Alles kan altijd weer anders

Dat ouders tegenwoordig hun kinderen weer leren met mes en vork te eten en in gezelschap van volwassenen niet het hoogste woord te voeren bevalt mij wel, maar ik weet niet of dat een groeiende bekommernis is om normen en waarden of dat duidelijk is geworden dat het prettig - in ieder geval minder hinderlijk - is als kinderen zich aan sociale gedragsregels houden.

Cynisme en het grootbrengen van kinderen zijn verschijnselen die elkaar maar moeilijk verdragen. Misschien dat echte cynici zich er ook niet aan wagen en dat, mocht het ouderschap hen toch toevallen, zij hun cynisme kunnen laten varen.

Kinderen grootbrengen doe je in het algemeen vanuit een optimisme tegen beter weten in. Je weet wel dat de wereld niet voor veel verbetering vatbaar is, maar je kinderen blijf je toch zachtjes in een bepaalde richting duwen van de normen en waarden waarin je zelf gelooft. “In zekere zin is iedere ouder een onderzoeker, die zijn persoonlijke inzichten over mensen probeert te toetsen aan zijn kinderen”, heeft de bekende Amerikaanse kinderpsycholoog Kagan eens geschreven. Ik vind dat een aardige manier van zeggen. Je probeert je kinderen een beetje naar je eigen ideaalbeeld te vormen en daarin nemen - als je geen cynicus bent - normen en waarden een belangrijke plaats in.

Kinderen hebben ook behoefte aan opvoeders die ergens voor stáán. Het geeft hun eigen grootgroeien perspectief. Je kunt je dan optrekken aan het zelfvertrouwen en de kracht van volwassenen om je heen. Dat geeft het optimistische houvast dat je later net zo zult weten wat je moet doen. Dat dat vervolgens later kan tegenvallen is niet zo belangrijk. De paradox is, dat je juist door dat kinderlijk optimisme zo stevig bent geworden dat je daar wel tegen kunt.

Is ten aanzien van het bijbrengen van normen en waarden veel veranderd in de laatste vijfentwintig jaar? Ik aarzel daar "ja' op te zeggen. Even heeft het er misschien op geleken dat in de tweede helft van de jaren zestig, eerste helft jaren zeventig, ouders hun jonge kinderen niet meer wilden vormen. Men noemde dat toen "anti-autoritair opvoeden', maar met cynisme had dat niets te maken. Een enkeling beriep zich daarbij op Rousseau, die om voor mij nog steeds onbegrijpelijke redenen stelde dat een kind van nature aanvoelt wat het goede is om te doen en wat het slechte om na te laten. Door de omgang met volwassenen zou een kind volgens hem dit natuurlijke gevoel verliezen, in zekere zin besmet worden met het kwade. Volwassenen nemen - met andere woorden - een kind zijn oorspronkelijke goedheid af. Reden dus om zo min mogelijk in de kinderlijke ontwikkeling in te grijpen en slechts de zelfontplooiïng zijn gang te laten gaan. Sommige anti-autoritaire opvoeders hebben uit oprechte overtuiging geprobeerd dit in praktijk te brengen. De meeste trokken hun handen echter uit gemakzucht van hun kinderen af en gebruikten de ideologie alleen als fraaie vlag.

Deze opvatting over de rol van opvoeders heeft uiteindelijk weinig invloed gehad. In de meeste gezinnen bleven de ouders zich zeer verantwoordelijk voelen voor hun kinderen en probeerden zij hen juist misschien wel bewuster, opzettelijker dan voorheen normen en waarden bij te brengen. Dat kwam wellicht doordat men inmiddels door de anticonceptiepil voor een klein kindertal kon kiezen dat alle aandacht kon krijgen. En voor die paar nakomelingen voelde men zich dan ook zeer verantwoordelijk, want men had er bewust voor gekozen. Het zegt wel iets dat in diezelfde jaren een tijdschrift als Ouders van Nu met succes werd opgericht en dat daarin en daaromheen ouders met grote overgave met elkaar discussieerden over hun eigen invloed en hoe die naar beste weten aan te wenden.

