Wie wil er nog trouwen met ons staatshoofd?; De overlevingskansen van een monarchie onder ministeriële curatele

Als het moment is gekomen dat kroonprins Willem-Alexander zijn aanstaande echtgenote voorstelt aan het volk, werpt de geschiedenis een schaduw vooruit.

Het functioneren van de echtgenoot of echtgenote van het staatshoofd is staatsrechtelijk nauwelijks geregeld, en dat heeft in het verleden zowel constitutionele als persoonlijke problemen gegeven. Prins Hendrik als voorzitter van het Rode Kruis, prins Bernhard als belangenbehartiger van het bedrijfsleven en prins Claus als pleitbezorger van de Derde Wereld: alle drie stuitten ze op de grenzen van hun beperkte bevoegdheden. Vooral prins Claus heeft jarenlang gezocht naar de bewegingsvrijheid die hem toekwam als echtgenoot van het staatshoofd.

Niet bekend

Hoeveel ruimte zal de politiek de echtgenote van Willem-Alexander, de nieuwe konin- gin, straks laten? Mag zij een baan vervullen? Hoe ver mag die baan uitgaan boven het strikt ceremoniële? Zal zij gelegenheid krijgen haar privé-leven te scheiden van haar functie van echtgenote van de kroonprins, later de koning?

""Als je het koningschap wilt behouden, moet je zorgen dat de koninklijke familie maximale bewegingsvrijheid heeft'', zegt prof.mr J.J. Vis, hoogleraar staatsrecht in Groningen en D66-fractievoorzitter in de Eerste Kamer. ""Er is op dit moment te veel bemoeizucht van de politiek met het doen en laten van de koninklijke familie. Dat geldt ook voor de prins-gemaal.''

Maar de moeilijkheden van de partner van de vorst komen niet alleen voort uit de staatsrechtelijke regelingen, en zijn dus ook met een aanpassing daarvan niet volledig op te lossen. Toen Claus van Amsberg in 1966 met kroonprinses Beatrix in het huwelijk trad, werd hij zorgvuldig voorgelicht over de beperkingen die het staatsrecht aan zijn functioneren stelde. Toch bleek later dat de prins destijds allerminst besefte wat hem te wachten stond.

""Ik had geen idee wat een monarchie inhield'', zei hij in 1986 in een Avro-interview. ""En ik was ook een beetje naïef, geloof ik. Ik heb een tijd lang gedacht: ik zit nu in de Duitse diplomatieke dienst, misschien kan ik een post op een Nederlandse ambassade krijgen, en dan gaan we ergens naar Afrika of Zuid-Amerika of Azië... Wat het betekent om de hele tijd in een glazen huis te zitten, en wat dat je doet, dat gevoel, dat kun je ook niet inschatten.''

Op zoek naar de bewegingsvrijheid die niet alleen de formele regels maar ook de alledaagse praktijk van het staatsrecht de prins-gemaal laten, stuitte prins Claus herhaaldelijk op de grenzen van zijn rol. Daarom is zijn geschiedenis als prins der Nederlanden in de afgelopen 26 jaar niet louter een persoonlijk verhaal.

De ervaringen van de prins illustreren hoe de staatsrechtelijke praktijk zich ontwikkelde. Ze geven ook aan hoe de politiek volgens een grillig patroon heeft geprobeerd inhoud te geven aan de rol van de partner van de koningin. Wie zich bezint op de bewegingsvrijheid van de echtgenote van het toekomstige staatshoofd en andere leden van het Koninklijk Huis, kan daarom aan zijn geschiedenis niet voorbij gaan.

Ramp voor Nederland

Onlangs haalden twee familieleden van premier Lubbers de krant. Echtgenote Ria vroeg op een bijeenkomst van een vrouwenorganisatie in Groenlo alle mannelijk aanwezigen de zaal te verlaten, omdat ""de taal van vrouwen anders is, die verstaan mannen niet''. Een paar dagen later noemde Lubbers' broer Rob de besluiteloosheid van de politiek ""een ramp voor Nederland''.

