HET VERLEDEN ALS CONSTRUCTIE

The Rhetoric of Historical Representation. Three Narrative Histories of the French Revolution door Ann Rigney 190 blz., Cambridge University Press 1990, f 87,70 ISBN 0 521 38152 5

Negentiende-eeuwse historici koesterden een gelukkige combinatie idealen: geschiedverhalen moesten het verleden weergeven zoals het echt geweest was, ze moesten leesbaar, ja liefst mooi en meeslepend zijn en ze moesten bovendien bijdragen aan een verandering ten goede van de maatschappij. Men zag hierin geen spanning, integendeel: dat het ware, schone en goede samenvallen - zo niet in het dagelijks leven dan toch op papier - sprak vanzelf.

Dat bleek ook in 1847 toen de eerste delen verschenen van drie geruchtmakende studies over de Franse Revolutie van drie vooraanstaande geschiedkundige auteurs. De geleerde Jules Michelet werd in zijn Histoire de la Révolution française (uiteindelijk 7 delen) gedreven door een romantische verering voor "het volk' en een blind geloof in de heilzame uitwerking van de Revolutie op dat volk. Alphonse de Lamartine, de gladde dichter-politicus stond toen zijn achtdelige Histoire des Giron-din verscheen op het toppunt van zijn roem en zou na de revolutie van 1848 de eerste viool spelen in de voorlopige regering van de Republiek. In diezelfde revolutionaire regering zou ook de links-radicale Louis Blanc plaatsnemen, de schrijver van de maar liefst twaalfdelige Histoire de la Révolution française, en de belangrijkste "socialistische' theoreticus voor Marx. Hun geschriften, die van Michelet misschien het meest, zijn nu nog steeds zeer leesbaar en misten hun uitwerking op de samenleving niet, getuige hun rol in de revoltes van 1848. In hoeverre we ze vanuit geschiedkundige optiek nog "waar' willen noemen, is minder duidelijk.

Alle drie schreven - ten tijde van de restauratie-koning Louis-Philippe - vanuit een republikeinse en democratische stellingname. De verleiding is groot hun verhalen te zien als literaire kunststukken (te weinig noten!) in dienst van de politiek die als zodanig met de historische werkelijkheid weinig van doen hebben. We denken immers te weten wat geschiedenis "echt' is: een rommeltje, mooi noch bruikbaar.

GOED OF KWAAD

Ann Rigney, docent literatuur-wetenschap aan de universiteit van Utrecht, stelt vragen in een andere richting. In haar proefschrift over deze drie werken, The Rhetoric of Historical Representation. Three Narrative Histories of the French Revolution, probeert zij te ontrafelen hoe het vertellen, het met woorden schilderen van gebeurtenissen als goed of kwaad, schoon of lelijk, nu eigenlijk in z'n werk gaat. Een dergelijke literair-theoretische benadering van geschiedschrijving is buitengewoon nuttig, vooral omdat historici en filosofen elkaar nogal eens in de haren vliegen over de vraag in hoeverre literaire vormgeving door het verleden wordt gedicteerd, of door de creativiteit van de schrijver. Tot nog toe werd er veelal intuïtief over deze kwestie gediscussieerd. Er was geen duidelijk beeld van de literaire middelen die de historicus tot zijn beschikking heeft en zonder inzicht in de weerstand die het historisch materiaal biedt wanneer hij zijn literaire stijl er op los laat.

Duidelijk is in ieder geval dat de negentiende-eeuwse vertellers die in dit boek centraal staan geen poging doen hun eigen standpunt te verdoezelen achter "waardevrije feiten'. Michelet begint zijn 2000 pagina's lange epos met een stelling die aan duidelijkheid niets te wensen over laat: ""Ik definieer de Revolutie als de komst van de Wet, de wederopstanding van het Recht, de reactie van de Rechtvaardigheid.' De lezer weet dus dat de historicus niet alleen gebeurtenissen opsomt, maar ook zijn visie op "het wezen' van dat gebeuren naar voren brengt, partij kiest voor de Revolutie.

Rigney geeft in haar boek een zorgvuldige analyse van de wijze waarop dezelfde gebeurtenissen op heel verschillende manieren tot leven worden geroepen. Daarbij blijkt dat niet alles kan. Het verleden laat zich eenvoudigweg niet gebruiken voor elke willekeurige verhaalvorm en voor iedere ideologie. Toch blijkt hoe verschillend eenzelfde gebeurtenis kan worden "gerepresenteerd'.

