De kloof tussen realiteit en emotie

De bestuurders van toen dachten in blokken, in statische categorieën. Het is een denkwijze die men nog steeds overal kan aantreffen, bij politici, maar ook bij wetenschappers en journalisten: een werkelijkheid die zoveel mogelijk naar het eigen beeld wordt herschapen om de illusie te handhaven dat problemen hanteerbaar en oplosbaar zijn.

Op dinsdagochtend 12 november, 's ochtends om half negen, zag ik aan de Kloveniersburgwal, voor de deur van nummer 84, voor het eerst een naakte vrouw op straat. Er hing een natte, koude nevel en ze was zich aan het omkleden. Haar oude kleren lagen op een hoopje op de stoep en ze was bezig iets nieuws uit een vuilniszak te halen. Ze was misschien een jaar of vijfendertig, en het rood van haar handen en haar gezicht stak af tegen de blankheid van de rest van haar lichaam. Mager was ze niet, maar dik evenmin. Haar haar hing los over de rug, boven haar billen had ze kleine kuiltjes en in al hun kwetsbaarheid stonden haar kleine voeten rustig en stevig op de natte straatstenen, alsof de stad haar slaapkamer was.

Er kwam een tiental mensen voorbij, op weg naar hun werk of naar school. Niemand keek op of om.

Een goede stad zit als een oude jas om je heen. Het is een huis, het is de natuurlijke voortzetting van de concentrische cirkels van intimiteit en vertrouwdheid die ons omringen: het eigen bed, de kamer, de warmte van de woning. Cynisme is thuisloosheid van de geest. Het is een streven naar naakte oprechtheid, maar in de praktijk is het maar al te vaak slechts de keerzijde van te hoog gespannen verwachtingen, onwerkelijke beelden, de verzuurde afscheiding van de teleurgestelde idealist. Steden en cynisme samen vormen een muur waarachter steeds meer burgers zich maar al te gemakkelijk verschuilen, nu de stad voor hen geen huis meer is.

Laten we het tafereel op die ochtend aan de Kloveniersburgwal nog eens nader bekijken. Op het oog gebeurden er twee dingen: een vrouw deed alsof haar omgeving niet bestond, en de omgeving negeerde, op haar beurt, de vrouw. Dat was het oppervlakkige beeld van deze scène. Maar wat was de werkelijkheid? Waarschijnlijk had de vrouw elk contact met haar omgeving verloren - hoewel de kans wel degelijk aanwezig is dat ze zich bewust was van haar uiterste schamelheid. Maar tegelijk deed ze impliciet op haar omgeving zo'n veelomvattend en gênant beroep dat de mensen letterlijk om haar heenkeken. Hun gevoel van gêne kwam in wezen voort uit de onbeheersbaarheid van de situatie, vooral op emotioneel gebied. Daar ligt het begin van het proces dat we in de wandeling cynisme noemen.

Cynisme is een algemene grondhouding, is een moderne stad. Een stad levert een dermate grote chaos aan indrukken dat degene die daar enigszins prettig wil leven veel daarvan puur zintuigelijk moet buitensluiten. Alleen door niet teveel te horen en te zien kan het bestaan op emotioneel niveau nog enigzins aangenaam gemaakt worden. Dat geldt voor de voorbijgangers op straat, maar evenzeer voor politici en stadsbestuurders.

In deze zelfde donkere, natte maanden - om precies te zijn, op vrijdag 13 december - was het exact een kwart eeuw geleden dat de eerste paal geslagen werd voor een van de meest besproken wijken van Nederland: de Bijlmermeer. Een grootscheepse herdenking is het niet geworden. In 1966 was de wijk opgezet als futuristische utopie voor de bewoners van de kleine, donkere woninkjes in de Pijp en de Jordaan. Het had de kroon moeten worden op de Amsterdamse stedebouwkundige traditie die onder Berlage en Wibaut was ingezet, het hoogtepunt van de maakbaarheid van stad en samenleving. Nu, 25 jaar later, wordt er in de Amsterdamse gemeenteraad serieus over gepraat om de boel gedeeltelijk af te breken.

De oorspronkelijke Bijlmer was, achteraf gezien, een typische maquettewijk: vooral uit de lucht en vanaf de tekentafel zag het er prachtig uit. Er zijn in diezelfde jaren meer van dit soort wijken gebouwd - Ommoord bij Rotterdam, Overvecht bij Utrecht - en wie erdoorheen loopt of de plattegrond bekijkt, kan nog steeds zonder moeite de beelden reconstrueren die de toenmalige ontwerpers en bestuurders van het leven hadden. Ze hadden een bestaan voor ogen dat samengevat kon worden in acht trefwoorden: wonen, gezinnen, elders werken, auto, winkels, scholen-ziekenhuizen, recreatie, groen. En daarom ging het mis.