Noch de opvattingen van zijn broer, noch het optreden van zijn vrouw deden vragen rijzen over het functioneren van de minister-president. Geen enkele maatschappelijke organisatie wilde weten of Lubbers de opinies van zijn familieleden deelde. Een reactie van de Tweede Kamer bleef uit. Het premierschap is immers een functie van een individu, aan opvattingen van familieleden wordt door niemand veel belang gehecht.

Prins Claus heeft sinds zijn komst naar Nederland, in 1965, ervaren dat de familieleden van de koningin niet de vrijheid hebben van de broer en de vrouw van de premier. Wat de leden van het Koninklijk Huis doen en zeggen is niet louter hun eigen zaak. Hun openbare optreden is aan strenge staatsrechtelijke beperkingen gebonden. Wie zo dicht bij de koningin staat als de leden van het Koninklijk Huis, zo wil het staatsrechtelijke gebruik, moet er rekening mee houden dat zijn handelingen en uitlatingen gezien kunnen worden als een weerspiegeling van de opvattingen van het staatshoofd. En dat moet voorkomen worden, want het staatshoofd wordt geacht boven de partijen te staan (zie kader).

Toen bekend werd dat de aanstaande verloofde van prinses Beatrix een Duitser was, raakten de gemoederen in het Nederland van de jaren zestig ernstig verhit. In brede kring was er ontzetting, woede, onbegrip. De politiek was ervan overtuigd dat Claus van Amsberg zich zeer voorzichtig moest gedragen, wilde hij ooit maatschappelijk geaccepteerd worden.

Via cursussen zou de 39-jarige prins in hoog tempo worden ingewijd in de Nederlandse samenleving. Prof. L. de Jong onderwees de prins in elf lessen over de geschiedenis van het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Het staatsrecht - en dus de staatsrechtelijke positie van leden van het Koninklijk Huis - werd hem bijgebracht door dr. L.J.M. Beel, ex-premier en een vertrouweling van koningin Juliana. Beel meende dat Claus zeer kort gehouden moest worden, en de prins accepteerde dat. Zo leerde hij van de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid: wat hij ook wilde, aan iedere openbare daad diende de uitdrukkelijke instemming vooraf te gaan van de minister-president of een betrokken vakminister.

De eerste jaren moest de ex-diplomaat, die ervaring had opgedaan op ambassades in het Caraïbisch gebied en Afrika, zijn werkterrein beperken tot louter ceremoniële bezigheden. Aanvankelijk schikte de prins zich daarin. Van een zelfstandige professionele carrière was geen sprake, laat staan van een ambassadeurschap in Afrika.

Politiek vaarwater

Gaandeweg begon de prins zich te verzetten tegen het geringe inhoudelijke gehalte van zijn werk. Hij wilde niet slechts "een ornament' van de monarchie zijn. Sprekend over de leden van het Koninklijk Huis zei hij vier jaar na zijn huwelijk in het openbaar: ""Ik heb soms het gevoel, heel eerlijk, dat men meer gebruik van onze kwaliteiten zou kunnen maken.'' Voor de bescheiden, altijd weloverwogen formulerende Claus een ongewone uitspraak - een duidelijk signaal aan het kabinet.

Gezien de professionele achtergrond en belangstelling van prins Claus lag een baan in de sfeer van de ontwikkelingssamenwerking voor de hand. Maar volgens de opvattingen van Beel, die de handelwijze van het toen zittende kabinet-De Jong (1967-1971) sterk beïnvloedden, sprak dat allerminst vanzelf: ieder werkterrein waarover politieke discussie kon ontstaan was taboe.

Toch nam het kabinet na aanvankelijke twijfel de klacht van Claus serieus. In 1970 benoemde minister drs. B.J. Udink de prins tot voorzitter van de Nationale Commissie Ontwikkelingsstrategie, al spoedig de Commissie-Claus genoemd (en later uitgegroeid tot de huidige NCO). Daarmee had Claus een baan die enigszins paste bij zijn wensen - het zou een cruciale periode worden in zijn professionele leven in Nederland.

