DR. FOP I. BROUWER 1912-1991; Bioloog en publicist

“En zo ziet u maar weer, luisteraars, dat alles wat leeft en groeit, ons steeds weer boeit.” Met deze woorden besloot dr. Fop I. Brouwer steevast zijn zondagochtendpraatje voor de Vara-radio over natuurhistorische onderwerpen. Hij heeft, in de jaren vijftig, zestig en zeventig, bijna drieduizend van die causerieën gehouden en trok daarmee naar schatting 2,5 miljoen luisteraars per keer. Afgelopen vrijdag is de Groningse bioloog en publicist op 79-jarige leeftijd in zijn woonplaats Haren overleden.

Brouwer - in het dagelijks leven leraar biologie en later directeur van de middelbare landbouwschool te Groningen - begon voor de Vara in 1952 met lezingen onder de titel "Langs onbegaanbare wegen''. Twee jaar later kwam daar het motto "Wat leeft en groeit en ons altijd weer boeit' voor in de plaats, toen zijn rubriek werd samengevoegd met het bekende programma "Weer of geen weer' van Bert Garthof. Daarin kon men Brouwer tot 1978 elke zondagmorgen omstreeks negen uur een minuut of tien lang beluisteren.

Daarnaast stelde hij zijn kennis der natuur en educatieve gaven in dienst van de regionale omroep noord en oost (RONO), die elke donderdagavond om kwart voor acht een lezing van hem uitzond. Dat gebeurde al sinds augustus 1945, toen dit gewest nog door een militaire zender van de Canadezen werd bediend, en het duurde tot 1979. Hier heette zijn praatje "Dier en plant in RONO-land', al vatte hij die titel niet al te strikt op, want ook voor een scheefgezakte schaapskooi of vervallen torenspits ging Brouwer niet uit de weg.

Toch waren zijn causerieën in de eerste plaats bedoeld om de mens op fraaie plekjes vol natuurschoon te wijzen en dat bracht hem wel eens in conflict met het gegeven dat recreatie en natuur elkaar moeilijk verdragen. “Ik heb wel eens een stomme zet gedaan”, bekende hij deze krant ter gelegenheid van zijn 2.500ste radiopraatje. “Met Pinksteren wekte ik de mensen op om het Zijer Strubbe, een rijksnatuurreservaat in Vries, te gaan bekijken. Het resultaat was een woedende houtvester, die me uitkafferde, omdat de mensen de struiken hadden vernield. Hij kon de zaak bovendien niet aan.”

Sindsdien was Brouwer wat voorzichtiger met zijn uitlatingen. Hij zou geen massa's mensen meer naar kwetsbare terreinen lokken. “Anderzijds”, zei hij, “heeft het iets onrechtvaardigs om natuurgebieden af te sluiten. Ze worden immers grotendeels met rijkssubsidie, en dus met belastinggeld, aangeschaft.”

Wekelijks ontving Brouwer naar aanleiding van zijn uitzendingen gemiddeld honderd brieven, die voor de radio of schriftelijk werden beantwoord. Tot de opmerkelijkste reacties behoorde een schrijven waarin een luisteraar opheldering vroeg over "urineledikanten'. De brief werd als onbegrijpelijk terzijde gelegd tot mevrouw Brouwer ontdekte dat hier pissebedden werden bedoeld. Het schijnt geen grap geweest te zijn, maar bittere ernst van een zeer kuis persoon.

Verreweg de meeste reacties waren van stimulerende aard, waar Brouwer uit afleidde dat de doorsnee-Nederlander de natuur welgezind was. Hem bleek dat vooral vogels bij ons volk hoog aangeschreven stonden en dat deed hem plezier, omdat zijn grootste belangstelling ook naar de avifauna uitging.