Een luchtig kerstverhaal

Sinds enkele weken verblijf ik in Los Angeles, tussen de Rolls Royces, de junkies, de homeless, de yuppies en de orthodoxe joden. En ik voel me schuldig.

Ik had hem al eerder op de parkeerplaats van mijn favoriete supermarkt gezien, en elke keer kon ik hem ontwijken. Maar een paar dagen geleden, net toen ik mijn warme pasta "to go' door de automatische deuren naar buiten droeg, dook hij breed voor me op: een dikkige chassidische jongen van een jaar of twintig, onder een gigantische zwarte hoed die naar een sombrero neigde, rossige baardgroei, een bril met Freek de Jonge-glazen, en zachte handen die als dirigentenstokjes met zijn woorden meebewogen.

“You're a jew?”, vroeg hij.

Ik kon niet nee zeggen en daarmee mijn afkomst verloochenen. Dus ik antwoordde: “You see my face?” Ik draaide mijn hoofd zodat hij mijn neus beter kon zien.

De jongen vroeg: “Heb je de kaarsen aangestoken?”

Hij bedoelde natuurlijk of ik de menorah had gebruikt, ter gelegenheid van chanoeka, hier in Amerika omschreven als joods kerstfeest (hopelijk zal Hij die omschrijving met mildheid behandelen).

“Nou...” antwoordde ik.

“We moeten de wet volgen”, zei hij, “de periode van de komst van Mashiach is aangebroken.”

Ik heb geen principiële bezwaren tegen de Messias, dus ik zei: “Ik zal naar hem uitkijken.”

Maar de jongen versperde me de weg en legde uit: “In elke generatie is er iemand die Mashiach is. In elke generatie! En wanneer er genoeg vrome joden zijn die de wet volgen, dan zal hij zichzelf bekendmaken.”

Ik maakte een fout en zei: “Nou, dat klinkt behoorlijk saai.”

Ik zag hem slikken en zijn wijsvinger zwaaide voor mijn gezicht.

“Saai?! Als hij er is, dan zullen we dansen en zingen en dan vieren we het begin van een nieuw tijdperk! Kijk.”

Hij liet me een folder zien. Ik las: Join the Mashiach Study Group.

“Hoe doet de Mashiach dat?” vroeg ik. “Telt hij op een dag hoeveel brave joden er zijn? Ik begrijp niet dat de Mashiach er een spelletje van maakt. Als hij bestaat, dan moet ie zich maar laten zien.”

“Hij wil dat we allemáál gelovige joden worden.”

Ik besloot met: “Mijn pasta wordt koud”, en ik liet hem staan. Maar hij haalde me in en begeleidde me naar mijn huurauto.

“Wil je niet dat Mashiach komt?”

“Jawel. Maar eerst wil ik thuis m'n pasta eten.”

“Je moet lid worden van de studiegroep. Kost je niks.”

“Geen tijd.”

“Voor Mashiach niet?!” riep hij verbijsterd. “Wie heeft er geen tijd voor Mashiach? Mesjogaas kent geen grenzen tegenwoordig.”

Ik opende het portier en zei: “Als ie er is praten we verder.”

“Maar dan is het te laat! Alle joden moeten nu de wet volgen! We hebben lang genoeg gewacht! Het IJzeren Gordijn is gevallen en de joden uit Rusland komen naar Israel! Is dat geen Teken? En wanneer de joden de wet volgen en de gebeden zeggen, dan zal hij zich bekendmaken.”

“Hij doet maar”, zei ik.

“Als Mashiach niet komt”, bezwoer de jongen met beschuldigende wijsvinger, “dan zou dat wel eens jouw schuld kunnen wezen! Jij bent misschien wel die ene die er bij moet komen voordat hij zich laat zien!”

Ik hoorde hem nog toen ik het parkeerterrein verliet. “Mamzer! Ongelovige!” riep hij naar mijn achterruit.

Op mijn logeeradres heb ik de pasta gegeten. Met door Hem Verboden garnalen en schelpdieren. Het was lauw en smaakte naar niks. Was ik maar christen, dan was de Messias al geweest en had ik een kerstboom. Als Mashiach niet komt, dan is dat mijn schuld.