Bij het afscheid van Kees Stip; "De schepping is een dictatuur'

De weg voert door de mist: langs Amersfoort, Zwolle, Hoogeveen, Emmen en Ter Apel naar het Groningse Sellingen.

Ik ken het echtpaar Stip al vele jaren, maar ik ben - schandelijk genoeg - nog nooit bij Kees en Katja thuis geweest. In de nietige buurtschap Terwisch sla ik rechtsaf. Een lange, smalle weg tussen sloten en velden. Aan de horizon staan een paar verdwaalde huizen. In een van die huizen woont de meester. Je woont ver weg, Kees.

“Ja, jij ook, Ivo!”

Kees lacht. Ik speel mijn interviewers-rol. En vertel eens, hoe is het culturele klimaat hier?

“Oh, maak je niet ongerust: dat is er niet. De postbode onderhoudt het contact met het westen. Ik heb rust en ruimte nodig om te kunnen werken.”

De aanleiding voor onze ontmoeting is duidelijk: naast dit vraaggesprek staat, na 4 jaar, de laatste aflevering van Kees' kwatrijnenrubriek Versvoetstoots. Kees heeft lang nagedacht over zijn commentaar:

“De redacteur van de Achterpagina is vernieuwd en vernieuwt de Achterpagina - maar ik ben niet vernieuwbaar.”

Kees is 78 jaar, maar hij blijft schrijven en hij moet en zal een medium hebben. Vanaf 1 januari gaat hij meewerken aan De Groene Amsterdammer.

Kees Stip werd geboren in Veenendaal. In zijn ouderlijk huis viel niets muzikaals of letterkundigs te beleven, zijn vader was (oh cliché!) boekhouder. Kees studeerde Latijn en Grieks en Algemene Taalwetenschap, maar wezenlijke wetenschappelijke interesse bleek hem uiteindelijk vreemd. Hij ontdekte dat hij van schrijven en dichten kon leven. Zijn eerste gedicht maakte hij op 6-jarige leeftijd: twee kenmerkende regels van een versje dat nooit afgekomen is:

Het varken is bekend

om zijn knortalent.

Stip maakte furore met Dieuwertje Diekema, een parodie op Mária Lécina van Werumeus Buning en hij pasticheerde onder andere Speenhoff, Gorter en Nijhoff in Vijf variaties op een misverstand. Gravend in zijn herinneringen (“het geheugen neemt af op korte termijn, maar toe op lange termijn”) stuit Kees op een mij onbekende Piet Paaltjens-pastiche over een inmiddels verdwenen Utrechtse steeg met een wel zeer evocatieve naam: Het Hanengeschrei.

Ik heb haar gezoend in het Hanengeschrei

bij de automaat in de Choorstraat,

terwijl ze garnalenkroketjes at,

of wat daar gewoonlijk voor doorgaat.

Er glommen lichtjes op haar lip

van een eenzame, oude lantaren.

In de verte knarste de Zeister tram

en de avondwind woei door haar haren.

Ik zei tegen haar: doe die lichtjes uit,

anders sta ik niet meer voor mezelf in -

en toen ze weer aangingen zette de Dom

het voorspel van kwart over elf in.

Voor deze zoen mag de duivel mijn ziel

En mijn lichaam de schillenboer halen:

ik proefde de eeuwige zaligheid

en een klein beetje ook de garnalen.

“Ik vind Paaltjens een van de allergrootste dichters. Zijn werk is een monument van zwarte humor. Daar verbleekt zelfs Heine bij. En... je kunt alleen parodiëren wat je goed vindt, het is niet de moeite om een parodie te maken op een slechte dichter”, zegt hij.

Heb je Onze Grote Dichters ooit ontmoet?

“Paaltjens, helaas, niet. Buning, Nijhoff, Roland Holst en Bloem heb ik min of meer toevallig wel eens gesproken, maar ze kenden mijn werk niet. Zelfs Clinge Doorenbos wist niet wie ik was. Ik begrijp dat eigenlijk wel: ik heb zelf ook de pest aan lezen, 99 procent van alle leesvoer kan me gestolen worden. Leo Vroman lees ik graag. Ik heb een Engels gedicht van hem vertaald en met hem gecorrespondeerd over het resultaat. We zijn het redelijk eens geworden.”

Je bent altijd ingedeeld bij de Humoristen, bij het Light Verse...

