Dubbel veracht dubbel verbannen

Het grootste deel van de ongeveer 160 Russische emigranten die begin november naar Nederland kwamen om hier asiel aan te vragen, zou volgens het hoofdartikel in NRC Handelsblad van 17 december onmiddellijk na aankomst in ons land hebben verklaard het christelijk-orthodoxe geloof te belijden. Is het dan wel juist dat men de hele groep over één kam scheert en zonder uitzondering spreekt over "Russische joden'?

Deze groep van Russische emigranten kon - zoals vele tienduizenden in de afgelopen twee jaar - uit de Sovjet-Unie naar Israël emigreren omdat zij vielen onder de zogenaamde "Wet op de Terugkeer', een van de belangrijkste wetten van de in 1948 opgerichte staat Israel. Volgens deze wet kan elke jood - waar ook ter wereld - naar Israel emigreren. Onder "jood' wordt verstaan “elke persoon geboren uit een joodse moeder, of iemand die bekeerd is tot het jodendom en geen lid is van een andere religie”. Bovendien vallen ook niet-joodse partners, kinderen en kleinkinderen van iemand die uit een joodse moeder is geboren of naar het jodendom is overgegaan, onder deze "Wet op de Terugkeer'.

Onder de grote stroom van Russische emigranten die naar Israel gaan, zijn niet alleen joden, maar ook christenen èn christenen van joodse origine. Het zijn met name christenen van joodse origine onder de emigranten, die bijzondere moeilijkheden in Israel ondervinden. Het is niet helemaal duidelijk, hoeveel orthodoxe christenen van joodse origine zich onder de groep van negentig Russische emigranten bevonden, die in Nederland asiel hebben aangevraagd. Een van deze asielzoekers zei enkele dagen geleden in Beatrixoord: “Ik ben een jodin, dus voel ik veel voor mijn historisch moederland. Maar waarom maken ze mijn man Serge het leven zo zuur? Waarom zeuren ze hem voortdurend aan zijn hoofd dat hij zich moet laten besnijden? Waarom moet dat gebeuren als hij christen is?”

Deze klachten zijn niet van vandaag of gisteren. De vermaarde columnist van de "Jewish Chronicle', Chaim Bermant, schreef 12 juli jl. dat Alexis II, Patriarch van de Russische Orthodoxe Kerk, toen hij in mei van dit jaar in Jeruzalem was, van een groep van orthodoxe christenen van joodse origine - onlangs naar Israel geëmigreerd - dezelfde klachten kreeg te horen: “Tachtig jaar geleden werden Russische joden in de verleiding gebracht zich tot het christendom te bekeren om zich te verzekeren van een toekomst in de Russische samenleving. Nu moeten Russische christenen - ook al zijn ze van joodse origine - zich tot het jodendom bekeren om zich te verzekeren van een toekomst in de Israelische samenleving. Zij klagen dat zij worden gedwongen naar het jodendom over te gaan, omdat zij anders geen kans krijgen Hebreeuws te leren, een baan te vinden èn uiteindelijk een woning.”

Israeliërs zijn de eersten die erkennen dat deze problematiek al decennia lang in hun land bestaat. De officiële houding van de staat Israel ten aanzien van religie en godsdienstvrijheid wordt geformuleerd in de onafhankelijkheidsverklaring van 1948, waarin iedere burger vrijheid van religie en meningsuiting wordt verzekerd en in 1948 ondertekende deze nieuwe staat als lid van de VN de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. De regering komt de verplichtingen van de wet na, maar heeft tegelijkertijd te maken met een aantal complicerende factoren, die vooral door ontwikkelingen in het verleden worden bepaald.

Voor Israeliërs, van wie velen de verschrikkingen van het antisemitisme aan den lijve hebben ervaren en na Auschwitz in de staat Israel een veilige schuilplaats vonden tegen het Europese noodweer, is het christendom de religie die in de afgelopen eeuwen de voedingsbodem heeft geleverd voor de jodenhaat en jodenvervolgingen. Voor Israeliërs hebben de christelijke opvoeding en katechese steeds weer materiaal aangedragen voor de groei en de uitwassen van het antisemitisme.

Er zijn Israeliërs, die bang zijn, dat - zolang er sprake is van christendom - de joden het voorwerp zullen blijven van een bijzondere en uitgesproken schadelijke aandacht, die op elk moment kan omslaan in geweld. Ook al worden alle leerboeken "gecorrigeerd', dan zouden de evangeliën toch nog overblijven en die bevatten volgens hen meer dan voldoende om een blijvende bedreiging van joden door christenen in het leven te houden.

Na veel studie en gewetensonderzoek zijn christenen in het Westen na de Tweede Wereldoorlog tot de moeizame ontdekking gekomen, dat het antisemitisme in de joodse herinnering onlosmakelijk verbonden is met de historische verschijning van het christendom. Dat geldt nauwelijks van christenen in het Oosten en zeker niet van Russische christenen, die sinds 1917 evenals de joden in de zojuist ontbonden Sovjet-Unie werden vervolgd. Zij beschouwen zich eerder als lotgenoten van de vervolgde joden.