De Bijlmer was het produkt van een manier van denken waarbij de werkelijkheid vervangen was door beelden van de werkelijkheid. De bestuurders van toen dachten in blokken, in statische categorieën, in termen van wonen, werken en recreëren, alsof er in een mensenleven nooit iets anders kan gebeuren en er niets meer tussen hemel en aarde bestaat. Het is een denkwijze die men nog steeds overal kan aantreffen, bij politici, maar ook bij wetenschappers en journalisten: een werkelijkheid die zoveel mogelijk naar het eigen beeld wordt herschapen om de illusie te handhaven dat problemen hanteerbaar en oplosbaar zijn.

Cynisme is het scheppen van een kloof tussen realiteit en emotie. Vaak kan dat niet anders. Men kan geen beleid maken zonder te abstraheren, zonder de band tussen werkelijkheid, ethiek en gevoelens regelmatig geweld aan te doen. Het werkelijke probleem begint echter pas als uit het oog verloren wordt dát men abstraheert, en dat de politieke en bestuurlijke werkelijkheid een kunstmatige werkelijkheid is. Iedere rukwind van de straat kan een ideaalbeeld omver doen waaien en zo zijn heel wat cynische ambtenaren en politici geboren.

Waarom gaat een mens in beelden denken? Om de chaos van de werkelijkheid te bedwingen, maar ook om eraan te kunnen ontsnappen. De organisaties waarbinnen de meeste beleidsmakers werken, steunen hen daarin. Ambtenaren, bestuurders en politici worden niet alleen getraind in het abstraheren, maar ook in het zich afsluiten van gevoelens. In een jarenlang, grotendeels onbewust proces leren ze zo als het ware om om een naakte vrouw op straat heen te kijken.

Veel bestuurders dwalen rond in een labyrint van eigengemaakte beelden - het citaat is van de Utrechtse hoogleraar bestuurskunde Idenburg. Door de snelle maatschappelijke veranderingen slagen ze er volgens hem niet in om hun beelden voldoende aan te passen. Idenburg: “De paradox van deze tijd is dat we in alle objectiviteit kunnen zeggen dat we het nog nooit zo goed hebben gehad, maar dat velen haar toch als een crisis ervaren. Dat komt omdat de beelden van gisteren hun zin en toekomstwaarde verloren hebben, maar de nieuwe zekerheden nog op zich laten wachten.”

De gevolgen van deze "crisis in beelden' zijn volgens Idenburg aan alle kanten merkbaar. Er ontstaat een gevoel van zinloosheid, een neiging tot nostalgie en een verzet tegen verandering: mensen kunnen hun verouderde beelden niet achter zich laten zonder de zekerheid van het nieuwe. Bovendien leidt de snelle veroudering van kennis tot achterstanden in de besluitvorming: we reageren op gegevens die niet echt belangrijk meer zijn, maar we hebben geen tijd om de signalen van nieuwe ontwikkelingen op te vangen. Idenburg vraagt zich in dit verband af of "we' - en hij bedoelt daarmee de bestuurders - nog wel goed kijken. “Dreigen we niet elk onze eigen psychische gevangenis te maken?”

Rond de grote steden en hun problemen bestaan er uiteraard voorbeelden te over van dit soort "psychische gevangenissen'. Zo is er de gevangenis van de ontkenning. Op dit moment slapen er bijvoorbeeld in de hoofdstad honderden, zo niet duizenden mensen in de kou op straat. Officiële shelters, zoals iedere wereldstad die kent, zijn er in Amsterdam niet. De daklozenopvang heeft slechts enkele honderden slaapplaatsen, oude kraakpanden zijn er vrijwel niet meer, de metrostations zijn afgesloten, en na 1 januari worden ook de krotten en de caravans van de stadsnomaden aangepakt. Waar moeten al die zwervers, illegalen en psychiatrische patiënten heen? Oplossen in de lucht?

Dan is er de gevangenis van de moedeloosheid. Na de overmacht van de bureaucratie lijken veel steden nu naar het andere uiterste te zijn doorgeslagen. "Burocrat bashing' is de grote mode, en ambtenaren kunnen alleen nog maar praten over output, efficiency en rendement. Politici en bestuurders zijn bang voor zichzelf geworden. De eigenheid van de overheid als democratische organisatie, de zorgvuldigheid en de rechtsbescherming die een goede bureaucratie biedt, de eigen verantwoordelijkheid van de overheid, het wordt overschreeuwd door de arrogantie van de markt.

Vervolgens kennen we de gevangenis van de angst. Bijvoorbeeld voor de klassieke "horden die komen'. Hoewel de percentages vluchtelingen en immigranten in Nederland, in vergelijking met andere Europese landen, nog altijd opvallend laag zijn groeit de roep om harde juridische maatregelen. Daarbij is men zelfs bereid humanitaire waarden op te offeren - dezelfde waarden die men juist zegt te willen verdedigen. Maar tegelijk schroomt de Haagse bureaucratie niet om in de buurten waar de problemen zich concentreren, de stadsvernieuwing af te bouwen en de sociale vernieuwing op de klippen te laten lopen.

