Helaas bestaat er geen "karaoke' in de internationale betrekkingen van Japan; Een assertief nationalisme wint in Japanse intellectuele kringen terrein; In Japan wordt werken als een deugd beschouwd, terwijl het in Europa een noodzakelijk kwaad is

Karaoke is een bijzondere vorm van Japans amusement. De bezoekers van een karaoke-bar wanen zich hun favoriete pop-idool als ze in een schaars verlicht zaaltje op een podium de tekst van een populair liedje zingen met op de achtergrond de originele begeleiding.

Het is net carnaval: heel even zijn de rollen omgedraaid en is de anonieme werker, de verlegen scholier of het verliefde meisje de ster van de nacht.

De geluidsinstallatie in een Karaoke-bar zorgt voor zoveel elektronische beschaving dat zelfs de stem van iemand die nog nooit een zuivere noot heeft gezongen, prachtig klinkt. Helaas bestaat er geen karaoke in de internationale betrekkingen. Japan en zijn belangrijkste handelspartners, de EG en de VS, zijn al jaren op zoek naar harmonie maar slagen er niet in om de valse tonen weg te filteren. In navolging van de Verenigde Staten is de Europese Gemeenschap bezig de druk op Japan te vergroten om economische concessies af te dwingen. Niet alleen de VS, ook de EG stuit steeds vaker op een Japan dat "nee' zegt.

In de driehoeksverhouding tussen Europa, de Verenigde Staten en Japan zijn de Japans-Europese betrekkingen het zwakst ontwikkeld. Japan is geobsedeerd door de Verenigde Staten en de Amerikaans-Japanse betrekkingen vormen de basis van het veiligheidssysteem in Oost-Azië. De EG is in Japanse ogen een moeilijk te nemen Fort Europa; de Europees-Japanse verklaring die deze zomer in Den Haag is ondertekend, heeft in Japan nauwelijks aandacht gekregen. En ook al is Londen in vlieguren dichter bij Tokio dan New York, in de Japanse beeldvorming ligt Europa verder weg dan Amerika.

“Investeringen en handelsbetrekkingen moeten een twee-richtingsverkeer zijn”, verkondigde de vice-president van de Europese Commissie, Frans Andriessen, onlangs in Japans tweede industriestad Osaka. Japan moet volgens hem meer investeringen en importgoederen uit de Europese Gemeenschap toelaten, want de economische betrekkingen zijn zeer onevenwichtig. Hij wees op het groeiende handelsoverschot van Japan met de EG. Dit bedroeg over heel 1990 18,4 miljard dollar en is in de eerste tien maanden van 1991 gestegen tot ruim 23 miljard dollar. De wederzijdse investeringen lopen ook sterk uiteen. De totale Europese investeringen in Japan bedragen iets meer dan 3 miljard dollar, terwijl Japanse bedrijven in de EG inmiddels 55 miljard dollar hebben geïnvesteerd, achttien keer zoveel.

Volgens Andriessen is Japan teruggevallen op zijn traditionele export-geleide groeimodel omdat de binnenlandse conjunctuur tegenzit. Zodra de economie stagneert - volgend jaar wordt een stevige terugval verwacht - laat Japan zijn pogingen varen om de binnenlandse markt te stimuleren en werpt het zich als vanouds op de export. “We moeten om economische en om politieke redenen een evenwichtiger situatie bereiken”, aldus Andriessen.

Japanners zijn dergelijke kritiek gewend en ze beschikken over standaard-tegenwerpingen. Ten eerste is de scheve situatie tijdelijk en zal deze op den duur verbeteren. Ten tweede heeft Japan de laagste invoertarieven ter wereld en maakt de tegenpartij zich schuldig aan protectionisme. Ten derde is de Japanse markt moordend concurrerend en moeten buitenlandse bedrijven de schuld voor falen bij zichzelf zoeken.

Toegespitst op de situatie van eind 1991 luidt het antwoord dat de Japanse export naar Europa is gestegen als gevolg van de Duitse eenwording en dat de Japanse import uit Europa is gedaald nu de financiële bonanza in Tokio tot een einde is gekomen. Japanners kopen minder impressionistische schilderijen, gebruiken minder parfum en consumeren minder beaujolais primeur. Dat vertekent de handelsbalans met Europa. De beschuldigingen van de Franse premier Edith Cresson aan het adres van de Japanse automobiel- en elektronica-industrie zijn te belachelijk om serieus beantwoord te worden. De Europese landen, inclusief Frankrijk, leveren trouwens onderling slag om Japanse investeringen aan te trekken, want die brengen werkgelegenheid en nieuwe technologieën.

Deze argumenten werden uitgewisseld tijdens een drie-daags symposium over de betrekkingen tussen de EG en Japan, dat onlangs in Osaka werd gehouden en waaraan journalisten uit Japan en de twaalf EG-landen deelnamen. De bijeenkomst, georganiseerd door het kantoor van de Europese Commissie in Japan, maakte duidelijk dat de kloof tussen Japan en de EG niet alleen bestaat uit handelstekorten, maar ook uit diepgewortelde misvattingen.

De opstelling van de tafels in de vergaderzaal op de achtste verdieping van het gebouw van de Kamer van Koophandel in Osaka was niet bevorderlijk voor toenadering van de aanwezigen. Als in een tribunaal, met microfoons en naambordjes voor zich, zaten de Japanners aan de ene kant en de Europeanen aan de andere kant. Over het brede niemandsland tussen de tafels konden ze ongehinderd beschuldigingen heen en weer schieten.