“Dat heeft me nooit gestoord. Er is voor mij geen splitsing tussen licht vers en zwaar vers. Ik heb nooit iets geschreven waar geen humor in zit, maar ik maak het de lezer niet al te gemakkelijk: men moet een beetje pijnlijk om mij kunnen lachen. Ach, wij zijn au fond een ondichterlijk land, waar zowaar figuren als Cats en Kloos het tot dichterschap hebben kunnen brengen.”

Komt je humor voort uit optimisme?

“Ik ben een volslagen pessimist. Ik ben het geheel oneens met de schepping, maar ik heb geen keus: de schepping is een dictatuur. Ik kan alleen proberen mezelf erbovenuit te lachen. Ik ben een kniezer, maar ik ontknies mezelf door versjes te maken.”

Kees citeert een gedeelte van zijn Versmald sonnet (uit AU! de rozen bloeien.)

O smal geschenk

uit smalle schoot

gedoemd van dood

naar dood te moeten,

hoe moet ik boeten

omdat ik denk.

Sonnetten zijn voor Kees een tamelijk nieuw genre. Hij vindt veertien regels "een hoop werk'. Lange tijd schreef hij onder het pseudoniem Trijntje Fop voornamelijk dierdichten van 6 regels: de zogenaamde Foppen.

Op een hond

"Het allerabsoluutste niets

is van een nietbestaande fiets

het niet met iets gevuld zijn van de

al evenmin bestaande banden.

"Zou het dan erg zijn', zegt een hond,

"als daar geen fietspomp voor bestond?'

Trijntje Fop is door de jaren heen door tallozen geïmiteerd...

“Ja - en altijd door mensen die het niet kunnen. Men heeft niet het geringste idee van maat en rijm. Uitleggen heeft geen zin: men blijft van mening dat Utrecht op Dordrecht rijmt. De reden is, vermoed ik, dat kinderen te vroeg om hun dichtwerk geprezen worden: knap gedaan, kind! Een pets zou beter zijn!”

“Kees, je lijkt Drs. P wel - zal ik dat nou wel in de krant zetten?”

“Jaja, zet dat er maar in. Een pets zou beter zijn. Haha, dat zou dichters kweken!”

Waarom ben je opgehouden met het maken van Foppen?

“Ik ben er te lang mee doorgegaan. Het genre heeft me ook een beetje geremd. Ik kwam niet meer aan andere dingen toe. En ik dacht: de beste Foppen overtref ik tóch niet meer. Ik ben toen sonnetten gaan maken - gewoon elke dag ééntje.”

Maar dat is toch ambtenaarsgedoe: elke dag ééntje! Langs zo'n vast stramien gaat een Nederlands dichter toch niet te werk!

“Ach, wat een ander mankeert, weet ik niet. Het is éénmanswerk. Ik doet het al mijn hele leven zo: elke dag een Fop of een sonnet of een paar kwatrijnen.”

De kwatrijnen van Versvoetstoots waren vaak aangenaam rebels. Ben je eigenlijk een ouwe stenengooier?"

“Ik ben heel lang heel erg braaf geweest, een hele brave jongen uit Veenendaal. Pas later ben ik in opstand gekomen. Het is toch ook vreselijk dat de mens met zijn denkvermogen nog steeds zijn toevlucht zoekt bij de meest primitieve rituelen. Geweld. Religie. Lieve help, die eeuwige narcose van de godsdienst...”

Worden de verzen uit Versvoetstoots gebundeld?

“In 1993, als ik 80 word, komt mijn Verzameld Werk uit. Dick Welsink is dat aan het samenstellen. Naast de herdruk van alle eerdere bundels is er een afdeling voorzien die Lichtvoetig Allerhande zal gaan heten en die mijn verspreide werk zal bevatten. In die afdeling zullen mogelijk ook de meer algemene kwatrijnen uit Versvoetstoots een plaatsje krijgen.”

Als dat Verzameld Werk er is en je bent goed en wel 80 jaar, stop je dan met dichten?

“Nee, pas als mijn hersens 65 worden, houd ik ermee op. Ik schrijf gewoon verder. Dan moeten ze te zijner tijd maar een Aangevulde Tweede Druk van dat Verzameld Werk uitbrengen. In 2013 bijvoorbeeld - als ik 100 word.”