Kamerleden overlijden niet eerder dan kiezers

ROTTERDAM, 23 DEC. Tweede-Kamerleden overlijden niet eerder dan hun generatiegenoten. Daarin verschillen ze van hun Britse collega's die een sterk verhoogde sterfte aan hartziekten zouden vertonen. Naar aanleiding van verontrustende berichten in Engeland berekenden drie epidemiologen van de Leidse universiteit de sterfte onder alle 1.589 leden die vanaf 1848 in de groene bankjes zaten.

Van 1848 tot 1930 week de sterfte niet af van die van leeftijdgenoten. Tussen 1950 en 1970 overleden Kamerleden misschien iets eerder en vanaf 1970 wat later. Wellicht heeft dit laatste te maken met het feit dat het Kamerlidmaatschap sinds het eind van de jaren zestig een volledige betrekking is. Voor die tijd was het een bijbaan. De parlementariërs realiseerden een gemiddelde zittingsduur van 11,4 jaar. Tien procent van hen is in het harnas gestorven. De komst van vrouwelijke Kamerleden in 1918 heeft het sterfterisico niet veranderd.

Dit resultaat suggereert dat het Kamerlidmaatschap psychisch en fysisch niet zo zwaar is als de commissie Functiewaardering Leden van de Tweede Kamer onder voorzitterschap van J.A. van Kemenade het volk in april 1991 heeft doen geloven. De commissie Van Kemenade oordeelde op grond van een enquête onder Kamerleden dat het lidmaatschap een zwaar en stressvol beroep is.

De Kamerleden kennen onregelmatige werktijden, ze missen een vaste aanstelling, moeten over ieder onderwerp een mening hebben, moeten hun eigen mening snel voor edie van een ander kunnen geven, maken lange werkweken en staan onderling in sterke competitie. De stress die hiervan het gevolg is, zou makkelijk, aldus de theorie, tot een hogere sterfte kunnen leiden. Maar de onderzoekers dr. F.R. Rosendaal, W.M.P. Noteboom en prof.dr. J.P. Vandenbroucke schrijven in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde dat ze hier vrijwel niets van terugvonden.