De toon in het debat kreeg iets venijnigs, omdat de Japanse deelnemers, gezaghebbende commentatoren van de belangrijkste nationale kranten en tv-stations, niet van plan waren zich de les te laten lezen door een groep merendeels jongere Europeanen. In navolging van Shintaro Ishihara, de auteur van het geruchtmakende boek The Japan that can say NO, gingen ze in de aanval over. Ishihara stelde in een artikel dat onlangs in deze krant werd gepubliceerd, dat de Amerikanen de Japanners er niet van kunnen beschuldigen oneerlijk te zijn omdat er culturele verschillen bestaan in economische systemen en Japan toevallig betere resultaten boekt. Dit assertieve nationalisme wint in Japanse intellectuele kringen terrein. Het is een antwoord op Europese en Amerikaanse critici van Japan zoals Karel van Wolferen, Chalmers Johnson en Clyde Prestowitz. Deze zogenoemde "revisionisten' pleiten voor een stevige confrontatie omdat Japan zich beroept op de regels van de Westerse marktdemocratieën maar zich daar zelf niet aan houdt.

Ook in de ontmoeting tussen Europese en Japanse journalisten kwam deze "kultuurstrijd' aan de orde. Japan, zo zei Masuhiko Hirobuchi, directeur voor internationale seminars van het TV-station Asahi, is flexibeler dan Europa en beter in staat om zich aan te passen aan invloeden van buiten af. De geslotenheid van Europa verklaarde hij als erfenis van "het Christendom'. Volgens Nobuyuki Komatsu, commentator van Jiji Press, hebben Europeanen geen behoefte om zich te verdiepen in landen buiten de Christelijke wereld. “Het Westen kijkt neer op Japan”, meende hij en ter illustratie citeerde hij een brief van een Japanner die in 1901 Europa bezocht en zich doodongelukkig voelde met zijn kleine postuur en gele huid. “Ik vraag me af of de Europese kijk op Japanners in negentig jaar is veranderd”, zei hij. De Westerse media versterken het stereotype beeld: “Jullie zijn alleen maar geïnteresseerd in Japanners als de slechteriken. Dat is een gevolg van jullie monotheïstische godsbeeld”, beschuldigde Hirobuchi.

Het Christendom werd ook aangehaald toen de lange Japanse werktijden ter sprake kwamen. Gemiddeld werken Japanners ruim 1.900 uren per jaar, Europeanen minder dan 1.600. Bij een bezoek aan de camera-fabriek van Minolta hadden de Europese bezoekers gehoord dat beginnende werknemers tien dagen vakantie krijgen en voor ieder jaar dat ze in dienst zijn één vakantiedag extra tot een maximum van twintig dagen.

Japnners moeten zelf weten hoe hard ze werken en wij zouden ons zorgen moeten maken over de vanzelfsprekendheid van vijf of zes weken vakantie terwijl de concurrenten in Azië onverminderd doorwerken. Maar zo werd de kwestie van de vrije tijd niet opgevat. In Japan, zeiden genoemde Hirobuchi en Komatsu, wordt werken als een deugd beschouwd, terwijl het in Europa een zonde, een noodzakelijk kwaad is. “Werk is in het Christendom een straf van God, maar hier is het een onderdeel van de Boedistische ethiek”, beweerde Hirobuchi niet gehinderd door kennis van Max Webers klassieke studie De protestantantse ethiek en de kapitalistische geest.

Europese bedrijven kunnen in Japan wel degelijk succes hebben - als ze hun best maar doen, meenden onze Japanse gesprekspartners. En ze gaven als voorbeelden Mercedes, Nestlé en BMW. De laatste hadden ze misschien beter ongenoemd kunnen laten, want de president van BMW in Japan, Hans Sonnenborn, trad op als spreker voor het gezelschap. Hij nam met Duitse zakelijkheid zowel de koudwatervrees van het Europese bedrijfsleven als de geslotenheid van Japan op de korrel.

“Er zijn inderdaad voorbeelden van Europese successen in Japan”, begon hij, “maar waarom wordt altijd hetzelfde handjevol bedrijven genoemd?” Japan, bevestigde Sonnenborn, hanteert geen import-beperkende maatregel meer voor auto's. Onder druk van de EG en de VS zijn alle beperkingen opgeheven, inclusief de afzonderlijke inspectie van iedere geïmporteerde auto. Naarmate de Japanse automobielindustrie grotere internationale concurrentiekracht verwierf, werd hun thuismarkt stapje voor stapje geopend. “Japanse autofabrikanten hebben geen bescherming meer nodig, daarom zijn alle belemmeringen opgeheven. Is dat eerlijke handel?” vroeg Sonnenborn zich af.

Hij gaf een ander voorbeeld. Toen BMW zijn Japanse vestiging wilde uitbreiden, trachtte het Duitse leveranciers te contracteren. Maar iedere keer als een Duits bedrijf een offerte deed, dook een Japanse concurrent zeventig procent onder de prijs. “Het was onmogelijk voor BMW om in Japan zelfs maar één opdracht aan een Duits bedrijf te gunnen”, stelde hij vast.

De Europese mentaliteit moest het bij deze verkoper van 35.000 Duitse luxe auto's per jaar op de Japanse markt eveneens ontgelden. Wij leiden onze mensen onvoldoende op, wij sturen onvoldoende personeel naar Japan, wij laten toe dat Japanse bedrijven op hun thuismarkt enorme winsten maken zodat ze financiële armslag hebben om in het buitenland messcherp te concurreren. “Kunnen wij Japan verwijten dat het anders is dan Europa?” Het antwoord van de BMW-directeur was zonder zelfbeklag: “Kijk naar Japan zoals het is en niet zoals het zou moeten zijn. En laten we zo snel mogelijk ophouden om Japan in termen van "goed' en "kwaad' te beoordelen.” Dat was een uitspraak die ook de Japanners als ze het over Europa hebben, ter harte kunnen nemen.