De benoeming viel niet bij iedereen in goede aarde. Udink: ""Ik heb Piet de Jong destijds voorgesteld Claus in deze functie te benoemen. De Jong twijfelde. Er was een enorme keet in de sector van de ontwikkelingshulp. Het was de periode van de polarisatie, en de premier vroeg zich af of de prins niet in politiek vaarwater terecht zou komen.'' Udink zelf had geen bedenkingen omdat de commissie ten doel had de voorlichting over de Derde Wereld te verbeteren - ""een waardevrije zaak''. De ex-minister herinnert zich dat Claus in een gesprek voorafgaande aan zijn benoeming informeerde naar zijn bewegingsvrijheid. Udink: ""Hij is toen nog doorgegaan op de vraag of hij een eigen mening kon hebben. Daarover ben ik duidelijk geweest. "Wat ik zeg zegt u, dus wat u zegt zeg ik', heb ik geantwoord''. De voormalig CHU-leider huldigde de klassieke opvatting dat de prins zich geen duimbreed van het kabinetsbeleid mocht verwijderen.

Rood drankje

In de NCO waren volgens het gebruikelijke Nederlandse patroon uiteenlopende maatschappelijke groeperingen vertegenwoordigd - werknemers, werkgevers, kerken, jongeren - die onder het voorzitterschap van Claus het ene na het andere ideologische dispuut uitvochten. Meestal kwamen de besluiten van de commissie tegemoet aan het linkse levensgevoel van die jaren, dat zeker bij de Derde Wereld-activisten manifest aanwezig was.

Hoezeer de prins ook poogde geen deel van een politieke discussie te worden, hij werd het toch. PvdA-voorzitter Van der Louw sprak van Claus als een ""verademing'' ten opzichte van zijn schoonvader, Telegraaf-journalist Van der Meyden beschreef de voorkeur van de prins voor cassis: ""een ROOD drankje dat er bij CLAUS goed in lijkt te gaan''. Elders in de kolommen voerde De Telegraaf campagne tegen het linkse subsidiebeleid van de NCO.

De opvolger van Udink, dr. C. Boertien, had ruimere opvattingen over de vrijheid van de prins. ""Ik heb prins Claus duidelijk gemaakt dat ik niet vond dat de NCO, omdat ze door hem werd voorgezeten, dicht bij de standpunten van de regering moest opereren.'' Boertien vond mede daarom dat hij besluiten van de commissie-Claus kon verwerpen. Zo weigerde hij onder meer subsidie te verlenen aan een boycot-actie van Angola-koffie, zoals de NCO had voorgesteld. ""Dat besluit nam ik zonder in conflict te komen met de prins'', zegt Boertien. Maar in de publieke beeldvorming, erkent hij, was de botsing tussen de NCO en hemzelf een rechtstreeks conflict tussen prins en kabinet.

De prins zelf bevestigde dat beeld door na de ingreep van de minister in Elseviers Weekblad de acties van het Angola Comité "broodnodig' te noemen. Daarmee verwierf hij meer waardering bij de progressieve NCO-leden dan bij hun meer gematigde collega's. De prins was er toch al in geslaagd goede relaties aan te knopen met NCO-leden die zich aanvankelijk zeer afstandelijk tegenover hem opstelden. Een van hen, J. Jetten, afkomstig uit een communistisch milieu en NCO-lid namens de vakbondsjongeren, vertelt nu dat zijn scepsis over de omgang met een lid van het Koninklijk Huis plaatsmaakte voor bewondering: ""Ik dacht later: ik wou dat hij mijn buurman was.''

Als gevolg van de spanningen tussen de NCO en Boertien drongen enkele ministers in het kabinet-Biesheuvel ('71-'72) aan op het vertrek van Claus. Sommige VVD'ers en christen-democraten meenden dat de functie van de prins onverenigbaar was met de positie van Beatrix als kroonprinses. De identificatie van Claus met de onmiskenbaar linkse commissie bracht de troonopvolger - die immers boven de partijen hoort te staan - in het geding.

