Collectieve Vut-regeling heeft langste tijd gehad

DEN HAAG, 23 DEC. Nederland is een land van arbeidsvrede. Terwijl bij de oosterburen looneisen van tien procent en meer worden gesteld, wordt hier alarm geslagen bij de helft. Het bijna verstreken jaar bleef de gemiddelde loonstijging zelfs achter bij de inflatie.

Toch lopen, tegen het jaareinde, de emoties plotseling hoog op. De inzet is de regeling tot vervroegd uittreden, de Vut. De werkgevers zien met argusogen hoe populair de Vut in de jaren tachtig werd en waarschuwen voor de oplopende kosten. Maar de werknemers houden met hart en ziel vast aan dit “verworven recht”.

Twee weken geleden, in Den Haag, knaagde algemeen directeur prof.drs. J. (Hans) Weitenberg van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW) met een reeks argumenten aan de fundamenten van de Vut. Zeker, de Vut was begin jaren tachtig een goed instrument om de last van de snel stijgende werkloosheid niet geheel en al door jongeren te laten dragen. Oud maakte plaats voor jong.

Maar inmiddels staat de arbeidsmarkt er volgens Weitenberg heel anders voor. Het is zonde om in dit land, waar het economisch draagvlak al zo smal is, de ervaring van oudere werknemers niet langer te benutten. Bovendien lopen de kosten steeds verder op, en als we zo doorgaan is het eind nog lang niet in zicht. Het recht op Vut is nu eenzijdig een recht van werknemers. Werkgevers moeten kunnen meebeslissen wie vervroegd uittreedt en wie niet. Aldus Weitenberg.

Luttele dagen later haalde het chemieconcern Akzo in Arnhem de voorpagina's. Bij Akzo werd de Vut-leeftijd in 1988 tot veler verrassing verhoogd van 60 tot 62 jaar. Die verhoging moet volgens de vakbonden in het komende CAO-overleg ongedaan worden gemaakt. Akzo-directeur en CAO-onderhandelaar dr. A. Van Es wees die vakbondseis resoluut van de hand. Sterker nog: de Vut moet op termijn worden afgeschaft. In Nederland moet de arbeidsparticipatie omhoog, en dus moeten meer mensen langer werken, aldus Van Es.

J. Draijer, bestuurder van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) en CAO-specialist, reageert laconiek. “Het was een mooie werkgeverscombinatie,” zegt hij. “Vlak voor de CAO-onderhandelingen bij Akzo gaat zo'n centrale werkgeversorganisatie er nog 'ns even flink over heen.”

Weitenberg ontkent dat het zo gegaan is. “Wij hebben dat niet zo gepland”, zegt hij. “We maken ons zorgen over de lage arbeidsparticipatie, en dan moet je niet alleen naar vrouwen kijken, maar ook naar de oudere werknemers. Van de werknemers die Vut-gerechtigd zijn maakt nu al 70 tot 80 procent gebruik van dat recht. Dat is financieel aantrekkelijk want de uitkering bedraagt gemiddeld 80 tot 85 procent van het laatst verdiende loon, en soms - in de grafische sector - zelfs 100 procent. Er zitten nu al 120.000 mensen in de Vut.”

In een poging de discussie over de Vut te entameren hebben we Draaijer en Weitenberg uitgenodigd voor een gesprek, dat plaatsheeft in het gebouw van de Sociaal-Economische Raad in Den Haag. Doel: een genuanceerde confrontatie van argumenten pro en contra.

Om te beginnen: wordt de Vut inderdaad onbetaalbaar?

Draijer: “Onbetaalbaarheid is niet het grote probleem. De discussie richt zich nu teveel op Vut-regelingen die omstreeks 1980 tot stand kwamen. Het zou beter zijn de gebreken van het ouderenbeleid te bespreken. Wij pleiten voor meer functiewisselingen, een goed promotiebeleid, een voortdurende verfrissing. Nu zijn veel oudere werknemers teleurgesteld; met een goed ouderenbeleid voorkom je dat.” “Wij zetten ook vraagtekens bij de Vut. Maar bij de werkgevers mis ik een echt vernieuwende gedachte. Dat de produktieve periode zich nu zo samenbalt tussen 20 jaar en 60 jaar, dat is niet goed. Dat vergroot de werkdruk op de werkenden, het werk wordt steeds meer topsport. We moeten praten over een minder intensief arbeidszaam leven.”

