"IK WIL TWEE KEER ZO HARD VOORUIT'

Toen hij als 20-jarig jochie naar Nederland kwam, dacht hij in zijn eentje de hele wereld te kunnen veranderen. Intussen heeft Larry van Wieren geleerd dat vooruitgang traag gaat en brede ondersteuning vraagt. De technisch directeur van de Nederlandse IJshockeybond. Over een sport in de bufferzone.

Larry van Wieren balanceerde tussen hoop en vrees tijdens de eerste twee wedstrijden van het Nederlands ijshockeyteam bij het Vierlandentoernooi in Zoetermeer. Gewonnen werd van het Finse jeugdteam (5-2), maar de nederlagen tegen Denemarken (2-3) en Polen (5-8) leken de status quo waarin het vaderlandse ijshockey verkeert te onderstrepen. En zoiets doet pijn, zelfs bij een technisch directeur die de realiteit zelden uit het oog verliest. “Maar ik zal het nooit laten merken wanneer ik het moeilijk heb, dat moeten anderen maar signaleren.”

Eigenlijk heeft Larry van Wieren, een zoon van Nederlandse emigranten, niets dat aan het beeld van een ijshockeycoach beantwoordt. Knauwt geen kauwgom, rookt niet, slaat niet driftig op de boarding wanneer zijn team op het ijs wordt weggetikt. Frans van Erp, voorzitter van de Nederlandse Ijshockey Bond (NIJB) noemt hem “een fantastisch menselijke vent. Larry blijft te allen tijde op en top heer. En dat wordt door het bestuur erg gewaardeerd.” Maar zelf doet Van Wieren niet mee aan dergelijke persoonsverheerlijking: “Ik doe gewoon mijn werk binnen het systeem van het Nederlandse ijshockey.”

Slechts heel subtiel geeft Van Wieren blijk van zijn betrokkenheid bij de sport. Staand achter de spelersbank maakt hij af en toe in alle rust een aantekening, maar zijn ogen maken overuren. Niets ontgaat hem, elk detail slaat hij op. “Ik ben veel met ijshockey bezig, inventariseren, analyseren, vooruitdenken, uit elk klein dingetje winst proberen te halen voor volgende wedstrijden. Hoe slecht we ook hebben gespeeld.”

Van Wieren heeft in de bijna twintig jaar dat hij in Nederland werkzaam is, leren leven met de omstandigheden waarin het ijshockey hier groot probeert te worden. Op twintig ijsbanen in Nederland kan worden gehockeyed, de relatie tussen de NIJB en de baandirecteuren is uitstekend. Maar toch is er te weinig 'ijstijd' beschikbaar; disco-schaatsen voor de jeugd op vrijdagavond, de 65-plussers die hun wekelijkse ijsavond hebben. Het Nederlands team moet bedelen om voldoende trainingsfaciliteiten. En na maart, als de ijsbanen de deuren voor enkele maanden sluiten, heeft zelfs dat geen zin.

De bond heeft het momenteel te druk met het oplossen van andere problemen. Hoofd- en subsponsor haken na dit seizoen af en de WVC-subsidie van 250.000 gulden, gebaseerd op het aantal leden van een sportbond, dreigt in 1993 met anderhalve ton te worden gekort. Naar het voorbeeld van de omroepen EO en VPRO start de NIJB binnenkort een wervingsactie om het ledental van ruim drieduizend met enkele duizenden uit te breiden. Voor tien gulden kan men lid worden. Een "tientjes-actie' om het hoofd boven water te houden.

Met dit soort zaken is Van Wieren al lang en breed vertrouwd. Hij past zich aan maar het is aanpassen om vooruitgang te kunnen boeken. Toen hij als 20-jarig jochie naar Nederland kwam en zijn eerste contract kreeg bij het Haagse HIJS dacht hij alleen de wereld te kunnen verbeteren. Twintig jaar later denkt hij dat nog wel, maar zoekt hij een breder draagvlak om zijn ideeën te kunnen verwezenlijken. “De grootste fout die ik gemaakt heb in het verleden is dat ik er automatisch vanuit ging dat iedereen dezelfde instelling had als ik. Ik ben van nature een fighter. Als actieve ijshockeyer werd ik gek van spelers als Jack de Heer en Tony Collard. Zij barstten van het talent en konden wel eens een training overslaan. Ik moest keihard werken om op niveau te blijven. Nu kan ik die verschillen gemakkelijker accepteren. We zitten in een grote organisatie die het ijshockey wil verbeteren, ieder speelt zijn eigen rol in het dynamisch geheel.”

De grootste winst die Van Wieren cs. tot nu boekten is de imagoverbetering van het Nederlandse ijshockey, dat zich in de jaren zeventig en tachtig dubieuze faam verwierf door op, maar vaker over de grens van het toelaatbare te spelen. Van Wieren: “Daar is nu nauwelijks nog sprake van. Die battle hebben we gewonnen. Nu moeten we gaan werken aan het versterken van ons nieuwe image. Maar oh boy, dat is moeilijk. Je verandert niet zomaar wat de historie heeft gedaan.” Nog regelmatig incasseert Van Wieren kritiek. Van de voormalige Joegoslaaf Alex Andjelic, coach van het Rotterdamse Gunco Panda's, die zich liet ontvallen dat het ijshockey in Nederland is aangeleerd door een stelletje geflipte Canadezen en die pleit voor een meer gepolijste, Slavische speelstijl. En van anderen die menen dat het bij het Nederlands team aan organisatie en discipline ontbreekt. “Dergelijke uitlatingen trek ik me niet aan maar ze werpen je wel een stuk terug in het proces dat moet leiden tot volwassenheid van het ijshockey in Nederland.”

Voor zichzelf ziet Van Wieren daarin nog een leidende rol weggelegd. “Omdat ik gemotiveerd ben, kan ik anderen overtuigen en enthousiasmeren. Je kunt je sport alleen goed blijven verkopen als er iemand het voortouw neemt. Ik kan dat nu nog opbrengen omdat ik er van overtuigd ben dat alle tijd die ik in het ijshockey steek, niet in een bodemloze put terecht komt. We gaan vooruit, weliswaar langzaam maar toch: vooruit”, constateert de technisch directeur. Toch twijfelt Van Wieren of hij zijn dienstverband bij de NIJB, dat volgend jaar afloopt, zal verlengen. “Ik ben veertig, nu kan ik nog een overstap naar het bedrijfsleven maken. Bovendien heb ik te maken met gezinsomstandigheden. Mijn vrouw wil graag terug naar Canada en voor onze dochter van twaalf moeten we kiezen waar ze haar opleiding gaat volgen.”

Op hun trouwdag, vlak voordat ze naar Europa vertrokken, kregen Van Wieren en zijn vrouw een preek te horen met de strekking: “Look forward, don't look back.” Met die levenswijsheid in een notedop worstelt Van Wieren nog wel eens als hij zijn gedachten over zijn werkzaamheden in Nederland laat gaan. “De bond wil vooruit, de spelers willen vooruit, iedereen wil vooruit. Maar ik wil soms twee keer zo hard vooruit, ik wil dat het harder gaat dan het gaat. Dat frustreert me wel eens, maar in de auto en thuis bij mijn gezin op de bank kan ik zulke gedachten van me af zetten. Bij die gelegenheden ben ik tegen elke aanval van buitenaf bestand, dan zit ik in een bufferzone.”