Maar Claus wilde zijn baan behouden. Hij had liefde voor zijn werk, dat paste bij zijn ambitie en interesses. Hij kon veelvuldig reizen naar Afrika, het continent waar hij opgroeide en dat hem altijd bleef aantrekken. Hij kon in de functie zijn engagement met de Derde Wereld tot uiting brengen. En hij moest al zijn diplomatieke ervaring inzetten, om de gemoederen in de NCO te sussen en de ideologische tegenstellingen van hun scherpe kantjes te ontdoen.

In dat laatste slaagde hij niet. Na de openbare controverse met het kabinet probeerde de prins vergeefs de NCO op een gematigder lijn te brengen. In 1974 liet minister drs. J. Pronk, de opvolger van Boertien, weten dat de prins de functie maar beter kon neerleggen. Claus accepteerde dat schoorvoetend, omdat het betekende dat hij in Nederland niet kon functioneren zoals hij wilde. Zijn vertrek bij de NCO zou een ommekeer in zijn leven blijken, stellen verscheidene mensen in zijn omgeving vast. Hij wist dat hij voortaan geen politiek gevoelig werk meer kreeg.

"Claus raus'

Ondanks de politieke opwinding rond de NCO, accepteerde de Nederlandse samenleving Claus begin jaren zeventig reeds als volwaardig representant van de monarchie. Door het begrip waarmee hij juist de groepen tegemoet trad die zich aanvankelijk zo tegen zijn komst hadden verzet, wist Claus veel mensen voor zich te winnen. Culturele bijeenkomsten op kasteel Drakesteyn werden bezocht door hoofdstedelijke kunstenaars en intellectuelen, uit wier kring in 1965 nog het "Claus raus' had geklonken. Ook in de joodse publieke opinie had zich een omslag voltrokken: in 1970 drukte het Nieuw Israelitisch Weekblad een vraaggesprek af waarin de prins alle ruimte kreeg zijn opvattingen te presenteren. De snelheid waarmee hij het Nederlands onder de knie kreeg droeg nog bij aan zijn acceptatie.

Op Drakesteyn was het voor Beatrix en Claus nog mogelijk hun privé-leven te scheiden van hun openbare functies. De prins was geen hofleven gewend, hij kwam uit een totaal andere wereld: een weinig welvarende jeugd, op kostschool in Tanzania, Hitler-Duitsland als tiener, een studie rechten die hij ternauwernood wist te financieren, de Duitse diplomatieke dienst. De vormelijkheid die de monarchie nu eenmaal aankleeft zou hem later zwaar vallen, maar op Drakesteyn was deze nog niet zo drukkend. De prinses en de prins maakten veel reizen, die zelden het formele karakter hadden van staatsbezoeken.

Kort na het huwelijk (1966) waren achtereenvolgens de prinsen Willem-Alexander (1967), Johan Friso (1968) en Constantijn (1969) geboren. Op Drakesteyn woonde bijna een gemiddeld upper middle class gezin. De beveiligingsmensen waren nog niet alomtegenwoordig, zoals later wel het geval zou zijn. En prins Claus kon er nog zijn eigen veldje Afrikaanse maïs verbouwen - een frivoliteit die op het Haagse Huis ten Bosch, met zijn statige kamers met bijzonder porselein en wandkleden, nog maar moeilijk voorstelbaar zou zijn.

