Oosteuropeanen niet juichend over EG

ROTTERDAM, 21 DEC. De handelsattachés van Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije in Den Haag zijn zeker niet eufoor over de associatie-akkoorden die hun landen deze week in Brussel met de EG sloten. Er is bij hen eerder sprake van ingetogen tevredenheid. “We hebben de deur naar de Europese markt slechts op een kier gekregen, maar de deur is nu in elk geval open,” zegt K. Györfi, handelsraad op de Hongaarse ambassade.

EG-diplomaten erkennen dat de akkoorden “meer politieke dan handelspolitieke betekenis hebben.” Voor de drie Oosteuropese landen is het immers van belang dat zij een stap hebben kunnen zetten in de richting van Europese integratie.

Het directe economische voordeel dat Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije van de associatieverdragen zullen hebben, blijft vooralsnog beperkt. Op verzoek van de drie landen wordt in Brussel nog onderhandeld over een versnelde invoering van de handelsparagraaf per 1 maart 1992. EG-diplomaten verwachten hierover snel overeenstemming. De andere onderdelen van de associatieverdragen (o.a. personen- en kapitaalverkeer) kunnen pas per 1 januari 1993 in werking treden, na goedkeuring door de nationale parlementen.

De grootste exportmogelijkheden liggen voor de drie Oosteuropese landen meer in de industriele dan in de agrarische sector. Het gemeenschappelijke EG-landbouwbeleid liet nauwelijks handelsconcessies toe. Juist nu zitten vooral Hongarije en Polen met agrarische overschotten. De vraag uit de Sovjet-republieken is ingestort, omdat de Oosteuropese landen harde valuta eisen in plaats van zachte roebels. In de Oosteuropese landen zelf is de vraag naar landbouwprodukten ook ingezakt door prijsstijgingen, die weer een gevolg zijn van de economische liberalisering.

Hongarije voerde vorig jaar voor 5 miljard dollar (9 miljard gulden) uit naar de EG. Dat is de helft van de totale Hongaarse export. Zo'n 3,75 miljard dollar bestond uit industriële goederen. Volgens de associatieverdragen worden importheffingen op industriële goederen direct na in werkingtreding afgeschaft. Maar de invoer van de voor Oost-Europa zo belangrijke textiel en staalprodukten blijft wel aan beperkingen onderhevig. Hongarije exporteert jaarlijks voor zo'n 565 miljoen dollar aan textiel naar de EG. Uitbreiding daarvan zit er de komende jaren nauwelijks in. De EG wil de kwantitatieve importrestricties voor textiel pas in 1998 opheffen. De Gemeenschap moet rekening houden met de belangen van lidstaten als Portugal en ook met haar positie in de Uruguay-ronde, waar in multilateraal verband over liberalisering van de hele wereldhandel (dus ook textiel) wordt onderhandeld.

De drie Oosteuropese landen maken zich over de landbouwexporten naar de EG weinig illusies. “De heffingen gaan iets omlaag, maar de belemmeringen blijven prohibitief,” zegt Györfi. Een bij de onderhandelingen betrokken Europese ambtenaar bevestigt de taxatie van de Hongaarse handelsvertegenwoordiger. “Het landbouwaanbod is toch wel wat marginaal.” Zo zou Hongarije volgens Györfi heel wat meer kippevlees naar de EG kunnen uitvoeren dan door Brussel toegestaan. “En mais kunnen we door de heffingen al helemaal vergeten.”

Bijna de helft van de totale Hongaarse export bestaat uit voor de EG “gevoelige” produkten. Györfi verwacht dan ook slechts een bescheiden jaarlijkse groei van 3 à 4 procent voor de export naar de EG. Zijn Poolse collega A. Kucharski lijkt wat enthousiaster. Maar ook hij ziet exportproblemen voor de “gevoelige” sectoren.

Polen is voor zijn handel nog afhankelijker van de EG dan Hongarije. De Poolse export naar de EG heeft een waarde van 3,9 miljard ECU. Dat is twee derde van de hele Poolse export naar westerse markteconomieën. De landbouwexport naar de EG (o.a. vee, vlees, fruit) bedroeg vorig jaar 1,1 miljard ecu. Aan textiel ging voor 0,6 miljard ecu naar de EG. Kucharski verwacht voor zijn land niettemin een forse exportgroei van zo'n 15 à 20 procent. Die groei moet dan vrijwel geheel voor rekening komen van industrieprodukten als schepen, casco's, werktuigen voor de scheepsbouw, caravans en auto's (Fiats).

Tsjechoslowakije zal mogelijk het meest profiteren van het associatieverdrag, vanwege de samenstelling van het exportpakket. Het land is wat minder afhankelijk van voor de EG “gevoelige” sectoren. De chemie is de belangrijkste exportsector, de machine-industrie is ook van belang; de landbouw daarentegen is voor de export van relatief weinig gewicht. Volgens handelsraad J. Skovajsa groeide de Tsjechoslowaakse export naar Nederland in de eerste tien maanden van dit jaar met maar liefst 39 procent (op jaarbasis) tot 314 miljoen dollar.

Voor alle landen geldt dat de kwaliteit van de produkten en de efficiency van het produkie-apparaat nog sterk moet worden verbeterd. Hongaars handelsconsul Györfi onderstreept in dit verband het belang van buitenlandse investeringen. Juist joint ventures blijken een groot aandeel te hebben in de export. Zo komt in Tsjechoslowakije 40 procent van de export voor rekening van joint ventures.

De associatieverdragen voorzien weliswaar in inpassing van bestaande Europese hulpprogramma's (bv. Phare) voor zaken als kwaliteitsverbetering en kennisvergroting. Maar Györfi meent dat dergelijke hulp voor een land als Hongarije te “soft” is. “Wij hebben hardware nodig, dat wil zeggen kapitaal en investeringen.” De Hongaarse diplomaat onderstreept dat zijn land het meest efficiënte is van de drie. Het aantal joint ventures in Hongarije, het eerste Oosteuropese land dat zijn economie liberaliseerde, vertoonde vorig jaar een groei met 6.000 tot het totaal van 10.000.

De Oosteuropese landen verwachten dat de associatieverdragen gaandeweg in hun voordeel zullen worden aangepast. Dat is volgens EG-deskundigen heel goed mogelijk. Voor elk van de drie landen komt er een gemengd samengestelde "Associatieraad'. Die kan binnen bepaalde regels door-onderhandelen over het verdrag.