Controle heeft jarenlang gefaald

Het eerste eigen huis van de nieuwe Optiebeurs in 1978 was een markante zaal in de naast moeder Effectenbeurs gelegen Koopmansbeurs, een van de meest indrukwekkende gebouwen van Amsterdam.

De huizen van moeder en kind waren op de eerste verdieping met elkaar verbonden door een navelstrengachtige glazen doorloop op de eerste verdieping, dwars over de Beursstraat. Toen al was die nauwe sleuf tussen goed en kwaad (zei men bij de beurs) voor het dagelijkse beursverkeer gesloten. Slechts bij hoge uitzondering ging de deur even open, op een kier. Wèl liep door die handige verbinding een dun kabeltje dat de computer van de Optiebeurs verbond met een paar verdekt opgestelde beeldschermen bij de Effectenbeurs. Wie maalt er om goed of kwaad wanneer er iets te verdienen valt?

In de jaren 1986-1987 groeide de optiebeurs uit de te krappe zaal en liet een eigentijds gebouw aan het Rokin neerzetten, gevuld met computers goed voor het verwerken van 200 duizend opties gemiddeld per dag en een piek van 500 duizend opties. Dat zijn door optimistische bestuurders neergelegde grenzen, want de gemiddelde dagomzet in het krachjaar 1987 was tegen de 45 duizend contracten en de hoogste omzet bedroeg 142 duizend stuks. Het bestuur moet toen iets over het hoofd gezien hebben, want het nieuwe gebouw voldoet al na enige jaren niet meer aan de gangbare eisen en wensen.

De beursdirectie komt in zijnrapport "Een optie op de Toekomst' tot de conclusie dat, uit kostenoverwegingen, de handel via een systeem van beeldschermen de voorkeur verdient boven de huidige centrale beursvloer met handelaren en uitvoerders van orders van beleggers. Een snelle verandering van zienswijze, want een half jaar geleden verklaarde Ulf Doornbos, de nieuwe directeur van de Optiebeurs N.V., in het Financieele Dagblad nog dat de schermenhandel uit den boze is voor de Optiebeurs.

De samenstellers van het rapport geven op tweehonderd punten een oordeel over vloerhandel, schermen, een gemengd systeem en de overgang naar een ander wijze van handelen. Waarom moeten beleggers of anderen een oordeel geven over dat plan? Is het niet, net als het nieuwe gebouw, een zaak van de Optiebeursvereniging? Geen buitenstaander bemoeide zich in 1987 met de inrichting van dat gebouw. Waarom nu wel?

Er zijn een paar redenen aan te geven waarom dit voorstel wel voor beleggers van belang is. Bij voorbeeld de volgende. De nadelen van de vloerhandel zijn: groepsvorming bij handelaren, discriminatie van collega's, vriendjespolitiek, intimidatie door sterke beurspartijen en het onlogisch (vergeleken met de beweging van de onderliggende waarde) stellen van bied-en laatprijzen door handelaren.

Dat zijn ook zaken waar beleggers, banken en commissionairs al jaren over mopperen. Nu geeft de beurs in verdekte termen toe dat die kritiek terecht is. De directie steekt de hand in eigen boezem, want het is immers de taak van het personeel om het doen en laten op de vloer te controleren, om beleggers te beschermen. Waarom is dat dan niet gebeurd? Kennelijk is dit niet te regelen. Dan hef je de vloer op, stelt het rapport min of meer. Dat lijkt op een minister van verkeer die alle wegen sluit, omdat hij geen raad meer weet met snelheidsduivels, files, ongelukken, doden en gewonden.

Op zich is het wel juist wat de beurs voorstelt, maar je weet niet welke nieuwe overtredingen er voor in de plaats komen. De operationele schermenbeurzen in het buitenland werken pas een paar jaar en degene die weet hoe je zo'n markt moet bespelen, zal dat niet aan de grote klok hangen. Het duurt jaren voordat controleurs de trucs ontdekken.

Ook op het punt van de kosten mogen beleggers zich met de gang van zaken bemoeien. De beurs veegt de eigen vloer schoon en kan niet becijferen op welke kosten effectenbemiddelaars komen te zitten. Die kosten moeten op de een of andere manier door beleggers betaald worden. De beurs lijkt op het bestuur van een grote stad met een centrale markt voor drugverslaafden en dealers, die veel politietoezicht en andere inzet vergt. Een dure zaak. Om dat op te lossen sluit men de buurt hermetisch af. Gevolg: de markt verspreidt zich over andere buurten en vergt daar een veelvoud van de oorspronkelijke kosten.

De beurs zou een brede discussie over haar plannen moeten organiseren en de beslissing niet moeten willen forceren. In zo'n bezinning moet je ook praten over nieuwe produkten. Je kan de toekomst van een optiewwinkel niet los zien van de koopwaar, want daar komt het publiek op af. Als het beursweer tenminste meezit.