Adviseur van de minister

Minister Pronk verzorgde na het NCO-debâcle een nieuwe functie voor de prins. Hij werd benoemd tot voorzitter van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers (SNV) - een politiek minder gevoelige instelling dan de NCO, waar hij zich niettemin met de Derde Wereld kon bezighouden. Maar ook hier kreeg de prins problemen. De slechte organisatie bij de SNV, die geheel door de overheid werd gefinancierd, leidde tot een inefficiënte besteding van middelen - en weer begon De Telegraaf een campagne tegen een organisatie waarmee de prins werd geïdentificeerd. Oppositieleider H. Wiegel (VVD) stelde Kamervragen. Uit de beantwoording daarvan bleek weliswaar dat er weinig mis was bij de SNV, maar de prins werd opnieuw duidelijk gemaakt dat hij zich terughoudend moest opstellen. Haalde prins Claus vóór deze kwestie regelmatig de krantekolommen met harde uitspraken over de in zijn ogen verkeerde Westerse omgang met de Derde Wereld, voortaan was dat taboe. Hij trad ook steeds minder in het openbaar op. Verzoeken voor spreekbeurten zegde hij af met de motivatie dat ""ik toch niet mag zeggen wat ik vind''.

Bovendien was het SNV-voorzitterschap geen full time-baan, zodat hij net als in de periode '66-'70 werk te kort kwam om zijn dagen te vullen. Minister drs. J. de Koning (1977-1981) kwam de prins tegemoet door een speciale functie voor hem op het ministerie voor ontwikkelingssamenwerking te creëren: bijzonder adviseur van de minister. Ook hierover was enige aarzeling in de Tweede Kamer. Maar De Koning zette door, en Claus kwam in een teruggetrokken positie die uitstekend bij de omstandigheden van dat moment paste: drie jaar later zou Beatrix haar moeder opvolgen. ""Ik herinner me'', zegt De Koning, ""dat Claus als "ADOS' door het leven ging. Waar dat voor stond weet ik niet meer, maar zonder afkorting ben je niemand op zo'n departement.''

Iedere maandagochtend zat Claus aan bij de ministersstaf. ""Daar kwamen de grote beleidslijnen aan de orde'', zegt De Koning. ""Hij was zeer betrokken, praatte mee, was vrij overal zijn mening over te geven. Hij kent de wereld. Natuurlijk hadden we niet altijd dezelfde ideeën. Het komt vaker voor dat je als minister de adviezen van ambtenaren, wier kennis van zaken je hoog hebt, niet opvolgt. Dat is het leven.''

De prins was ingenomen met zijn nieuwe functie. Maar hij ontkwam ook hier niet aan de druk van de ministeriële verantwoordelijkheid, die zich nu eenmaal niet beperkt tot politieke kwesties. De Koning herinnert zich hoe hij met Claus door Kenia reisde. ""Hij zou een vliegtocht maken. Zijn veiligheidsmensen hadden gezien dat het een éénmotorig toestel was en waarschuwden mij: dit is riskant, u zou het de prins moeten afraden. Hij en ik zijn op een week na even oud, en moest ik dan zeggen: Koninklijke Hoogheid, dat ding heeft maar één motor? Dat zou toch onbehoorlijk zijn. Die machine bleek ook als een dijk in de lucht te liggen. Maar als het was misgegaan, zou ik verantwoordelijk zijn geweest. Dan had de Kamer kunnen zeggen: wist je dan niet dat het toestel gammel was?''

Niet alle ministers hadden dezelfde ontspannen en flexibele houding tegenover de prins, erkent De Koning. ""Je moet niet stijf staan van je ministeriële verantwoordelijkheid. Het is geen zaak voor bange ministers.''

Zo ging De Konings opvolger drs C. van Dijk (1981-1982) veel vormelijker met de prins en zijn adviezen om. Van Dijk zelf was ""bijzonder tevreden met de diensten die de prins bood'' en meent dat hij een goede relatie met Claus onderhield. ""Hij zat niet in de reguliere structuur van het departement, hij had een bijzondere positie - wel nam hij deel aan de wekelijkse vergaderingen. Ik had het idee dat hij gelukkig was in zijn functie. Maar uiteindelijk weet ik dat niet. Het is toch een afstandelijke man - maar ja, dat zeggen ze van mij ook.''