Dit is maar één voorbeeld van allerlei ouderinitiatieven uit die tijd. De tijdelijke opleving van ouderparticipatie in scholen is een ander, evenals de actie voor meer ouderbezoek voor kinderen in ziekenhuizen. Ouders lieten hun kinderen helemaal niet waaien, probeerden alleen via zelfkritiek wat meer zicht te krijgen op wat werkelijk belangrijk was om over te dragen en wat slechts onnutte ballast. Dat was soms een pijnlijk proces, omdat iedere weldenkende volwassene in die jaren aan het aftasten was waar het verschil lag tussen essentiële waarde en uitgeholde conventie. Als je dan tegelijkertijd ook nog eens moest denken aan wat je je kinderen wel en niet wilde bijbrengen was dat een heel gedoe. Ik heb daar echter nooit cynisme in geproefd.

Dat ouders tegenwoordig hun kinderen weer leren met mes en vork te eten en in gezelschap van volwassenen niet het hoogste woord te voeren bevalt mij wel, maar ik weet niet of dat een groeiende bekommernis is om normen en waarden of dat duidelijk is geworden dat het prettig - in ieder geval minder hinderlijk - is als kinderen zich aan sociale gedragsregels houden.

Ik zou me integendeel kunnen voorstellen dat het vergeleken met bijvoorbeeld de jaren zeventig nu moeilijker is om te zorgen dat je kinderen zich normen en waarden eigen maken.

Wil een kind ze kunnen internaliseren tot een eigen ideaalbeeld dan moet er sprake zijn van een sterke emotionele betrokkenheid op de volwassenen met wie hij leeft. In het traditionele gezin bestond die ook meestal tussen ouders en kinderen. Een wij-gevoel, waarbij men zich vooral geen romantische voorstelling moet maken. Het ging om de verbondenheid als zodanig, niet om vreugdevolle verbondenheid. Mooi beschreven is dat door Renate Rubinstein in haar kinderherinneringen in Niets te verliezen en toch bang. Zij logeerde als kind alleen bij vreemde mensen en schrijft daarover: “Heimwee, heimwee, heimwee. Als je bedenkt hoe zelden mijn vader thuis en mijn moeder aardig was en hoezeer de omgang tussen de drie schatten van kinderen zich beperkte tot kibbellen, vraag je je toch af waarnaar in 's hemelsnaam zo werd terugverlangd.”

Waarschijnlijk naar het vertrouwde nest, waar je gedachteloos je gang kon gaan, omdat je nu eenmaal toch bij elkaar hoorde, wat er ook gebeurde. Dat vanzelfsprekende wij-gevoel zal in het traditionele gezin de belangrijkste voedingsbodem zijn geweest voor identificatie met de ouders en het overnemen van de normen en waarden van het milieu.

De vraag is of een dergelijke overdracht ook lukt in de lossere samenlevingsverbanden en gezinsvormen waartoe men tegenwoordig is geneigd. Te meer daar ook de sociale systemen rondom gezinnen en andere leefvormen zo veel heterogener zijn geworden en geen eenduidig normen- en waardenpatroon aan de opgroeiende kinderen laten zien. Voorheen werden de waarden van het gezin gedeeld door de omgeving. Uiteraard brachten individuele karakters van gezinsleden variaties aan, maar het basispatroon lag in ieder milieu vast. Of het nu proletarisch, burgerlijk of van adel was. Het dagelijks leven was normatief gezien tamelijk homogeen, overzichtelijk en voorspelbaar. De ideaalbeelden lagen duidelijk en dat ondersteunde de ouders in de overdracht van normen en waarden.

Van die homogene sociale systemen is natuurlijk weinig meer over. Er is geen homogene levenssfeer meer. De welvaart die het reizen heeft mogelijk gemaakt en de televisie die de hele wereld registreert, hebben mensen doen inzien dat alles ook altijd weer anders kan, anders hoort, anders moet. Heterogeniteit is standaard geworden en de daarmee gepaard gaande keuzemogelijkheden vormen een nieuwe levensopgave. Dat wil niet zeggen dat ouders niet net als altijd beelden voor ogen hebben van wat ze aan hun kinderen willen doorgeven. Alleen dat de culturele omstandigheden dat moeilijker maken.