Einde Sovjet-Unie maakt het ontwapeningsgesprek lastig

Het wegvallen van de Sovjet-Unie als verdragspartner voor het CFE-akkoord ter beperking van de conventionele bewapening zorgt voor grote problemen bij de onderhandelingen in Wenen. Het overleg in de Oostenrijkse hoofdstad, dat het afgelopen weekeinde is verdaagd tot 13 januari, verloopt uiterst moeizaam door de zich snel wijzigende verhoudingen in de voormalige Sovjet-Unie.

Het uittreden van de drie Baltische staten leverde nog geen onoverkomelijke bezwaren op. Daaraan bleek nog wel een juridische mouw te passen. Nu de Sovjet-Unie als verdragspartner van het politieke toneel is verdwenen, zonder dat de Opperste Sovjet het CFE-akkoord ratificeerde, bevinden de onderhandelingen zich als het ware in het luchtledige. Vanuit Rusland, Wit-Rusland en de Oekraïne komen gerustellende geluiden. Die drie republieken zouden in beginsel bereid zijn de voor hun gebied afgesproken reducties in tanks, artillerie, vliegtuigen en helikopters daadwerkelijk door te voeren. Deze drie staten omvatten negentig procent van de afgesproken beperkingen in de bewapening.

In Polen, Tsjechoslowakije en Hongarije leeft echter de vrees dat hernieuwde onderhandelingen over de verdeling van de overeengekomen reducties tussen de leden van het voormalige Warschaupact noodzakelijk zullen blijken. Voorzien was dat de Sovjet-Unie eenderde deel van die reducties voor haar rekening zou nemen en de overige Warschaupactlanden tweederde. In de Middeneuropese landen leeft de vrees dat Rusland, Wit-Rusland en de Oekraïne nu minder zullen willen beperken, zodat zij meer moeten inleveren.

Nog moeilijker ligt de situatie met de republieken aan de rand van het CFE-verdragsgebied, zoals Moldavië, Armenië, Azerbajdzjan en Georgië. Een land als Turkije hecht aan afspraken die ook duidelijkheid verschaffen over de krachtsverhoudingen aan de zuidflank van de voormalige Sovjet-Unie. Over de zuidflank zullen derhalve duidelijke afspraken gemaakt moeten worden.

In Wenen is men er dan ook allang niet meer zeker van dat het CFE-akkoord helemaal rond zal zijn als eind maart in Helsinki weer een topconferentie van de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa wordt gehouden. “Je moet pragmatisch zijn”, zegt een Westerse diplomaat, “niets belet de 22 landen (van de NAVO en het voormalige Warschaupact) om alsnog een akkoord te maken na de top in Helsinki.” Men lijkt nu voor de uitvoering van het CFE-akkoord eerder aan juli van het volgend jaar te denken. Dan moet de Helsinki-conferentie, die een nieuw mandaat moet formuleren voor besprekingen over de toekomst van vrede en veiligheid in Europa, zijn afgerond. De bedoeling van die besprekingen is dat de CVSE meer mogelijkheden worden gegeven om in geval van spanningen en conflicten effectief te kunnen optreden. In zeer veel gevallen geldt in de organisatie nog altijd de regel van de unanimiteit.

Een vervolg op het CFE-akkoord (CFE-1A in het diplomatieke jargon), waarbij ook afspraken worden gemaakt over aantallen manschappen die de betrokken landen maximaal onder de wapenen mogen hebben, hoeft minder problemen op te leveren. In Wenen doen al lijstjes met getallen de ronde.

Na een CFE-1A-akkoord zullen eventuele verdere afspraken over wapenbeheersing alleen nog gemaakt worden tussen alle CVSElidstaten, zo is al eerder overeengekomen.

De besprekingen over vrije luchtinspectie op militaire activiteiten ("open skies') vorderen goed. De tekst van het verdrag is voor driekwart rond, maar de vraag is nog altijd op welke landen dit verdrag straks betrekking zal hebben.