Keurslijf

Het bericht van de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) dat Claus werd behandeld wegens ""klachten van depressieve aard'', kwam ruim twee jaar nadat Beatrix in april 1980 was ingehuldigd. Aan het Binnenhof werd snel een verband gelegd tussen de ziekte van de prins en het keurslijf dat hem, zeker sinds de kroning van Beatrix, was opgelegd. ""In Den Haag drong het besef door dat men fouten had gemaakt in de behandeling van Claus'', zegt ex-PvdA-Kamerlid S. Patijn, nu commissaris van de koningin in Zuid-Holland.

Toen Claus driekwart jaar in behandeling was, zei minister-president drs. R.F.M. Lubbers dat een baan gevonden moest worden ""waarin de prins zijn talenten volop kan ontplooien''. CDA-fractievoorzitter dr. B. de Vries stelde dat het nieuwe werk van Claus ""het ceremoniële, het protocollaire of het politiek-maatschappelijk volstrekt ongevoelige'' moest ontstijgen. Die opvatting werd Kamerbreed gedeeld. ""De ministeriële verantwoordelijkheid wordt nooit een succes'', zegt Patijn, ""als je de mensen aan een touwtje wil hebben en ze ook nog een beetje gelukkig wil houden.''

Claus kreeg na zijn herstel verscheidene nieuwe functies. Hij werd onder meer inspecteur-generaal voor ontwikkelingssamenwerking (waardoor hij werkelijk deel uitmaakte van het ambtelijk apparaat), lid van de raad van commissarissen van De Nederlandsche Bank en commissaris bij de PTT. Door deze spreiding van functies wilde de politiek voorkomen dat de prins in zijn werk afhankelijk zou zijn van één minister en diens persoonlijke opvattingen over de toepassing van het staatsrecht.

Daarnaast kreeg de prins, achttien jaar na zijn huwelijk, ook meer vrijheid zich in het openbaar over politiek gevoelige thema's uit te laten. Sinds halverwege de jaren tachtig bleek dat regelmatig. Zo kon hij in mei van dit jaar op een internationaal congres in Amsterdam het functioneren van de vrije markt scherp bekritiseren. Hij riep het Westen op tot een radicale koerswijziging: ""Het economisch denken is door en door conservatief. Een nieuwe Keynes moet opstaan - maar hij moet wel uit de Derde Wereld komen.''

Toch moest de prins in juli opnieuw voor depressiviteit behandeld worden, de tegemoetkomingen van het kabinet-Lubbers I ten spijt. Het idee dat de ziekte van de prins een rechtstreeks gevolg was van zijn staatsrechtelijke keurslijf, was daarmee sterk gerelativeerd. Zo er al één aanwijsbare oorzaak is voor zijn depressiviteit, behoort deze tot het privé-domein van de prins.

Op vrijwel alle andere terreinen blijkt de scheiding tussen zijn persoonlijk leven en zijn functioneren als prins tot zijn spijt niet te maken. Een vliegtochtje in Kenia of de keuze van een vakantiebestemming: ook als hij zelf zoiets tot zijn privé-aangelegenheden rekent, valt dat toch altijd onder de ministeriële verantwoordelijkheid.

Achtereenvolgende kabinetten zijn daarin te ver gegaan, menen enkele oud-politici die nauw bij de discussies over het Koninklijk Huis betrokken waren. Boertien vindt bijvoorbeeld: ""We zijn te strak geweest.'' Patijn zegt: ""We hebben onze les geleerd. De Nederlandse overheidsdienaren zijn te angstig geweest. We hadden de vrijheid eerder zo groot mogelijk moeten maken.''

Pro Juventute-kalender

Claus is nooit een echte monarchist geweest. ""Voor mij'', zei hij in 1986, ""is de staatsvorm, republiek of monarchie, niet van zoveel belang.'' Omdat leden van het Koninklijk Huis, zoals Claus, zich te zeer beperkt voelen door het systeem, bestaat volgens staatsrechtgeleerde Vis het reële gevaar dat de monarchie van binnenuit wordt ondergraven. Hij bepleit daarom al jaren, net als oud-minister dr. W.F. de Gaay Fortman (CDA), de afschaffing van de ministeriële verantwoordelijkheid voor alle leden van het Huis behalve het staatshoofd en de troonopvolger. Ook de toekomstige echtgenote van Willem-Alexander hoeft zich volgens Vis niet te schikken naar de opvattingen van de minister-president.

