Botho Strauss' commentaar op Duitse hereniging; De eens zo krachtige prooijager

Voorstelling: Slotkoor van Botho Strauss door Het Nationale Toneel. Regie: Hans Croiset. Vertaling: Nellek van Maaren. Decor: Santiago del Corral. Kostuums: Rien Bekkers. Spel: Hugo Koolschijn, Josée Ruiter e.v.a. Gezien: 19-12, Koninklijke Schouwburg, Den Haag. Nog te zien: t-m 8-3, daar en elders.

Botho Strauss voldoet aan de hoogste eis die men een toneelschrijver misschien stellen kan: hij heeft een regisseur nodig. Een regisseur die hem begrijpt en verklaart en die zijn tekst uitpluist op betekenissen, een regisseur die niet alleen de tekst kiest maar ook verduidelijkt waarom hij die gekozen heeft. Hij moet gids zijn, die een pad baant door een woud van woorden.

Strauss' nieuwste stuk, Slotkoor, is wat dat betreft dankbare stof. De tekst bestaat uit drie afzonderlijke delen, waarvan samenhang en inhoud op zijn zachtst gezegd ondoorzichtig zijn. In de eerste acte met de titel "Zien en gezien worden' poseren vijftien mensen voor een groepsfoto. Gespreksflarden suggereren onderlinge relaties of juist onbekendheid met elkaar. Opeens brult iemand (m8 geheten): “Duitsland!” Iedereen verstart. De foto wordt niet genomen, althans niet door de fotograaf want de groep vermoordt hem.

Tweede acte: "Lorenz voor de spiegel - Uit de wereld van de vergissing'. De architect Lorenz ziet zijn opdrachtgeefster Delia naakt onder de douche. Die ongewilde intimiteit blijkt de nekslag voor zijn bouwplannen en voor zijn levenslust. Tijdens een feestje van een Delia schiet hij zich voor de spiegel, waarin de gasten zich ruziënd en liefkozend beurtelings zijn komen monsteren, door het hoofd. De spiegel toonde even daarvoor het beeld van de naakte Delia.

De derde acte heet "Van nu af aan' en verwijst het duidelijkst naar wat het thema van het stuk heet te zijn: de Duitse hereniging. In een Berlijns café ruziën ene Anita von Schastorf en haar moeder luidkeels over het verleden van hun vader en man, verzetsstrijder tijdens de nazi-overheersing. Kennelijk is het november 1989. Het openstellen van de grenzen wordt verkondigd, de cafégasten haasten zich naar buiten om feest te vieren. Anita blijft achter en geeft zich in een van symboliek zwangere monoloog over aan de (Duitse) adelaar. Deze eens zo krachtige prooijager stelt haar teleur, zozeer zelfs dat zij het dier vermoordt. Daarna stamelt zij de laatste woorden van Slotkoor: “Woud...woud...woud”.

Al drie maanden na de val van de Muur ging Slotkoor in première, in München. Strauss laat zijn commentaar driemaal in bloed eindigen, op het eerste gezicht een teken van pessimisme. De fotograaf, de vastlegger van de status quo, is misschien de geschiedschrijver, de architect de politicus. Misschien, want de metaforen zijn dubbelzinnig. Dat geldt niet voor het oersymbool uit de laatste acte. Maar eenduidig is ook dat beeld niet: is de dood van de adelaar, van de oude Duitse mentaliteit Strauss' wens of zijn verwachting? In de wens overheerst angst, in de verwachting optimisme. En wat moet dat "woud' aan het slot betekenen, die bakermat van de Duitse ziel? En dat dan in combinatie met het begin, de titel, het slotkoor uit Beethovens Negende, waarin alle mensen broeders worden?

De toneelschrijver Strauss blinkt weer eens uit in het opgeven van raadsels, samengesteld uit archetypische symbolen en mythologisch strooigoed, zoals de naam Delia die naar de godin van de jacht Diana verwijst. Door haar naam wordt de architect Lorenz vanzelf Aktaion, de ongelukkige die Diana naakt zag en door haar uit wraak veranderd werd in een hert om vervolgens door zijn eigen honden verslonden te worden.

Temidden van de wirwar aan richtingwijzers moet het publiek zijn eigen weg maar kiezen. Dat althans blijkt uit de enscenering van Hans Croiset bij Het Nationale Toneel. Hij weigert of is niet bij machte de regisseur te zijn die Strauss nodig heeft, hij is kennelijk voornamelijk de toneelleider die zich na zijn regies van Strauss' De kamer en het vertrek en Bezoekers verplicht ziet ook Slotkoor uit te brengen. Zijn regie is een accentloze reading van het stuk, uit niets blijkt zijn fascinatie of op zijn minst een motief.

Looiig - dat is de sfeer van Croisets blanco weergave van de tekst. Sfeer is trouwens een verkeerd woord, vooral de tweede acte, het scharnier van het stuk, knarst juist door het gebrek daaraan. Kostuumontwerper Rien Bekkers heeft de betekenis misschien beter doorgrond dan Croiset. Hij heeft de vrouwen allemaal dezelfde jurken aangegeven, in verschillende kleuren, zoals in een dansstuk vaak gebeurt. Had Croiset dat choreografische idee gevolgd, dan had hij wellicht tempo aangebracht en ritme en muzikaliteit. Een symfonie van geluiden en handelingen - à la Beethoven - had de hoofdbrekens van de toeschouwer kunnen overspoelen en kunnen vervangen door een gevoel, een klimaat.

In deze regie overheerst het incident als dwaalspoor uit een structuurloze werkelijkheid. Waarom toont Croiset geen interpretatie - wat zijn taak is - en laat hij Josée Ruiter als Anita aan het slot in de steek? Zij moet het nu doen met een krampachtige tekstbehandeling, die niets oproept. Haar woorden behoeven kleur, een contrapunt, een stellingname. Croiset laat haar schaamteloos in de kou staan. Dat hij het oordeel over Strauss' tekst daarmee naar een volgende enscenering verdaagt, is in dat licht slechts een detail.