Weitenberg: “Wij zijn ook voor een betere loopbaanplanning. Maar voorlopig stijgt het beroep op de Vut fors en dat drukt de loonkosten omhoog. De Vut-premie vergt in sommige bedrijfstakken al 7 tot 8 procent van de loonsom. Zie de zuivel, de textiel, de grafische bedrijven. In sommige sectoren nadert men zelfs de 10 procent. Nu gaan van de oudere werknemers die met werken ophouden ongeveer even veel mensen in de Vut als in de WAO. Wij zijn bang dat, als straks de instroom naar de WAO wordt geblokkeerd, het beroep op de Vut nog sterker zal toenemen dan tot dusver. Bovendien vergrijst de beroepsbevolking, zodat ook daardoor het aantal potentiële vutters toeneemt.” “Wie geen gebruik maakt van de Vut wordt al gauw behandeld als iemand die te lang op een feestje blijft hangen. Dat klimaat moet veranderen. Maar dan moet je ook de regels wijzigen. Want nu is het verlies aan netto inkomen voor iemand die in de Vut gaat wel heel beperkt. In de grafische sector krijgt hij zelfs 100 procent. Het zalige nietsdoen lijkt dan erg aanlokkelijk.”

De Vut ontstond in de tweede helft van de jaren zeventig als maatregel om de werkloosheid terug te dringen. Oudere werknemers moesten plaatsmaken voor jongeren. Werkt de Vut nog zo?

Weitenberg: “Tien jaar geleden was het geen probleem om vacatures die door de Vut ontstonden op te vullen. Dat is het nu wel. In ons land is de arbeidsparticipatie veel lager dan in de omringende landen. Waar zijn we dan mee bezig? Ik zeg niet dat de Vut weg moet, maar dat we naar een selectieve toepassing moeten. De één is als hij 60 is uitgeput, de ander kan zelfs als hij 70 is nog een voor het bedrijf waardevolle prestatie leveren.”

Draijer: “Ik tast de strekking van Weitenbergs verhaal niet aan, maar ik zie het iets genuanceerder. Bij de invoering van de Vut speelde niet alleen de werkloosheid een rol, maar ook de technologische vernieuwing in tal van bedrijven. Die stelde andere eisen aan de werknemers, en door de automatisering waren minder mensen nodig.”

Weitenberg: “Ik neem afstand van de gedachte dat oudere werknemers niet met nieuwe technieken kunnen omgaan.”

Draijer: “Ik ben de laatste om dat te betwisten. Maar ik praat nu uit eigen ervaring, ik zat toen nog in de grafische industrie. Van de arbeidsplaatsen die door de Vut vrijkwamen werd begin jaren tachtig amper een kwart herbezet. Van een vervanging van oud door jong was dus slechts in beperkte mate sprake. Nu is die herbezetting bijna honderd procent. Als werkloosheidsmaatregel fungeert de Vut nu dus beter dan toen.”

Weitenberg: “Maar nu is de arbeidsmarkt juist veel krapper, vooral voor geschoold personeel.”

Draijer: “Het bedrijfsleven plukt nu de wrange vruchten van de kruideniersmentaliteit in de jaren tachtig. Men bezuinigde op allerlei onderwijsfaciliteiten. Door die verkeerde zuinigheid werden te weinig vakbekwame mensen opgeleid.”

Weitenberg: “Dat is waar, maar dat gebeurde in een periode waarin het bedrijfsleven het buitengewoon moeilijk had. Maar die tijd is voorbij en inmiddels is het aantal jongeren dat zich jaarlijks op de arbeidsmarkt meldt veel minder groot dan vroeger. Het gevecht om de jongeren is losgebarsten. Tegelijkertijd maken steeds meer 60-plussers gebruik van de Vut. Wat is nu ons arbeidsmarktbeleid?”