Dit wantrouwen betreft in de Israelische samenleving dikwijls vooral de christen geworden joden. Omdat de doop eeuwenlang het entreebiljet tot de volledige emancipatie in de maatschappij en cultuur was, kunnen veel Israeliërs nauwelijks geloven, dat een jood ooit uit eerlijke overtuiging tot het christendom zou kunnen overgaan. Niet weinigen zijn er van overtuigd, dat het bij een dergelijke overgang altijd om materieel voordeel te doen is of om zich een bepaalde positie in de samenleving te verwerven. Graag herinneren zij zich het antwoord, dat Daniel Chwolson - een Russische jood die in de tweede helft van de negentiende eeuw naar het christendom overging - eens gaf toen hem werd gevraagd of hij wel een oprecht christen was: “Ja, ik geloof eerlijk dat ik als professor aan de keizerlijke universiteit van St. Petersburg beter af ben dan ik als onderwijzer in Shnipeshok zou zijn geweest”. Bovendien kunnen overlevenden van Auschwitz de zending van kerken onder joden nauwelijks anders zien dan als een "geestelijke Endlösung', die ten diepste hetzelfde beoogt als de "Endlösung' van Hitler, namelijk de opheffing van het jodendom en de vernietiging van het joodse volk. De term voor zending in het Ivriet is overgenomen uit het Engels: ha-misjon en is een van de meest negatief klinkende woorden in de hebreeuwse taal. Voor de bekering tot het christendom wordt het werkwoord le-hishtamed gebruikt, een woord dat letterlijk "vernietigen' betekent. Het woord is uit het jiddisch afkomstig en duidt op de geestelijke dood en sociale zelfmoord van de bekeerling. Orthodoxe joden plegen een shivah te houden, de periode van rituele rouw, alsof de bekeerling gestorven was.

Een treffende illustratie van de moeilijkheden, die een christen geworden jood, die tegelijkertijd Israeliër wil zijn, in Israel kan ervaren, is het proces, dat de priester-monnik Daniel Rufeisen in 1962 bij het Hooggerechtshof te Jeruzalem aanspande. Rufeisen was voordat hij christen was geworden, een vurig zionist die in de Tweede Wereldoorlog actief betrokken was bij een joodse verzetsbeweging in Polen en veel joden uit de handen van de nazi's wist te redden. Aan het einde van de oorlog werd hij katholiek en werd lid van de orde van de Karmelieten. Omdat hij zich bleef identificeren met zijn volk, emigreerde hij naar Israel. Hij kreeg een voorlopige verblijfsvergunning maar vroeg om onmiddellijk als Israeliër erkend te worden onder de "Wet op de Terugkeer'. Omdat de minister van binnenlandse zaken weigerde, wilde hij zijn geval tot "testcase' maken en diende hij bij het Hooggerechtshof een verzoek in om de minister te dwingen zijn besluit te herzien. Hij was van mening, dat, wanneer er atheïstische joden in het land waren, er ook christen-joden konden zijn.

Het werd een van de spannendste processen in de geschiedenis van de staat Israel. Volgens de "halacha' was Rufeisen een jood, omdat hij uit een joodse moeder was geboren. Zelfs zijn bekering tot het christendom kon het feit niet ongedaan maken. Toch week het Hooggerechtshof in zijn uitspraak af van de halachische definitie van jood-zijn en wees Rufeisens verzoek af. Omdat de betekenis van het woord "jood' in de "Wet op de Terugkeer' niet halachisch is geformuleerd, kon de rechter in zijn afwijzing zich alleen beroepen op de sociaal-psychologische omstandigheden in de staat Israel en achtte hij de mening van de meerderheid van Israeliërs doorslaggevend. Welnu, de meerderheid was volgens de rechter ervan overtuigd dat iemand na overgang naar een andere religie niet meer als jood kon gelden. Voor de publieke opinie, gevormd door de traumatische ervaring van eeuwen vervolging onder het christendom, zou het onbegrijpelijk zijn, dat iemand tegelijk jood en christen zou kunnen zijn. Ergo: deze opinie moest de basis vormen van het gerechtelijk oordeel, dat de president uitsprak. Toch kreeg Rufeisen, eerder dan officieel mogelijk was, het Israelische staatsburgerschap door naturalisatie.

“Christenen van joodse origine verkeren”, aldus dr. Schoon, voorzitter van het Overlegorgaan van joden en christenen in Nederland (Ojec), “in de weinig benijdenswaardige positie, dat ze hun jood-zijn willen benadrukken tegenover de joden, die dit niet accepteren, en dat ze hun christen-zijn willen bewijzen voor kerkmensen, die daar maar al te vaak vraagtekens bij zetten. Zij voelen zich "dubbel veracht en dubbel verbannen', omdat ze tegelijkertijd met het joodse volk veracht worden door de niet-joden en door het joodse volk verworpen worden.”

De Israelische schrijver Schalom Ben Chorin, zei enkele jaren geleden: “Een gemeenschap, die de ongelovige joden, de atheïsten van joodse origine, zonder meer tolereert en accepteert, het niet als een probleem ervaart hen in het volksgeheel te integreren, kan anderzijds niet tegenover christenen van joodse origine een absolute scheidslijn trekken. We worden hier geconfronteerd met een probleem dat nog steeds geen oplossing heeft gevonden.”

Maar van de andere kant zullen de christen geworden joden onder de Russische emigranten al snel ontdekken, dat ook in Israel het leven veel sterker is dan de leer, en dat - als het gaat om de opbouw van een rijk geschakeerde pluralistische samenleving - in geen enkel land ter wereld waarschijnlijk zoveel mogelijk is als in de staat Israel.