"Oude socialisten' over de toestand van de sociaal-democratie; Kok mist de bezieling van Drees

1991 was een moeilijk jaar voor de PvdA. De commotie over de WAO en de Tussenbalans doorwoelden alle partijgeledingen. Partijvoorzitter Sint trad af en partijleider Kok moest tijdens een speciaal congres de vertrouwensvraag stellen. In maart congresseert de PvdA weer, dan zal zij een nieuwe voorzitter kiezen en zich uitspreken over de toekomst van het sociale zekerheidsstelsel. Na een jarenlange kuur in de oppositie regeert de PvdA. Kok houdt de financiële teugels strak, zoals Drees in de jaren '50. Velen vergelijken Kok daarom graag met Drees, de sobere partijleider die hield van sluitende begrotingen.

De PvdA staat in de opiniepeilingen nog op de helft van het huidige aantal Kamerzetels. Leden lopen in groten getale weg. In de partijafdelingen heerst somberheid en uitzichtloosheid. Afdelingsvoorzitters weten niet meer wat ze trouwe partijleden moeten zeggen. De traditionele aanhang stemt niet meer, jongeren zoeken hun heil bij D66. Bij de PvdA is de desillusie aan de macht.

Sommige partijleden zoeken troost in de PvdA-geschiedenis van de jaren '50 toen Drees de PvdA in soberheid leidde en regeringsverantwoordelijkheid vanzelfsprekend was. De zuinigheid van Drees stond de verkiezingsoverwinningen niet in de weg stond. Waarom zou het dan nu anders zijn?

Is Wim Kok de nieuwe Willem Drees? Een rondgang langs een aantal socialisten die zich Drees nog levendig kunnen herinneren en die ook de ontwikkelingen van nu nog scherp volgen, leert anders. Al zien het echtpaar Thomassen (80 en 82 jaar oud), de vroegere PvdA-fractievoorzitter jonkheer M. van der Goes van Naters (91) en ex-minister van financiën H.J. Hofstra (87) toch ook wel overeenkomsten.

De soberheid was in de jaren vijftig net als nu geen algemeen gedragen ideaal, maar noodzaak. Het verschil is dat er vroeger niet werd getreurd over de materiële beperkingen omdat er een veelbelovend toekomstperspectief was. Wie toen even zuinig aandeed, zou later meer hebben. Daarom gaat de vergelijking tussen toen en nu niet op: de zuinigheid van Kok is weliswaar noodgedwongen, maar het ideaal, het lichtende toekomstbeeld, ontbreekt. De huidige soberheid houdt een teruggang in, terwijl de soberheid van toen een doel had: wachten op betere tijden.

“Karakterologisch lijkt Kok wel op Drees”, aldus W. Thomassen die in 1946 mede-oprichter was van de PvdA. Van 1948 tot 1974 was hij burgemeester: van Zaandam, Enschedé en tot slot in Rotterdam. Thomassen had in de jaren vijftig als lid van het partijbestuur veel te maken met Drees, die minister-president was van 1948 tot 1958. Thomassen noemt Drees en Kok “sterk verstandelijk ingesteld en met een zekere reserve in hun optreden”. “Ik denk dat je wel kunt zeggen: Drees was een sobere man en Kok is dat ook. Als je iets extra's deed, dan kon je bij Drees altijd de waarschuwende vinger zien opgaan. Zuinig wezen, zuinig wezen! Hij zei: niet alles kan, en alles kan niet tegelijk. Hij had gelijk, maar iedereen wilde wat.”

Van der Goes van Naters vergelijkt Kok qua mentaliteit liever met de evenzeer zuinige P. Lieftinck (PvdA-minister van financiën van 1945 tot 1952) dan met Drees, met wie hij altijd in de clinch lag. Van der Goes, "de rode jonkheer', werd in 1937 Kamerlid voor de SDAP. Na de oorlog was hij de laatste fractievoorzitter van de SDAP (1945) en de eerste van de PvdA (1946-1951). “De wereldconceptie van Drees was heel anders dan die van Kok. Drees was gewoon een calvinist. Dat vind ik van Kok niet. Toen Drees en ik in 1941 samen naar Buchenwald gingen nam hij de bijbel van zijn moeder mee, ook al kende hij zijn Marx fantastisch. Ik zal dat nooit vergeten. Drees was heel knap, maar hij had toch iets steriels. En dat kan ik nou van Kok echt niet zeggen. Drees was een asceet, hij wilde eigenlijk dat iedereen ascetisch was.”

Van der Goes moest niets hebben van Drees' drang naar soberheid. “Dat leidt alleen maar tot zelfverheerlijking.” Hij herinnert zich met afschuw de lange parlementaire discussies over de vraag of ministers wel een eigen dienstauto en secretaresse mochten hebben. “Dat houd je nu toch niet meer voor mogelijk!” Drees ging echter wel eens per tram naar zijn departement, omdat hij het zo zonde vond van die dure rijksauto.

Drees combineerde zijn zuinigheid met een vrij sterk anti-katholicisme. Van der Goes: “Drees was zo: iemand die uit het zuiden kwam, of het nou België of Frankrijk was: die deugde niet. En de roomsen an sich deugden al helemaal niet, die maakten te veel geld op. Hij was bijvoorbeeld falikant tegen één Europees leger - dat was toen al aan de orde! - want een Italiaanse korporaal verdiende veel meer dan een Nederlandse en dat ging helemaal niet. Hij had dat soort argumenten.”

