Heijermans' Wijze kater na zeventien jaar weer op tournee; Kijkdoos vol kluchtfiguren

Voorstelling: De wijze kater, van Herman Heijermans. Spelers: Paul Röttger, Carol van Herwijnen, Michiel Kerbosch, Hymke de Vries, Hein van Beem, Kees van Lier, IJf Blokker, e.a. Decor en kostuums: John Bogaerts. Regie: Frans Boelen. Gezien: 20-12 in Cultureel Centrum, Amstelveen.

De wijze kater is in het oeuvre van Herman Heijermans een satirische sprong uit de werkelijkheid, die hij als geen ander kon portretteren. Hij schreef het belerende sprookje in 1917, terwijl de wereld in brand stond en de Russische revolutie een betere toekomst beloofde. Niet om een politieke omwenteling te prediken, maar om de mens op zijn onmenselijkheid te wijzen. En hij legde de boodschap in de mond van een kater in mensengedaante: “De mens is het geniepigste, venijnigste, geraffineerdste beest dat op deze aarde leeft.”

Voor de oorlog kroop de gevierde Jan Musch meer dan 500 keer in het kattepak om de voosheid van de macht aan de kaak te stellen en “het bourgeois-rattentuig, weldoorvoed, vervettend, luierend rapalje” de mantel uit te vegen. In de jaren zestig legde Henk van Ulsen er eer mee in. Nu het stuk na zeventien jaar voor het eerst weer - in een vrije produktie - op tournee gaat, blijkt De wijze kater van alle Heijermans-stukken niet het meest tijdsbestendige te zijn. Het vertelt nog steeds een aardig verhaal, maar het doet er tamelijk lang over om op gang te komen en intussen predikt het heel wat af. Het formuleert omstandig en expliciet de moraal die we allang begrepen hadden, ook in de gemoderniseerde en iets ingekorte tekst die regisseur Frans Boelen laat spelen. Het enige wat nu nog kan steken, is de manier waarop de kater de behandeling van dieren aanklaagt - alsof hij citeert uit een brochure van de actiegroep Lekker Dier.

Boelen ensceneerde, tussen muren van marmer en blauw die tot de hemel reiken, een gestileerde kijkdoos vol komische typeringen. Vijfentwintig rollen in totaal, gespeeld door dertien acteurs die een hecht ensemble vormen zonder evident zwakke plekken. Vaart en timing waren kennelijk het devies. Met filmachtige muziekeffecten wordt af en toe extra spanning gemaakt. Aan het hof overheersen de strak gesneden uniformen met sjerp, maar er lopen ook wat onbetrouwbare double breasted pakken rond. De opper-samenzweerder draagt zelfs een disco-kostuum. Ze zijn daardoor iets meer uit het leven gegrepen dan de kaartspel-types uit de regie van Kees van Iersel in 1964. Maar ze blijven kluchtfiguren, die de lachlust opwekken.

De meeste aandacht gaat vanzelfsprekend uit naar Paul Röttger, een kater van mahoniebruin ribfluweel die zich lenig en alert een weg baant door de mensenwereld. Hij fleemt, geeft kopjes en haalt zijn klauwen uit. Hij is een ordeverstoorder op de barricade, een ontregelaar en een provocateur. Mijn kritiek betreft details in zijn intonatie: soms vind ik dat hij klaagt waar hij moet áánklagen, of een iets te redelijke toon aanslaat waar geprononceerde felheid meer gewenst was geweest. Naast hem staat een majestueuze Carol van Herwijnen als de onnozele koning, die dankzij de speurneus van de kater zijn hofhouding kan ontmaskeren en bijna meegaat in diens pleidooi voor algehele gelijkheid van alle schepselen. Tot hij met een bruusk gebaar terugdeinst voor de uiterste consequentie daarvan: het afstaan van zijn macht. En als de kater nog één keer zegt dat de natuur meer respect verdient, zegt Van Herwijnen met onnavolgbare nonchalance: “Amice, wij hebben schijt aan de natuur, want wij zijn in de eerste plaats mensen.”