Oost-Europa ziet NAVO als bron van stabiliteit

De uitgevers van het Bulletin of Atomic Scientists hebben de doomsday-clock onlangs zeven minuten teruggezet. Zij achtten de kans op een grootschalige kernoorlog zo gering dat ze het verantwoord vonden om de klok van tien voor twaalf naar zeventien voor twaalf terug te zetten.

Dit optimisme lijkt gerechtvaardigd. De Sovjet-Unie, veertig jaar lang als de grootste bedreiging voor het Westen ervaren, bestaat niet meer. De vier voormalige Sovjet-republieken met kernwapens die de Verenigde Staten kunnen treffen, zien eerder in elkaar dan in de Amerikanen een bedreiging.

Toch heeft het einde van de Koude Oorlog van Europa geen veiliger oord gemaakt. Veertig jaar lang waren er geen regionale oorlogen op het oude continent, omdat het risico dat een dergelijk conflict tot een totale nucleaire oorlog zou leiden te groot werd geacht. De polariteit tussen Oost en West, tussen kapitalisme en communisme, drukte alle andere tegenstelllingen naar de achtergrond. In het Oosten werden de tegenstellingen door dwang weggewerkt in naam van het kapitalistische gevaar, in het Westen sloten de gelederen zich mede op basis van de gemeenschappelijke vrees voor de communistische dreiging.

De ondergang van de Sovjet-Unie betekent het definitieve einde van deze naoorlogse bipolariteit die zo lang voor een grote mate van stabiliteit heeft gezorgd. Het is mede daardoor dat de tegenstellingen in Joegoslavië tot een uitbarsting konden komen.

De nieuwe verhoudingen leggen een hypotheek op de akkoorden die de afgelopen jaren tussen Oost en West zijn gesloten. Die gingen allemaal nog uit van het principe van het afschrikkingsevenwicht tussen Oost en West. Zo sloten de presidenten Bush en Gorbatsjov nog in juli van dit jaar in Moskou een akkoord over beperking van de strategische bewapening (START), dat voor een globaal evenwicht tussen de VS en de Sovjet-Unie moest zorgen. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker, verklaarde donderdag in Brussel weliswaar dat de vier republieken met kernwapens hem garanties hadden gegeven dat de gemaakte afspraken zullen worden nageleefd, maar zijn uitspraken wekten enigszins de indruk van bezweringsformules. In het openbaar verklaarde president Noersoeltan Nazarbajev van Kazachstan dat zijn land pas van kernwapens zou afzien, als Rusland dat ook zou doen. Ook de leiders van de Oekraïne en Wit-Rusland zijn naar buiten toe niet ondubbelzinnig geweest in hun uitlatingen. Ook in Alma Ata is op dit punt het afgelopen weekeinde geen definitieve duidelijkheid geschapen. Dat wijst erop dat zij hun kernwapens vooralsnog als politiek ruilmiddel gebruiken om hun positie in het nieuwe Gemenebest veilig te stellen.

Overigens is het niet verbazend dat ze minister Baker toch geruststellend hebben toegesproken. Voor economische steun zijn ze op hulp uit het Westen aangewezen en niemand bijt snel in de hand die hem voedt.

Als de Verenigde Staten de nucleaire risico's willen beperken en alle kernwapens uit de Oekraïne, Wit-Rusland en Kazachstan weg willen hebben, dan kan dat waarschijnlijk het beste door een snel vervolg op het START-akkoord, waarbij de drie genoemde republieken kernwapenvrije staten worden in ruil voor een verdere beperking van zowel de Amerikaanse als de resterende Russische arsenalen. En ook de Franse en Britse arsenalen zouden dan in de onderhandelingen moeten worden betrokken.