Volgens Van der Goes was Lieftinck wèl “helemaal een Kok avant la lettre”. Maar positief valt die vergelijking niet uit. Kok mag dan geen asceet zijn, hij denkt wel te financieel. “Voor beiden, Lieftinck en Kok, is het terugdringen van het begrotingstekort bijna een doel op zich. Heus, ik vind Kok ronduit goed, maar ik vind wel dat hij te veel het bos uit het zicht verliest door de fiscale bomen.”

Van der Goes prefereert de visie van de na-oorlogse PvdA-woordvoerder voor financiën in de Tweede Kamer Hofstra, die later zelf minister werd. “Hofstra zei dat financiële politiek in de eerste plaats politiek is. Financiële soliditeit was voor hem een middel om tot een doel te komen, en geen doel op zich, zoals bij Lieftinck en nu weer bij Kok.”

ok de Thomassens herinneren zich niets van een soberheidsideaal, behalve bij Drees, maar er werd wel sober geleefd: “Vroeger waren uitkeringen minimaal, maar niet omdat er een ideologie van soberheid was. Het was noodzaak, geen overtuiging. Nederland was toen echt een verschrikkelijk arm land.”

De door Van der Goes bejubelde Hofstra voerde bijvoorbeeld als minister van financiën in het laatste kabinet-Drees (1956-1958) een bestedingsbeperking door, die een verdubbeling van de werkloosheid tot gevolg had. Dat moest, omdat onder zijn voorganger Van der Kieft (ook PvdA) “de teugels veel te los waren gelaten”. Hofstra: “Dat was helemaal niet leuk voor mij. Ik wilde juist verder naar de toekomst. Wat moest ik doen? Ik heb de gewenste ontwikkelingen langzamer laten lopen, maar ik heb wel een sluitende begroting afgeleverd.”

Hofstra, die lange tijd bekend stond als "het best geklede Tweede-Kamerlid' denkt met plezier terug aan de idealistische tijd van na de oorlog. Hofstra's ideaal was en is nog steeds een "gesocialiseerde samenleving', die rust op onafhankelijke ondernemingen waarboven de overheid, met vrij grote bevoegdheden, het algemeen belang in de gaten moet houden. “Dat betekent dat dat je een heel andere overheidsadministratie moet krijgen. Er wordt nu veel domweg geadministreerd. De huidige sfeer, en niet alleen bij de PvdA, is: laten we het zaakje maar een beetje door laten sudderen. Dat vind ik eigenlijk een vlucht voor de werkelijke taak van de politiek: een minder beroerde samenleving scheppen dan we hebben. Het is de oude slogan in de politiek: het is het doel dat de politiek bepaalt en niet omgekeerd. Het pragmatisme zegt echter: we lossen wel probleem na probleem op en dan zullen we wel zien waar we terechtkomen.”

Het leidende sociaaldemocratische toekomst-ideaal is inmiddels verdwenen, treuren Hofstra, Van der Goes van Naters en het echtpaar Thomassen. Dat de tijden zijn veranderd erkennen ze, maar die verandering veroorzaakt nog niet noodzakerlijkerwijs het verlies van een toekomstvisie. De dorheid en machteloosheid van de huidige politiek hebben volgens hen meer te maken met de geringe kwaliteit van het interne partijdebat dan met de veranderingen in de wereld.

Het verlies van een toekomstbeeld wordt ook weerspiegeld in de gebrekkige uitstraling van de partijleiders. Zij kunnen allen waardering en begrip voor voor de WAO-maatregelen van Kok opbrengen. Maar de partijleider mist wel bezieling. Hofstra: “Kijk, Drees kon altijd nog praten over socialisatie. Niemand wist precies wat het was, maar dat was iets! Den Uyl had ook bepaalde ideeën die hij verdedigde met een verve alsof het een soort Messias-boodschap was. Als je hem in een vergadering hoorde praten, dan luisterden de mensen toch gespannen naar wat hij vertelde. Daar stond iemand, en die had het. En dat aureool heeft Kok, lijkt me, wat minder. Kok zit natuurlijk ook in de afschuwelijke situatie dat de partij hem geen richtsnoeren geeft. De partij is afgezakt tot ruzietjes over details, over ziekteverzuim, over de uitkeringen en zo. Kok héeft ook niks om uit te stralen, als het ware.”

Twijfels blijven echter bestaan bij Van der Goes, Hofstra en de Thomassens over de vraag welke boodschap de PvdA nog kan uitdragen. Van één ding blijven ze overtuigd: het kapitalisme is het ook niet. Hofstra blijft “vertrouwen hebben in de mogelijkheden van progressieve politiek met een duidelijk doel”. Hij is wel een beetje uit het veld geslagen door de recente partijcrisis: “De contouren zijn wel duidelijk, maar het doel moet nog wel even worden vastgesteld”.

An Thomassen, nog altijd actief in de PvdA, verwacht dat de partij wel weer overeind krabbelt. Zij heeft haar hoop gesteld op kandidaat-voorzitter Felix Rottenberg. “Als hij er iets van maakt, komt er weer een opleving. De PvdA moet zich vernieuwen. Vroeger vormden de arbeiders de vaste kern van de aanhang. Dat slinkt, je moet veel meer andere mensen uit de maatschappij aantrekken. En nu Rottenberg en Vreeman tot onze grote verrassing samen het voorzitterschap ter hand willen nemen, heb ik zeker hoop op een echt brede vernieuwing en aantrekkingskracht van de partij.”

Haar echtgenoot heeft meer twijfels over de herstelkansen. “Partijleider, fractieleider en de twee partijvoorzitters zullen dat toekomstbeeld moeten brengen. Maar ik weet het niet. De partij heeft een bos sleutels die prachtig is, maar de deuren waar ze op passen zijn er niet meer.”