Demografen lijden aan gebrekkig historisch besef

Bij mijn weten werd er in 1891 geen enkel congres gewijd aan de vraag hoe de toekomstige bevolkingsontwikkeling in Europa zou zijn. Het is niettemin een interessante exercitie na te gaan tot welke conclusies toenmalige geleerden zouden zijn gekomen. Waarschijnlijk zou men op een dergelijk congres een grote mate van bezorgdheid hebben tentoongespreid.

In dat laatste kwart van de negentiende eeuw immers werd alom zichtbaar dat een evenwichtssysteem, dat eeuwenlang had gefunctioneerd, ten grave werd gedragen. Beginnend in de lagere sociale groepen werd er opmerkelijk veel getrouwd en bovendien op aanzienlijk lagere leeftijd dan tevoren. Toch had men sinds de Middeleeuwen de bevolkingsomvang kunnen reguleren door huwelijksbeperking. Mensen huwden op late leeftijd (omstreeks het dertigste jaar) en een aanzienlijk deel van de bevolking bleef permanent celibatair. Op die wijze was de spanning tussen de grootte van de bevolking en de bestaansmiddelen niet helemaal weggenomen, maar toch zeker afgezwakt. Weliswaar was eind negentiende eeuw ook het aarzelende begin van geboortenbeperking binnen het huwelijk merkbaar, maar die vernieuwing kon vooralsnog zeker geen soelaas bieden voor het opheffen van de huwelijksbeperking. De prognoses op het denkbeeldige congres zouden derhalve wijzen op de nadering van een grote malthusiaanse ramp als gevolg van onbeheersbare overbevolking.

Hoe anders is de werkelijkheid gebleken. Een eeuw later kan men de demografische situatie van (noord-west) Europa kenschetsen met twee sleutelwoorden: ontgroening en vergrijzing. Niet overbevolking, maar een afname van de bevolking en dan met name het actieve deel daarvan, vormt de grootste zorg voor tegenwoordige beleidsbepalers.

Bij mijn weten werden er in 1991 ten minste twee congressen gehouden over de demografische ontwikkeling in heden en toekomst. Vorige maand kwamen enkele honderden wetenschappers, ambtenaren en politici bijeen in Luxemburg om van gedachten te wisselen over "Human resources at the dawn of the 21th century'. De Nederlandse demografische situatie werd op 17 december onder de loep genomen onder de titel "De demografische uitdaging. Over aspecten van de bevolkingsproblematiek in Nederland en Europa'. Wie de twee bijeenkomsten heeft meegemaakt, is zeker onder de indruk gekomen van de grote expertise die er van vele kanten werd ge√ętaleerd.

Alle bewondering voor de gedegen onderzoeken en presentaties ten spijt, er is ook een gebrek in de beschouwingen aan te wijzen: het lijkt de demografen te zijn ontgaan dat er ook voor 1965 gehuwd werd en dat men zich in dat grijze verleden zelfs voortplantte. In de geboden analyses gaat men immers zelden verder terug dan tot dit jaar. Hier wreekt zich het gebrek aan historisch besef dat kenmerkend is voor veel sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Toch kan het net bij bestudering van demografische ontwikkelingen nuttig zijn te rade te gaan bij de historische wortels van de huidige situatie. Het collectieve geheugen speelt een belangrijke, zij het vaak onbewuste, rol in het gedrag van de moderne samenlevingen. Het opsporen en verklaren van deze onderstroom zou de basis moeten vormen voor elke demografische analyse.

Dat we inderdaad te maken hebben met lange-termijnprocessen moge blijken uit het volgende. Vruchtbaarheidsdaling is niet nieuw. Die begon in ons land al vanaf 1890, zij het met een korte onderbreking na de Tweede Wereldoorlog. Het percentage 65-plussers daarentegen stijgt structureel vanaf 1925. Hoe is het dan mogelijk dat de termen "ontgroening en vergrijzing' pas recent ingang hebben gevonden?

Demografen wijzen erop dat er na 1965 sprake is van een aantal nieuwe fenomenen: het huwelijk heeft zijn aantrekkingskracht verloren en er is een imponerende toename van het aantal echtscheidingen en het ongehuwd samenwonen. De reden daarvoor zoekt men in een toegenomen individualisme. Die geestesgesteldheid is niet nieuw, maar wel de vorm waarin ze gestalte krijgt. Zoals hierboven beschreven ontworstelden de inwoners van Europa zich eind negentiende eeuw aan een rigide maatschappelijk systeem, dat hun deelname aan het seksuele verkeer (tijdelijk) verbood. Een toenemende secularisatie en individualisering erodeerden dit systeem en men trouwde massaal en jong, aangezien het huwelijk in die tijd de enige legitimatie voor seksualiteit bood.

De liberalisering van de seksuele moraal heeft er intussen toe geleid dat het huwelijk deze legitimerende functie verloren heeft. Binnen de nieuwe relaties is er bovendien weinig veranderd; men koestert dezelfde wensen en verwachtingen als de vroegere echtparen. Het toenemend aantal geboorten binnen deze samenlevingsvormen wijst ook in die richting. Oude wijn in nieuwe zakken dus. De basis voor dit "nieuwe' gedrag ligt dan ook niet in de ten onrechte als revolutionair bestempelde jaren zestig, maar eind vorige eeuw. Voor het onderzoek heeft dit belangrijke consequenties.

Een andere bijdrage uit de historische hoek kan geleverd worden bij de evaluatie van demografische prognoses uit het verleden. Het is opmerkelijk dat men noch de baby-boom uit de jaren na 1945, noch de hernieuwde daling van de vruchtbaarheid in de jaren vanaf 1960 heeft voorspeld. Sterker nog, in Nederland werd in 1972 de commissie-Muntendam ingesteld, die de opdracht meekreeg te onderzoeken hoe de te verwachten overbevolking moest worden voorkomen. Net in dat jaar bereikte de al een eeuw dalende vruchtbaarheid het peil waarbeneden van bevolkingsdaling sprake zou zijn. De na-oorlogse geboortengolf had de aandacht afgeleid van het feit dat de vruchtbaarheid al sedert de eeuwwisseling daalde en slechts tijdelijk onderbroken was. Een onderzoek naar de reden waarom, hoe en bij wie dit gebrek aan historisch besef tot een verkeerde inschatting van de situatie heeft geleid, zou uitermate zinvol zijn. Directe lessen uit het verleden zijn weliswaar niet te trekken, maar huidige onderzoekers zouden de valkuilen waarin hun voorgangers vielen, wellicht eerder kunnen onderkennen.

Niet bekend