen de overwinning van de Koude Oorlog werd geratificeerd door de val van de Berlijnse muur. Later volgde de triomf in de Golfoorlog. De generaals hadden geleerd van de Vietnamoorlog en lieten alleen nog beelden van overwinning en succes toe. De lijken werden weggecensureerd. Hier was ook eindelijk een overwinning zonder nieten, in minder dan anderhalve maand. De mensen dromden samen in straten en op pleinen om de militaire optochten te zien. Elke televisiemaatschappij organiseerde een overwinningfeest. Even konden de ontheemden het oude "wijgevoel' uit Roosevelts tijd herbeleven.

Als hoofdpijn na een feest heeft de nationale depressie sinds afgelopen herfst des te scherper teruggeslagen. De economische recessie zingt rond. Voor de camera herhalen de mensen wat ze op de televisie zien. Verslaggevers zeggen dat de consument het geld in deze onzekere tijden liever nog even in de zak houdt. Mensen die voor de televisiecamera ondervraagd worden, antwoorden in dezelfde bewoordingen: “Ik houd het geld liever nog wat in mijn zak, want er is een recessie.”

De malaise moet worden verholpen, maar door wie? De overheid is uitgeschakeld door het cynische denken over de politiek. Op feestjes herhaalt iedereen hoe weinig president Bush doet. Men vreest een val zonder sociaal vangnet. Men vertelt de verhalen over het slechte onderwijs en over de sociale verzekeringen die volstrekt onvoldoende zijn. Maar niemand wenst meer belasting te betalen om dat vangnet te creëren, want de overheid is slecht.

En zo neemt Amerika een modderbad in eigen verdriet.