Een blauw oog met Kerstmis

Op de gang voor het zaaltje van de Rotterdamse politierechter veroorzaakt een dikke man groot tumult.

Het blijkt de verdachte in een onbelangrijk oplichtingszaakje te zijn. Bij de rechter zal hij straks poeslief zijn, maar hier blaast, vloekt en tiert hij tegen de bode. En waarom? Omdat de bode hem zijn naam vraagt. Ten slotte moet de bode de hulp inroepen van vier parketwachten. “Ik laat me niet bedreigen”, zegt hij. Dan zwicht de man. Hij geeft zijn naam op en drukt zelfs onverwacht hartelijk de hand van de bode.

Het rumoer op de gang dringt royaal tot de rechtszaal door, want het is een oud en gehorig gebouw, dat van de Rotterdamse arrondissementsrechtbank. Je herkent het van vroeger, het lijkt op zo'n somber schoolgebouw uit de jaren vijftig, nauwe, donkere gangen, holle geluiden.

Het lijkt de politierechter, mr. J. Schoonaard, niet te hinderen. Vanuit de catacomben dringt af en toe een merkwaardig sirenegeluid tot de zaal door: "Twie-twie-twie'. Maar Schoonaard gaat onverstoorbaar door. Hij is het type van de oudere, ervaren rechter met een zekere autoriteit, die soepel, zonder al te grote afstandelijkheid, met de verdachten omgaat. Zijn vonnissen motiveert hij uitgebreid - wat lang niet zo gebruikelijk is als het lijkt.

Deze morgen verschijnen voor hem een in een blauw complet geklede vrouw van midden dertig en een tien jaar jongere, plompe man. Mevrouw Alink beweert dat zij door meneer Hofstra is mishandeld, en meneer Hofstra beweert dat mevrouw Alink zijn auto heeft beschadigd. Beide beschuldigingen blijken te kloppen.

Op de dag voor Kerstmis 1990 stak mevrouw Alink, aan iedere arm een loodzware boodschappentas (met onder andere een Kersttaart voor haar gezin), een zebrapad over. Het licht was groen, zegt mevrouw. Mijn licht was groen, zegt meneer. Mevrouw liep door, meneer rééd door.

“Gelukkig kon ik nog opzij stappen”, zegt mevrouw, “want hij duwde gewoon door, hij zou me helemaal hebben meegesleurd.” In haar woede hief ze een boodschappentas en sloeg ermee tegen een ruit.

Wat er daarna gebeurde, is opgetekend door een politieagent die het vanuit de verte zag gebeuren. De rechter leest zijn verbaal voor. “Ik zag de auto op het zebradpad staan. De vrouw maakte een beweging alsof ze zich met de voet tegen de achterkant van de auto wilde afzetten. Vervolgens stapte de bestuurder uit. De vrouw liep weg, maar draaide zich na enkele meters om. Ze droeg haar tassen nog. De man sloeg haar vervolgens met gebalde vuist in het gezicht. Ze viel op de grond. Hij ging terug, wilde wegrijden, de vrouw hield het portier vast en liep met de auto mee. Toen gaf ik een stopteken.”

Het is nu bijna een vol jaar geleden, maar mevrouw Alink moet opnieuw in snikken uitbarsten als ze haar verhaal vertelt. “Toen hij uit die auto kwam, dacht ik met mijn stomme hoofd: hij komt zijn excuses maken. Maar toen zag ik dat een andere inzittende allerlei smerige gebaren naar mij maakte. En die chauffeur riep: ,Klerewijf, krijg de kanker!' Hij sloeg me recht in het gezicht, met volle vuist. En daar lag ik, daar lag ik.”

Meneer Hofstra heeft een afwijkende lezing. “Ze zegt rare dingen. Ik heb haar maar licht geraakt. Ze rukte mijn portier open, kwam mijn auto binnen en trok me aan mijn haren. Toen heb ik haar de auto uitgewerkt. Daarna schopte ze tegen mijn auto. Toen ging ik over de rooie en gaf ik haar een klap, wat ik niet had moeten doen.”

“Ik had twee zware tassen vast”, zegt mevrouw Alink, “hoe kan ik dan in een auto vechten?”

De rechter vraagt meneer Hofstra waarom hij zoveel haast had op dat zebrapad. “Effe die voetganger opjagen, hè?”

“Nou ja. Ze stak tergend langzaam over.”

“Ze moeten de automobilist niet ophouden, nietwaar”, zegt de rechter. “Ik begrijp de gedachtengang, althans, ik begrijp wat u bezielde.”

Mevrouw Alink laat zich bijstaan door een advocate, mr. Everts, meneer Hofstra knapt het alleen op. Everts wijst erop welke nare gevolgen het incident voor haar cliënt heeft gehad. Eerst de materiële schade: een kapot horloge, een verloren oorbel, dokterskosten, want mevrouw had een enorm blauw oog waarmee ze veertien dagen heeft rondgelopen. Totaal: 1.117 gulden. Dan de immateriële schade: verknalde Kerstdagen; hoofdpijnen sindsdien bij mevrouw.

“Het is allemaal buitengewoon onverkwikkelijk”, meent de officier van justitie, mr. R. Duindam. “Hun verhalen passen eigenlijk wel in elkaar. Wie er door rood of groen ging, weten we niet, maar dat doet er ook niet toe. Vaststaat dat meneer Hofstra vond dat mevrouw Alink niet snel genoeg overstak. Zijn reactie is niet te tolereren. Zij is geschokt geweest door zijn gedrag en heeft wellicht een klap op zijn ruit gegeven - wat ik me kan voorstellen. Ik acht beide feiten bewezen. Haar wil ik schuldig verklaren zonder strafoplegging. Bij hem ligt het anders. Een boom van een vent die een frêle vrouw zo'n dreun geeft - dat deugt niet. Ik eis 2.000 gulden boete, geheel voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarde dat hij mevrouw Alink 1.500 gulden betaalt.”

“Dus als ik het goed begrijp”, zegt meneer Hofstra, “dan moet ik betalen omdat ik een boom van een vent ben.”

“Bij u was het wangedrag”, zegt de rechter droog, “bij mevrouw een gebrek aan beheersing. Helaas krijg ik op iedere zitting met dit soort trammelantzaken in het verkeer te maken. Als al die situaties met geweld worden opgelost, zijn de gevolgen onafzienbaar. Meneer had niet mogen doorrijden en met het slaan ging hij alle perken te buiten. Maar voor mevrouw heb ik minder begrip dan de officier. U had zich niet zo moeten ergeren aan dit rijgedrag. Ik verklaar u schuldig, maar ik leg u geen straf op.”

Dan kijkt de rechter alleen meneer Hofstra aan en zegt: “Er zijn er altijd twee die fout zijn in zo'n zaak. Dus om de een dan nul te geven en de ander honderd - dat vind ik niet goed. U krijgt 2.000 gulden voorwaardelijk, en u moet mevrouw een bedrag van 1.000 gulden overmaken. Kunt u dat in vier of vijf maanden betalen?”

“Liever vijf.”

“Oké. Het bewijs van betaling stuurt u op aan de officier - anders moet u 2.000 gulden betalen. Gaat u in hoger beroep?”

“Daar wil ik over nadenken”, zegt meneer Hofstra, zichtbaar ontevreden.

Om redenen van privacy zijn de namen van de betrokkenen gefingeerd, of weggelaten, uitgezonderd de namen van de rechter, de officier van justitie en de advocaat.