Angsthazen vrezen debat over sociale dienstplicht; Het felste verzet komt van vrouwelijke politici en van vrouwen rondom de Emancipatieraad.

In zijn kroniek "Einde Dienst' vroeg Marc Chavannes zich onlangs af of ons land en onze jongeren niet gebaat zouden zijn bij het instellen van een sociale dienstplicht. Hij suggereerde dat de Commissie-Meijer, die onderzoekt of de militaire dienstplicht kan worden afgeschaft, ook de mogelijkheden van sociale dienstplicht bekijkt.

In een "verruimd defensie-begrip' wil hij onze jongens- en meisjes-schoolverlaters een rol laten vervullen in een defensiestructuur van een geheel andere orde dan die van de afgelopen veertig jaar. Hij ziet onze toekomstige sociale dienstplichtigen deelnemen in de strijd tegen verdere maatschappelijke "verfloddering', voortschrijdend milieuverval, gebrek aan verzorging van een groeiend aantal afhankelijke medeburgers en tegen de toenemende onveiligheid. Hij eindigde zijn betoog met de woorden: “van loopgraaf tot looprek. Dat zou in het Westen wat nieuws zijn”.

Chavannes raakt hier aan een onderwerp waar een ruime meerderheid van onze bevolking sympathiek tegenover staat, zo blijkt uit recente opiniepeilingen, maar waar haar vertegenwoordiging in de Tweede Kamer al sinds 1978 zeer omzichtig mee omgaat.

Mijn verwachting is dat een meerderheid van de Kamer het idee van sociale dienstplicht aantrekkelijk vindt, maar het geen vorm durft te geven onder invloed van de tegenkrachten, die in alle fracties voorkomen.

Tijdens diverse debatten in 1978, 1979 en 1982 hebben D66, CDA, PvdA en de PPR bij ministers van sociale zaken op een onderzoek naar de mogelijkheden van maatschappelijke dienstplicht aangedrongen. De toenmalige minister van sociale zaken Albeda zegde in mei 1979 een onderzoek toe met de woorden: “Het is in ieder geval wel de moeite waard nader na te denken over deze problematiek”. Den Uyl zei twee jaar later: “Er hoeft niet direct (vals) gefloten te worden als de woorden maatschappelijke dienstplicht vallen”. En Lubbers verklaarde in mei 1990 naar aanleiding van een resolutie van de CDA-jongeren waarin maatschappelijke dienstplicht werd bepleit: “Het is goed als iemand zich voordat zijn werkzame periode is begonnen al maatschappelijk kan ontplooien”.

Maar een fundamenteel onderzoek is nog steeds niet uitgevoerd. We praten er al dertien jaar over, terwijl we in de zorgsector, bij de politie en voor de verbetering van het milieu steeds grotere behoefte hebben aan "handen' van de flexibele jongeren en we naarstig zoeken naar een extra instrument voor de integratie van de allochtone jeugd. Ook Chavannes wees op dit laatste.

Maar wie verzet zich nu dan nog, en met welke argumenten? Ik heb helaas vaak moeten vaststellen dat het felste verzet komt van een deel van de vrouwelijke politici en van vrouwen uit kringen rondom de Emancipatieraad.

Ria Beckers (Groen Links) schreef in juni 1989 in Trouw geen voorstander te zijn van een discussie over sociale dienstplicht, “ook al omdat de achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt nog lang niet weggewerkt is”. En Elske Ter Veld zei in het PvdA-blad Voorwaarts in juli 1990: “vrouwen hebben al hun maatschappelijke onderbreking. Ze worden zwanger. Ze baren kinderen”.

Inderdaad, de achterstand van vrouwen op de arbeidsmarkt bestaat, hoewel recentelijk is gebleken dat de huidige schoolverlaters, dus ook de meisjes, tegenwoordig snel naar de arbeidsmarkt wegvloeien en over die en de toekomstige schoolverlaters heb ik het. Maar afgezien daarvan zou een achterstand op de arbeidsmarkt toch geen beletsel mogen zijn voor het via een onderzoek nadenken over de vraag hoe wij deze samenleving in de toekomst aan de gang kunnen houden? Die vraag was onlangs ook aan de orde op het demografencongres aan de VU.

Mede onder invloed van het emancipatiebeleid verliest de uitspraak van Ter Veld geldigheid. Steeds minder kan het baren van kinderen als hard argument worden gehanteerd tegen sociale dienstplicht. Nee, als Ter Veld zou hebben gezegd dat ze een onderzoek niet opportuun vindt omdat ze al problemen genoeg heeft met het vinden van banen voor honderdduizenden werklozen en arbeidsongeschikten, zou ik daar een eind in mee kunnen gaan. Het blijft echter de vraag of ze denkt die probleemgroep te kunnen dwingen tot het vervullen van maatschappelijk nuttig werk en of ze van mening is dat de leden van die groep de flexibiliteit nog hebben die nodig is voor het voeren van de "oorlog' waar Chavannes over spreekt.

Een ander veel gehoord argument onder vrouwen is de stelling dat je ongemotiveerde jongeren toch niet zomaar mag "loslaten' op hulpbehoevenden, die eerder behoefte hebben aan beroepskrachten.

Op voorhand ervan uitgaan dat jongeren voor de zorgsector ongemotiveerd zijn, is een motie van wantrouwen tegen de jeugd. Bovendien zal er voor de jongeren een breed scala van keuzemogelijkheden moeten zijn. De grote behoefte aan beroepskrachten is evident, maar waar het precies om gaat als we spreken over het nut van sociale dienstplicht werd goed verwoord door Hartmeijer (PvdA) in 1979 in een Kamerdebat. Hij zei: “Hierbij kan men denken aan werkzaamheden (voor de jongeren) die ten doel hebben, de beroepskrachten in de sectoren van cultuur, welzijn en overheidsinstellingen meer armslag te geven”. Met andere woorden sociaal-dienstplichtigen moet je daar inzetten waar de beroepskrachten hun kostbare tijd besteden aan klusjes die ook door een ongeschoolde zouden kunnen worden gedaan.

Ook het argument dat de ILO-Conventie zich tegen maatschappelijke dienstplicht verzet, wordt vaak gebruikt, maar is gemakkelijk te weerleggen. De ILO-Conventie is in alle discussies van de afgelopen jaren niet ter sprake geweest. Mijns inziens omdat deze Conventie geen echte hindernis vormt als een staat de noodzaak van maatschappelijke dienstplicht kan aantonen.

Wie in deze tijd een onderzoek naar de wenselijkheid en mogelijkheid van sociale dienstplicht niet aandurft, is een politieke angsthaas die de problemen onderschat die ons in de nabije toekomst wachten. Het rekruteren van Oosteuropese hulpverleners, zoals in VVD-kring wordt gesuggereerd als één van de oplossingen van het "handen'-tekort, omdat wij onze eigen kinderen niet wensen in te zetten waar dat nodig, is niet alleen een zwaktebod tegenover ons zelf, maar ook niet acceptabel tegenover de hulpbehoeftigen in de Oosteuropese samenleving. Daar is het zorgniveau toch al zo minimaal.