Drions voorstel voor vrijwillige levensbeëindiging mist zorgvuldigheid; Het zelfgewilde leven van ouderen

De mogelijkheid om in vrijheid persoonlijke keuzen te maken is aan beperkingen onderhevig. Sommige beperkingen stoelen op de situatie van de betrokkene zelf, andere op heersende opvattingen in de samenleving. Die opvattingen belemmeren de vrije keuze niet in absolute zin, maar geven er een feitelijke beperking aan. Wat men zou willen doen laat men na en wat men zou willen nalaten doet men om zodoende in de pas te blijven met de anderen. Wanneer over keuzen van dood en leven van bejaarde mensen wordt geschreven is het dan ook zeker van belang daarbij aandacht te schenken aan heersende opvattingen in de samenleving.

Nog in de eerste helft van deze eeuw waren de leefomstandigheden in onze samenleving dusdanig dat velen niet toekwamen aan een oude dag en dat, zo dat al wel lukte, de materiële middelen ontbraken om van een derde levensfase te genieten. Inmiddels is deze situatie sterk gewijzigd. Vooruitgang in economie, sociale voorzieningen en medische zorg geven aan velen de kans in leefbare omstandigheden hoge en zelfs zeer hoge leeftijden te bereiken. De oudere is niet meer gedwongen bij anderen in te trekken en verblijft zelfstandig in een al dan niet aangepaste woning. In deze situatie leeft en sterft de meerderheid van de bejaarden. Om zulks mogelijk te maken speelt hulp van anderen een rol. Geen mens kan trouwens leven zonder hulp van zijn medemensen, maar naarmate men ouder wordt kan de behoefte aan die hulp toenemen tengevolge van vermindering van eigen zelfredzaamheid. In die meerdere hulp wordt in belangrijke mate voorzien door kinderen, familieleden, vrienden, kennissen of buren van de bejaarde.

Voorzover dit in sommige omstandigheden onvoldoende is, kan een beroep worden gedaan op de, nog steeds toenemende, professionele hulp van thuiszorginstellingen. In een beperkt aantal gevallen blijkt deze opzet moeilijk werkbaar. Die moeilijke situatie kan worden opgeheven door verhuizing naar een appartement in een verzorgingstehuis, waar de betrokkenen dan in rust en vrijheid tot de dood kan leven. Voor een nog andere groep van bejaarden kunnen lichamelijke of geestelijke gebreken van een aard zijn dat opname in een verpleeghuis gewenst is.

Hoewel het verpleeghuis zich tot taak stelt zodanig op de gebreken in te spelen dat betrokkene weer terug kan keren naar de eigen huis- of tehuissituatie is dat in vele gevallen niet mogelijk. De betrokkene mist dan in zijn laatste levensdagen de huis- of tehuissituatie, maar is verzekerd van een aantal voorzieningen die beantwoorden aan de ernst van de gebreken. Van belang is op te merken dat alle voornoemde vormen van professionele hulp voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht het inkomen. Er kan dan ook worden gesteld dat onze samenleving in deze eeuw een grootse verbetering voor de ouderen heeft bereikt.

Toch is niet iedereen hiermede tevreden. Men constateert dat in onze samenleving weliswaar wordt gezorgd voor de leefmogelijkheden van alle ouderen, ongeacht eventuele handicaps, maar dat de voorzieningen ontbreken die het ouderen mogelijk maken op het door hen gewenste moment het leven te beëindigen. Naar mijn overtuiging komt een samenleving die voorzieningen treft om zowel ouderen te laten leven als om ouderen uit het leven te laten stappen in een lastig parket. Leven en dood staan tot elkaar als water en vuur. Méér water dooft het vuur, méér vuur verdampt het water. Men moet weten wat men wil.

Voor prof. H. Drion staat centraal dat er ouderen zijn die gespaard wensen te worden voor een leven dat slechts kan worden gecontinueerd met een vergaande zorg van anderen (“Het zelfgewilde einde van oudere mensen”, opiniepagina Essay van 19 oktober). Deze wens wordt dan ingegeven niet alleen door de naargeestigheid, maar ook door het verlies aan waardigheid bij een dergelijk bestaan. Voor vele gezonde ouderen zou zo'n bestaan een schrikbeeld zijn dat hen met bijna panische afschuw vervult bij het bezoek aan een instelling waarin dergelijke ouderen worden verzorgd. Om gezonde ouderen van dit schrikbeeld te verlossen stelt Drion voor dat alleenstaande personen van 75 jaar of ouder in de gelegenheid worden gesteld via de arts een zelfdodingsmiddel te verkrijgen, een middel dat betrokkene tot zich kan nemen op een zelf geschikt geacht moment. In de nabeschouwing wordt het onder bepaalde voorwaarden wellicht aanvaardbaar geacht deze beschikbaarstelling van zelfdodingsmiddelen uit te breiden tot gehuwde personen en tot 65-plussers.

Wat wordt nu de positie van een oudere die zich niet heeft voorzien van een zelfdodingsmiddel en die in een situatie komt waarin behoefte ontstaat aan vergaande zorg van anderen? Zou deze oudere niet een belemmering voelen om een beroep op die zorg te doen, een beroep dat had kunnen worden voorkomen - en alsnog kan worden voorkomen - door toepassing van de wettelijk toegestane procedures die zelfdoding mogelijk maken? Was deze wetgeving nu juist niet tot stand gekomen om ouderen de mogelijkheid te bieden te ontkomen aan een situatie die volgens velen wordt gekenmerkt door naargeestigheid en verlies aan waardigheid? Kan men van hulpverleners verwachten dat zij zich werkelijk inzetten voor het handhaven van een als zodanig aangeduide situatie? En kan men dat verwachten van politici die toch al voor grote problemen staan om de AOW en al die andere voorzieningen voor anderen financieel veilig te stellen?

Wie denkt dat dit een overdreven vraagstelling is moet zich wel realiseren dat in de samenleving heersende opvattingen nu eenmaal de vrijheid van keuze feitelijk beperken. Ik denk dat ik niet overdrijf en dat het vergaande consequenties heeft wanneer meer dan anderhalf miljoen mensen wordt aangeboden zich van zelfdodingsmiddelen te voorzien.

Het vorenstaande betekent niet dat ik het door Drion aan de orde gestelde probleem niet onderken. Het tegendeel is het geval. Het is een probleem dat zorgvuldige aandacht vraagt. Naar mijn mening mist het voorstel van Drion echter in zoverre de vereiste zorgvuldigheid dat de behandeling van het probleem en van de oplossing daarvan te geïsoleerd geschiedt, los van een breder verband. Van belang is juist een behandeling die wordt ingepast in een duidelijk samenlevingsconcept. En in dat concept zou - voorzover er te kiezen valt - de keuze vóór het leven voorrang moeten blijven houden boven de keuze vóór de dood.