De besprekingen over de uitvoering van het akkoord ter beperking van de conventionele bewapening (CFE), dat eind vorig jaar in Parijs werd getekend, zijn inmiddels hopeloos ingewikkeld geworden, doordat ze mede gemaakt zijn door een mogendheid die niet meer bestaat. Een complicatie daarbij is dat het akkoord wel door de meeste Westerse landen is geratificeerd, maar niet door de Sovjet-Unie. De Opperste Sovjet is er niet meer aan toegekomen. De nieuwe republieken, voor wier grondgebied de reducties zouden moeten gelden, maar die er juridisch niet aan gebonden zijn, hebben zich nog niet eens allemaal aan de onderhandelingstafel in Wenen gemeld. Ook hier is een nieuwe evaluatie van de verhoudingen geboden. De oude afspraken dragen zo zeer nog het stempel van de Koude Oorlog, dat de vraag gewettigd is of men nog moet streven naar uitvoering ervan, nu de feitelijke krachtsverhoudingen zo ingrijpend zijn gewijzigd en de aloude tegenstellingen historie zijn geworden.

Hoe ingrijpend de verhoudingen zijn veranderd, bleek vorige week vrijdag, toen de Russische president, Boris Jeltsin, zijn land als kandidaat-lid van de NAVO aanmeldde. Eerder had een aantal Oosteuropese landen al duidelijk serieuze belangstelling getoond voor veiligheidsgaranties van de kant van het Atlantische bondgenootschap. Die werden aanvankelijk afgewezen omdat zoiets door de Sovjet-Unie zouden kunnen worden uitgelegd als een bedreiging. Nu Rusland zich ook zelf al heeft aangemeld, is aan dat argument de basis grotendeels komen te ontvallen. Veelzeggend waren de woorden die de Tsjechoslowaakse minister van buitenlandse zaken, Jiri Dienstbier, afgelopen vrijdag in Brussel sprak: “Pas als we allemaal, inclusief Rusland, lid (van de NAVO) zijn, hebben we eindelijk veiligheid in Europa”.

Het einde van het communisme en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie heeft in Midden- en Oost-Europa een veiligheidsvacuüm veroorzaakt. Dat vacuüm zal op één of andere manier moeten worden gevuld en het merendeel van de landen in die regio ziet in de NAVO "de bron van stabiliteit'. In eerste instantie hoopt de verdragsorganisatie een bijdrage te geven aan die stabiliteit door het verstrekken van noodhulp om de winter door te komen. Maar dan dient zich de vraag aan hoe de NAVO, waarin nu vooral Oosteuropeanen veel vertrouwen blijken te hebben, kan worden omgebouwd tot een effectief veiligheidsorgaan voor heel Europa.

De Noordatlantische Samenwerkingraad (NACC), waarvan behalve de voormalige leden van NAVO en Warschaupact ook de drie Baltische staten deel uitmaken, was vorige week voor het eerst bijeen. Dit orgaan zou een sluis kunnen worden voor de Oosteuropese landen om op den duur tot de NAVO toe te treden. Zolang de Conferentie voor Europese Veiligheid en Samenwerking (CVSE) nog in een pril stadium verkeert als het om garanties voor vrede en veiligheid gaat - in de Joegoslavische kwestie kwam de CVSE niet verder dan het beamen van vredesinspanningen van de EG en de Verenigde Naties - zijn de NAVO-structuren wellicht een bruikbaar alternatief. Overigens zullen ook de traditioneel neutrale en niet-gebonden landen op één of andere manier bij het overleg moeten worden betrokken. Zij dreigen in de huidige constellatie buiten de boot te vallen, nu ze hun traditionele bemiddelingsrol zijn kwijtgeraakt.

In deze aanpak zit nog een ander voordeel: het zal via de NAVO makkelijker zijn om de Verenigde Staten blijvend betrokken te houden bij de veiligheid in Europa. In de VS nemen de geluiden die duiden op een nieuw Amerikaans isolationisme in volume toe. Nu de Koude Oorlog voorbij is, zal de druk om aan de Amerikaanse aanwezigheid in Europa een einde te maken alleen maar toenemen.

De doomsday-clock mag dan inmiddels zijn teruggedraaid, tal van andere klokken zullen nog aan de nieuwe tijd moeten worden aangepast.

Foto: De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Baker op bezoek bij de Russische president Jeltsin. (Foto Reuter)