Kunstenaar Mooy, een eenling die teveel wilde

Tentoonstelling: Jaap Mooy (1915-1987), overzichtstentoonstelling, t-m 12-1 in De Zonnehof, Amersfoort. Di t-m za 10-17u. Zon- en feestdagen 13-17u. Boek ƒ 49,50. Van 14-12 t-m 26-1 late tekeningen van Mooy in het Stedelijk Museum, Amsterdam. Dag. 11-17u.

De kunstenaar Jaap Mooy (1915-1987) gold ooit als een vernieuwer in de beeldhouwkunst en maakte al vroeg collages van objets trouvés. Tegenwoordig kennen wij zijn naam niet meer en zijn werk evenmin. Het is raadselachtig hoe een kunstenaar in zijn eigen tijd bekend kan zijn en - waarschijnlijk nog tijdens zijn leven - meemaakt dat hij in de vergetelheid raakt. Hoe kon dat gebeuren?

De overzichtstentoonstelling die De Zonnehof nu presenteert laat zien dat veel werk van Mooy gedateerd is. Waaraan ligt dat precies?

Jaap Mooy heeft heel wat kunststijlen omarmd gedurende zijn leven en toch voer hij zijn eigen koers. Eind jaren dertig kwam de als smid en bankwerker opgeleide Mooy via Charley Toorop in aanraking met de beeldende kunst. Toorop adviseerde hem geen kunstacademie te volgen maar "puur' te blijven; Mooy was dus een autodidact. Onder haar invloed ontstonden zijn eerste werken in magisch-realistische trant - op de tentoontelling hangen twee zelfportretten uit die tijd.

Maar Mooy was geen groepsmens, zoals ook bleek bij de oprichting van Cobra in 1948. Constant Nieuwenhuys vroeg Mooy met de nieuwe beweging mee te doen, maar Mooys "diepgeworteld wantrouwen jegens georganiseerde verbanden' dwong hem nee te zeggen. Wel onderhield hij contacten met Appel en vooral Lucebert, die gedichten schreef bij een paar werken van Mooy. De schilderijen en tekeningen van Mooy zijn wel Cobra-achtig, maar zwemen ook naar Picasso en het surrealisme. De zogenoemde "kijkkastjes' die in de jaren vijftig ontstaan, zijn een kruising tusen de collage-achtige Merz-bilder van Kurt Schwitters (Mooys grote voorbeeld) en de verbeeldingen van het onbewuste door de surrealisten. Uit deze werken spreekt louter het plezier van het maken. Het zijn tegelijk de minst gedateerde stukken uit Mooys oeuvre.

Om te achterhalen hoe dat komt, moet ik eerst het andere werk kort omschrijven. Ook weer in de jaren vijftig maakte de Bergense kunstenaar zijn sculpturen van schroot (afval van de Hoogovens) waarmee hij bekend zou worden. Zij zijn min of meer figuratief, stellen archetypische figuren voor als een krijger, een man of een vrouw. Met hun grillige uitsteeksels en rulle oppervlak zien zij eruit als science fiction-wezens. Juist deze sculpturen vind ik nu gedateerd: vanwege het materiaal, vanwege de expressieve en tegelijk naëve vorm.

Het feit dat Mooy nooit een van de centrale mensen was binnen een beweging, terwijl zijn werk er wel kenmerken van vertoont, speelt zeker een rol. Cobra is in onze huidige ogen passé, maar een Appel is een Appel. En die onmiddellijke "identificering' als zodanig maakt hem tot een ikoon binnen de kunstgeschiedenis. Bij Mooy denk je niet: ha, dat is een Mooy, maar je denkt: beetje Cobra-achtig. Zoiets is dodelijk. Zo gaat het door in Mooys latere werk. In de jaren zestig breekt hij met de expressieve halffiguratieve beelden en schilderijen en volgt het spoor van de Amerikaanse minimal art. Gladgepolijste, geometrische sculpturen ontstaan die - zoals de tijd dat voorschreef - geplaatst worden in de "openbare ruimte', ter opluistering van moderne gebouwen. Zijn grote schilderijen in zwart op wit herinneren aan Motherwell; het Stedelijk Museum in Amsterdam koopt er een paar aan in de jaren zestig.

Ruim tien jaar later keert Mooy terug naar zijn eigenlijke "stiel', de wat naïeve expressieve vormen van de jaren vijftig. Dan maakt hij opnieuw kijkkastjes en weer kijk je je ogen uit bij de knippatronen, poppenarmpjes, platgeslagen spuitbussen, knipsels en kerstballen die hij verwerkt tot surreële voorstellingen die een bizar verhaal vertellen. Dat dat eerder gedaan is - al in de jaren dertig - stoort nu vreemd genoeg niet. Deze onpretentieuze stukjes getuigen van een soort persoonlijke "gekte' die van alle tijden is.

Aan het eind van zijn leven sluit Mooy zich - maar half overtuigd, zoals blijkt uit zijn brieven die in de zojuist verschenen monografie zijn opgenomen - nog aan bij de IJmuider Kring met onder meer Lei Molin en Theo Kuypers.

Jaap Mooy was een Einzelgänger die niet genoeg vertrouwde op zijn eigenzinnigheid. Misschien wilde hij te veel: sculpturen, tekeningen, schilderijen, objecten èn gedichten maakte hij. De kijkkastjes lijken de ideale kruising van al die genres: zij zijn figuratief zonder verhalend te zijn en driedimensionaal zonder sculpturen te zijn. Hij beschouwde ze wellicht als hobby, niet als werk. Had hij aan die experimenten meer waarde gehecht dan aan de heersende modes, wie weet was zijn carrière dan heel anders verlopen.