KOPJE KLEINER

Een voorbeeld: de geile gluurders. Goed tweehonderd jaar geleden, in de nacht voor 17 juli 1791, verschaften te Parijs twee lieden zich door middel van enige breekwerk toegang tot de ruimte onder een houten podium waarop die dag een plechtigheid zou worden gehouden om het vaderland te eren. Naar men zegt, wilden ze van hun heimelijke en nederige positie onder "het altaar van het vaderland' gebruik maken om te bestuderen wat onder de ruime rokken van de vrouwelijke deelnemers schuilging. Maar nog voor de aanvang van de plechtigheid werden ze ontdekt en door de verontwaardigde menigte, die een aanslag van de zijde der royalisten veronderstelde, een kopje kleiner gemaakt. Dat leidde, na allerlei verwikkelingen, enkele uren later mede tot de beruchte slachtpartij op het Champ-de-Mars. Het is duidelijk dat deze gebeurtenis zich niet direct leent om het hoogstaande karakter van de Revolutie of de wijsheid van het volk scherp te profileren.

De hoofdpersonen van deze geschiedenis worden door de drie auteurs heel verschillend omschreven. Blanc spreekt van een invalide soldaat - ""met een houten been' - en diens compagnon. De gematigde Lamartine identificeert de twee mannen eenvoudigweg als "invaliden', waarmee hij hen duidt als zielepoten, slachtoffers van een waanzinnige menigte. Hij beklemtoont zo dat het volk niet zelfstandig kan handelen en dat politici - zoals Lamartine zelf - dus heel nuttig zijn.

Michelet, de vereerder van "het Franse volk', geeft een voorstelling die de reactie van de massa begrijpelijk en wellicht zelfs vergeeflijk maakt. Na te hebben vastgesteld dat de royalisten op dat moment een rel goed konden gebruiken, komt hij met een wat onverwachte uitweiding betreffende kappers. De kappers waren de grote profiteurs van het oude regime, zo stelt Michelet. Niet alleen verdienden ze goud aan de complexe adellijke haardracht, ze hadden bovendien ruime gelegenheid tot afgezonderd en langdurig contact met verveelde aristocratische echtgenotes en dochters. Geen enkele klasse was in de eerste jaren van de revolutie zo royalistisch, stelt Michelet, als geldzuchtige en libertijnse kappers. Vervolgens identificeert hij de twee glurende mannen als een kapper en zijn invalide maatje. Het om zeep brengen van viespeukerige, fattige geldwolven, misschien zelfs royalistische provocateurs, valt niet goed te praten, maar is alweer wat anders dan het lynchen van onschuldige gehandicapten. Zo zien we dat subtiele verschillen in de wijze waarop een "groep' mensen wordt omschreven, verschillende beelden en interpretaties van het verleden oproepen.

LEESBARE SAMENHANG

In haar boek betoogt Rigney dat de mogelijkheden om een historische episode in een bepaald licht te plaatsen beperkt zijn. Wil een verhaal als "historisch' erkend worden, dan moet het niet alleen leesbare samenhang tonen, maar tevens overeenstemmen met de wetenschappelijke conventies van het vak - zoals een beroep op betrouwbaar bronnenmateriaal - en ruimte bieden voor alle gebeurtenissen die naar het algemeen inzicht tot die bepaalde episode behoren.

Michelet kan de Revolutie wel definiëren als de werking van "Recht en Rechtvaardigheid', maar hij kan niet anders dan een plaats geven aan de massale moordpartijen en de Terreur, algemeen erkende onderdelen van die Revolutie. De lezer merkt dat Michelet hier faalt in zijn opzet de Revolutie als zuiver goed af te schilderen. In dit falen als verteller, slaagt de schrijver als historicus. Want hij voert de lezer naar de onontkoombare conclusie dat goed en kwaad in de geschiedenis ingewikkeld dooreenliggen, dat er vele manieren zijn om tegen de wereld aan te kijken, en dat zelfs het verleden zich uiteindelijk niet laat gebruiken voor een simpel zwart-wit beeld.

Het belang van Rigneys boek is niet alleen gelegen in het inzicht dat het biedt in de wijze waarop Lamartine, Blanc en Michelet de Franse Revolutie een literaire vorm gaven, maar ook in de uitdaging die het betekent voor het denken over het karakter van historische kennis. De patstelling tussen historici die volhouden dat geschiedverhalen over het verleden gaan, en filosofen die beweren dat het vrije literaire constructies zijn, wordt hier doorbroken. Geschiedverhalen zijn literaire constructies, maar hun vorm komt niet onafhankelijk van het verleden en de wetenschappelijke argumentatie daarover tot stand.