Mocht het zover komen, dan zou het karakter van de monarchie fundamenteel veranderen. Vis: ""De vraag is: moet je de Koningin zien als functionaris, of moet je zeggen: de koningin en haar familie staan symbool voor alles wat goed is in Nederland. Het is een familie waarmee niets fout is - het ideaalbeeld van de Pro Juventute-kalender.

""Die laatste houding is misschien goed bedoeld, maar daarmee stel je de leden van de koninklijke familie zo ongeveer onder curatele. Uit menselijk oogpunt kan je dat niet doen. Maar ook uit een oogpunt van praktische politiek niet: geen minister kan verantwoordelijk zijn voor een hele familie. En misschien is het ook voor de monarchie het beste als de persoonlijke vrijheid van zoveel mogelijk van deze mensen optimaal is. Anders zeggen de leden van het Koninklijk Huis nog eens: we doen het niet meer.''

Maar vooralsnog wijst niets erop dat de huidige generatie beroepspolitici ervoor voelt het staatsrecht in deze zin aan te passen. Veel meer ligt het voor de hand, zo valt in Den Haag op te tekenen, dat binnen de bestaande regelingen in de praktijk een zekere versoepeling zal optreden. De Koning: ""De tijden veranderen. Er is sprake van een toenemende vrijheid onder leden van het Koninklijk Huis, zowel in hun persoonlijk leven als in hun taakuitoefening. Maar hoe ver dat kan gaan moet je van geval tot geval bekijken. Een aanpassing van de regeling is daarvoor niet nodig.''

Claus heeft ondervonden dat afzonderlijke ministers de vrijheden van een lid van het Koninklijk Huis naar eigen inzicht bepalen. Om dit in de toekomst met de echtgenote van Willem-Alexander zoveel mogelijk te voorkomen, stelt Patijn voor hierover een gedragscode voor ministers te maken. 'Daar moet in staan: het Koninklijk Huis is een zaak van de premier. En vet gedrukt: gun een grote mate van vrijheid aan degenen die het staatshoofd omringen'.

Ministeriële verantwoordelijkheid

De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk, stelt artikel 42 van de Grondwet - waarbij met "de Koning' het staatshoofd wordt bedoeld, nu koningin Beatrix. Dit artikel betekent dat de ministers politiek gesproken opdraaien voor alles wat de Koning zegt, althans, wat daarvan in het openbaar blijkt. Daarvan is afgeleid het zogenoemde ""leerstuk van de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid'': de ministers zijn ook verantwoordelijk voor de andere leden van het Koninklijk Huis - de vader, de moeder, de echtgenoot, de kinderen, de zuster van de kroondrager, enzovoorts.

Toen prinses Irene in 1964 aankondigde dat zij ""overeenkomstig de uitdrukkelijke wens van haar aanstaande echtgenoot'' had besloten ""in zijn werk nu al te delen, met alle consequenties van dien'', schreef premier Marijnen aan de Kamer dat ""met betrekking tot hetgeen Prinses Irene doet en gaat doen'', de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid niet meer van kracht kon zijn - waarmee het leerstuk in het Nederlandse staatsrecht was geïntroduceerd. ""De Koningin mag in geen geval aan het gevaar worden blootgesteld in politieke acties betrokken te geraken'', aldus Marijnen.

Daarom regelt het staatsrecht dat iedere openbare handeling, uitspraak of maatschappelijke functie van een lid van het Koninklijk Huis op voorhand moet kunnen rekenen op de instemming van de minister-president. De vrijheid van leden van het Koninklijk Huis wordt kortom beperkt door een staatsrechtelijk keurslijf.

