Mijnbrand bij Hamm, 1908

Het was omstreeks half zeven. Uit een dampige lucht gutste onophoudelijk de regen.

De stad Hamm ligt hier zo ver vandaan dat je het lichtschijnsel ervan zelfs niet kunt zien tegen de zwarte nachthemel. Een donkere weg, die zich eerst tussen wat somber gepleisterde huizen heenkronkelt, loopt dan door onafzienbare vlakten voort. De weg is stukgelopen en gereden door de drommen mensen, rijtuigen, auto's, omnibussen en andere voertuigen, die steeds op en neer gaan, met nieuwsgierigen volgepakt. Maar onder de slikkerige grond, waar wij stonden en gingen, daar, heel diep, laaide het vuur en lekten de vlammen langs de honderden lijken van de mijnwerkers die gisterennacht, zoals iedere nacht, met een moedig "Glück auf!' aan de arbeid waren gegaan.

Ik volgde vanmiddag een gezelschap hoge mijnambtenaren die een onderzoek kwamen instellen, van vele geestelijken vergezeld. Wij klommen achter een lege kolentrein om, over hopen zand, en eindelijk gingen de deuren open, waarvoor zovele armzalige vrouwtjes en kinderen deemoedig stonden te wachten. Doch zij werden niet toegelaten, omdat de meeste der lijken, met de verschrompelde oogkassen, de verkoolde monden om de witte tanden, de verkrompen ledematen, de grote huidwonden op het bruin geschroeide vlees en meestal gans naakt of nog alleen met de zwaar beslagen mijnwerkerslaarzen aan, te aangrijpend waren voor de meeste nog jonge vrouwen om aan te zien.

Toen de avond al weer vroeg begon te grauwen, was er nog even een nieuwe emotie. Al lang was er vandaag sprake geweest dat de brandende mijnen zouden worden onder water gepompt. "Man wird die Zeche versaufen,' zeiden de mijnwerkers onder elkaar. Doch vanwege de enorme verwoesting en de verstrekkende gevolgen van dit verdrinken is daarvoor autorisatie van het opperste mijngezag nodig, en die kwam nog steeds niet af. Maar tegen vijf uur reden er grote wagens met buizen het terrein op, door mijnwerkerspaarden getrokken, die met koper versierde garelen om de magere nekken en rode kwasten langs hun zielige koppen droegen. De arbeiders wierpen de ijzeren pijpen nijdig hard van de karren, dat het zo hol doordaverde naar de diepe graven waarin de lijken van hun makkers zullen worden "versoffen'. En ik hoorde een jonge kerel tegen zijn moeder zeggen, die er haar oudste bij mist: ""Kom, oude, ga nu thuis slapen; ik moet morgen om zes uur present zijn om ze te helpen verdrinken.'' Toen lachte hij met een opstandige lach.

Dit was het troosteloze laatste nieuws. Nu hadden de journalisten tenminste wat te melden. Doch het werd overtroffen door de tijding dat prins Eitel Fritz (de tweede zoon van keizer Wilhelm, GM) in aantocht zou zijn! Eindeloos duurde het wachten, in duisternis en regen op het tot moeras geworden werkterrein. Dan opeens, door de dodelijke stilte, die de regen slechts scandeerde, klinkt reppend auto-getoeter. En uit de duisternis stuiven de auto's snorrende aan. Zodra de slanke gestalte van de prins in de witte garde-uniform met de rode kraag zichtbaar wordt voor het smalle kantoordeurtje, zijn fijne knapengelaat onder de zilveren helm, ontstaat er weer gemompel. En terwijl Eitel Fritz even de dringende massa verbaasd aanziet huilen en krijten en vloeken en gillen de verknepen kreten woest los. De rampzalige vrouwenstemmen, de schor wilde mannengeluiden tot een jammerende opstandigheid, een brullend beklag, zoo schrikkelijk schrijnend, dat ik het nooit zal kunnen vergeten. Ik zie de vrouwen als witte furies zich opwringen in het witte licht en met gebalde vuisten huilen zij: ""De lijken van onze mannen en zonen liggen onder de aarde: redt ze dan toch!'' ""Wij hebben er allemaal lijken liggen'' ""Twee mannen heb ik nu al in de mijn verloren, de eerste en nu hem!'' Dan gaat hun gegil in jammerlijk snikken over. ""Wij verlangen arbeiderschutz!'' roept een man. ""Ach Gott! Ach Gott!'' steunen de vrouwen... Er zijn mannen die hun leed in een roes verdronken hebben. Hun verwezen gelal klinkt er afgrijselijk door in het gejoel: ""Onze kameraden zijn er in!''

Ik stond, terwijl de prins rondging, bij de ingang van de kelder waar de doden liggen. Toen de wachtsman mij notities zag maken, kwam hij naar mij toe: ""Zeg niet dat ik het verteld heb. Maar ik moet het zeggen. Ik ben er zo bang van geweest.'' De man, mijnwerker zelf, was verschrikkelijk ontdaan. Toen bracht hij uit dat hij gisterennacht, terwijl hij hier waakte, plotseling een gesteun uit de dodenkelder had gehoord. Hij was angstig binnen gegaan, had gezien dat het zeil boven een der lijken bewoog, en was om de dokter gevlogen. Die had de rampzalige, die daar al meer dan twaalf uur tussen de doden had gelegen, een spiegel voor de mond gehouden en nog een ademvleugje bemerkt. ""Nu is hij gestorven,'' had de medicus gezegd.

Bron: M.J. Brusse, Vijf en twintig jaar onder de menschen, W.L. en J. Brusse's uitgeversmaatschappij, Rotterdam, 1942.