En daartegenover staat dan weer de gevangenis van de nostalgie. Veel progressieve politici lijken, als ze bijvoorbeeld over sociale vernieuwing praten, nog altijd de jaren vijftig voor ogen te hebben: de buurt als dorp, waar blank en bruin genoegelijk samenwonen. Dat beeld van stabiliteit en harmonie is in nogal wat stadswijken een illusie. De verhuisfrekwenties in de grote steden zijn zo hoog dat een stad als Amsterdam in demografisch opzicht meer lijkt op een rondtollend schip van Prikkebeen. “De multiculturele samenleving is hard, snel, wreed en weinig solidair”, waarschuwden Daniel Cohn-Bendit en Thomas Schmid onlangs in Die Zeit. “Het is schipperen tussen krachten die binden en krachten die scheiden. Daarom is het zo belangrijk dat zij zich spelregels oplegt.” De angst voor het vreemde hoort nu eenmaal bij het menselijk gedrag. Wie de agressie die dat teweeg kan brengen ontkent, omdat het niet in zijn wereldbeeld past, zal er ook nooit een goede barrière tegen kunnen opwerpen.

Het leven in beelden betekent het zich onttrekken aan bepaalde verantwoordelijkheden. Men kan dat cynisme noemen, of iets anders. De socioloog Merton stelde jaren geleden al vast dat, wanneer een groep haar doeleinden verliest, zij de neiging krijgt om te gaan zwabberen en uiteen te vallen. Hij duidde die situatie aan met "anomie'. In een bestuurscultuur, waarin - mede onder druk van de bezuinigingen - steeds sterker de nadruk wordt gelegd op middelen, technieken en procedures terwijl de doeleinden steeds minder helder en concreet zijn, kan eenzelfde anomie ontstaan. De Nederlandse socioloog Zijderveld spreekt in dit verband over een "retreatisme', dat de hele samenleving doordrenkt, nu allerlei echte waarden steeds vager en abstracter zijn geworden: “Doorgaans willen mensen meer dan efficiency, doelmatigheid en succes, zoeken zij - ouderwets geformuleerd - naar waarden als schoonheid, eerlijkheid, eer en waardigheid.”

Daarbij komt nog iets anders. De paradox van deze jaren is dat het hier- en-nu en het laissez faire de grote mode's zijn, terwijl de enorme problemen, waar van de schaduwen nu al aan de horizon zichtbaar zijn, schreeuwen om sturing en lange termijnplanning. De falikante mislukking van de socialistische utopie mag in sommige opzichten een zegen zijn, het is ook een drama waarvan de draagwijdte nog niet voldoende wordt onderkend. Het kernprobleem dat in het oostblok in alle hardheid naar voren trad, sluimert immers ook in het westen: dat een samenleving slechts in zeer beperkte mate maakbaar en stuurbaar blijkt te zijn. Ook onze politieke cultuur ging daar, impliciet, voor een belangrijk deel van uit. En meer dan ooit is juist nu die sturing nodig. Niet om dromen te verwezenlijken, maar puur om te overleven.

Nu die illusie ineenstort, resten slechts twee mogelijkheden: vluchten in cynisme en in nieuwe beelden, of de werkelijkheid zo goed mogelijk onder ogen zien en redden wat er te redden valt.

Het is een merkwaardig decennium dat nu zolangzamerhand zijn einde vindt. Het waren jaren waarin, vooral in de grote steden, consumptie, groei en succes de trend zetten en de "normale' levenswijze er een was, die iedere verantwoordelijkheid naar de toekomst ontkende. De stad was een huis waarvan de muren scheurden, maar waarbij iedereen zich gedroeg alsof er niets aan de hand was. Dat tij begint te keren. “Ik denk dat iedere cirkel, ieder aspect van het menselijke huis in zijn waarde moet worden gelaten”, zei de schrijver-president Vaclav Havel in een toespraak tijdens zijn Amerikaanse rondreis in oktober. “Het heeft geen zin om één aspect met geweld buiten te sluiten omwille van een ander, niets en niemand kan als minder belangrijk of inferieur beschouwd worden. Allen zijn onderdeel van onze natuurlijke omgeving, en een goed georganiseerde samenleving heeft de taak allen te respecteren en de kans te geven zich te ontplooien.”

Zo zijn alle gedeelten van ons huis, de stad, een onafscheidelijk deel van onszelf - of we dat willen of niet. Zonder al die delen zou de stad geen stad meer zijn, en wij zouden onze menselijkheid verliezen.