""Het is een groep mensen die heel wat minder rechten heeft dan alle andere Nederlanders'', zegt prof. mr J.J. Vis, staatsrechtgeleerde en fractievoorzitter van D66 in de Eerste Kamer. ""Het is een heel fundamenteel juridisch probleem. Je loopt het gevaar dat je een aantal mensen maakt tot marionetten van het constitutionele bedrijf.''

Zo bestaat er altijd, op zijn minst in potentie, een spanning tussen het Koninklijk Huis en het kabinet. De Koning en diens huis worden geacht de ministers niet in de problemen te brengen met uitspraken of daden - ook in hun privé-leven - die de bewindslieden niet voor hun rekening kunnen nemen. En tegelijk wordt van de ministers verwacht dat de verantwoordelijkheid die zij dragen niet leidt tot betutteling in het persoonlijk leven van de koninklijke familie.

In de praktijk is het uitgangspunt: hoe dichter een lid van de koninklijke familie bij de troon staat, des te zwaarder weegt de ministeriële verantwoordelijkheid voor diens woorden en daden. De koningin staat boven aan, dan volgt Claus, dan de kroonprins, dan prinses Juliana en prins Bernhard, dan Pieter en Margriet, dan de jongste twee kinderen van Beatrix en Claus en ten slotte de kinderen van Pieter en Margriet.

In de nasleep van de affaire-Irene, ontstond in de politiek de behoefte bij wet vast te stellen voor wie de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid nu precies gold. Daartoe is lang touwgetrokken over de wet die regelt wie lid is van het Koninklijk Huis. Hoe minder personen lid zijn van het Huis en vallen onder de ministeriële verantwoordelijkheid, des te meer leden van de koninklijke familie hun eigen leven kunnen leiden, was de gedachte. Daar tegenover echter stond de wens van met name de toenmalige koningin Juliana het huis te laten samen vallen met de familie. Zij wilde geen tweede-rangsfamilieleden, geen A-prinsjes en B-prinsjes. Bovendien speelde in die tijd van gijzeling mee dat de koningin voor alle familieleden aanspraak wilde kunnen maken op dezelfde beveiliging.

De wet die in 1985 uiteindelijk werd aangenomen, beperkt het Koninklijk Huis tot verwanten van de Koning in de derde graad, waardoor er nu dertien leden zijn: Beatrix, Claus en hun drie kinderen (Huis ten Bosch), Juliana en Bernhard (Soestdijk) en Margriet en Pieter en hun vier kinderen (Apeldoorn). De prinsessen Irene en Christina en hun gezinnen vallen er buiten, daar zij voor hun huwelijk geen parlementaire toestemming hebben gevraagd.

De vraag blijft of de wet, als het erop aankomt, wel van groot belang is voor de afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid. Door de sterk symbolische functie van het koningschap en de daarmee samenhangende grote publieke belangstelling voor de hele familie, kunnen ook leden van de koninklijke familie die géén lid zij van het koninklijk huis door hun optreden de positie van de Koning schaden en daardoor de ministeriële verantwoordelijkheid activeren, zo stelt het Handboek van het Nederlands staatsrecht van Van der Pot en Donner.

De toegenomen vrijheid van leden van het Koninklijk Huis is de laatste jaren los van de wet in de praktijk gegroeid. Prins Johan Friso, de tweede zoon van Beatrix en Claus, studeert lucht- en ruimtevaarttechniek. Naar verwachting zal de huidige premier geen bezwaar maken als Friso een betrekking aanvaardt bij een commerciële vliegtuigfabrikant, terwijl bijvoorbeeld Pieter van Vollenhoven heeft moeten ervaren dat menige baan in het bedrijfsleven voor hem als lid van het Huis lange tijd taboe was. En de minister-president greep niet in toen vorig jaar bleek dat prins Bernhard jr., zoon van prinses Margriet en Pieter van Vollenhoven, betrokken was bij een commerciële koeriersdienst die studenten met een OV-studentenjaarkaart pakjes liet vervoeren.