Draijer: “Maar dan moet je niet zeggen: maak de Vut maar minder aantrekkelijk. Nee, dan moet je de arbeidsvoorwaarden verbeteren, en het loopbaanperspectief. Ouderen zeggen nu ook: met een beetje aanpassing van de arbeidstijd zou ik best door willen werken. Maar als je bij wijze van spreken al geschoffeerd bent - zo van: Kun jij nog wel mee? - dan gebruik je natuurlijk de Vut.”

U pleit beiden voor een beter ouderenbeleid, maar wat is beter? Het NCW wil meer uitdaging voor de oudere werknemer door meer differentiatie. Geen scholing voor iedereen, maar toegespitst op de behoeften van het bedrijf. En, vooral, een salarislijn die minder steil verloopt. Dus vanaf een lager beginloon (minimumloon omlaag) via kleinere stapjes omhoog, zodat het loon ook voor ouderen nog kan stijgen. De FNV daarentegen legt de nadruk op een kortere arbeidstijd voor ouderen, meer functie-wisselingen, en scholing voor iederen.

Draijer: “Als een bedrijf aantrekkelijker wil zijn op de arbeidsmarkt dan het niet de lonen verlagen. Als je mensen vaker van functie wilt laten veranderen, moet je ze ook iets bieden.”

Weitenberg: “Hang er een eenmalige bonus aan. Prima.”

Draijer: “Mensen met interessant werk zitten niet op de Vut te wachten. Maar bij gesprekken op de werkvloer hoor ik voortdurend dat oudere werknemers zich overbodig voelen. Ze zijn niet met de ontwikkelingen meegegroeid. Ze worden geconfronteerd met "pikkies' die net van school komen en alles veel beter weten. Als je met zulke mensen probeert over te Vut te spreken krijg je onmiddellijk emotionele discussies. De Vut, dat is hun perspectief, daar leven ze naar toe.”

Het NCW vindt het niet goed dat werknemers nu geheel zelf kunnen beslissen of ze de Vut in willen of niet. Weitenberg pleitte eerder deze maand voor een tweezijdig recht, waarin de werkgever meebeslist. Betekent dat in de praktijk niet dat de werkgever tegen hoogproduktieve werknemers zegt: jullie moeten doorgaan, terwijl hij werknemers die minder produceren naar de Vut verwijst?

Draijer: “Zo maak je van de Vut een soort WAO, daar ben ik principieel op tegen. Als werknemers door de werkgever worden gekeurd, dat zet je de deur naar willekeur toch wijd open.”

Weitenberg: “Dat heb je mij niet horen zeggen. Je kan die keuring overlaten aan de bedrijfsarts, of iemand anders. De ene werknemer is op zijn 60ste sprankelend, de ander is uitgeblust. Die differentiatie is nodig.”

Draijer: “Maar wie maakt dat uit? Dat moet de werknemer zelf beslissen.”

Weitenberg: “Maar hij niet alleen. Ik denk aan een keuring zoals je nu in veel bedrijven de periodieke keuring hebt.”

Draijer: “Maar zo trek je het dus toch in de arbeidsongeschiktheid-sfeer. Wat mij niet bevalt is dat een werkgever en een arts op die manier een werknemer kunnen overrulen. En werkgevers kijken natuurlijk ook hoeveel ze in een werknemer hebben geïnvesteerd. Tegen iemand met veel training zeggen ze: we kunnen je niet missen. En tegen anderen: we kunnen je niet meer gebruiken.”

Weitenberg: “Je draait de zaak nu om. Als een werknemer nu zegt: Ik wil in de Vut, dan doet-ie dat.”

Draijer: “Tenzij de werkgever die werknemer bijvoorbeeld een kortere werktijd aanbiedt. Maar dat gebeurt nu zelden of nooit.”

Ministeriële verantwoordelijkheid