Gerechtigheid bij het RIOD

Journalisten kunnen een vergissing gemakkelijker rechtzetten dan geschiedschrijvers.

Een journalist die in de krant van vandaag een fout maakt, kan die in de krant van morgen herstellen, maar een geschiedschrijver die zich heeft vergist in feiten of jaartallen kan dat pas in de volgende editie van zijn boek - misschien over een jaar of tien als hij niet veel eerder al in de ramsj is terechtgekomen. Nog moeilijker is het herstellen van fouten die voorkomen in een tien- of meervoudige reeks waarvan de delen met grote tussenpozen verschijnen. Een enkele keer gebeurt het en maken degenen die hun hoop op de rechtschapenheid van de godin van de geschiedenis hebben gesteld het aanbreken het uur van de gerechtigheid mee waarop zij jaren geduldig hebben gewacht.

Ir. P.J. de Lint, een geharnaste briefschrijver die vijftien jaar lang onafgebroken heeft geijverd voor eerherstel van zijn in de oorlog omgekomen vriend en jaargenoot Armand Maassen, heeft zojuist de grootste triomf behaald die er op dit gebied te behalen valt: een rectificatie op het werk van dr. L. de Jong. Een verdiend eerherstel voor een marineman wiens naam jarenlang ten onrechte onder een verkeerde historische voorstelling van zaken heeft geleden; en een even verdiend succes voor een voormalig verzetsman, die in 1945 door het Amerikaanse leger uit het tuchthuis Siegburg werd bevrijd nadat hij op 30 oktober 1942 door het Gericht des Marinebefehlshabers in den Niederlanden ter dood werd veroordeeld wegens "Feindbegünstigung' (door de Duitse Marine gearresteerd toen hij een poging deed in een kano de Noordzee over te steken). Na gratiëring werd zijn doodvonnis in tuchthuisstraf veranderd (aldus een verklaring van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie van 3 maart 1954).

De 20-jarige Delftse student Armand Maassen behoorde tot de selecte groep van Engelandvaarders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Londen met het Bronzen Kruis werd onderscheiden. Bij Koninklijk Besluit No. 5 van 6 november 1941 werd hem die hoge onderscheiding toegekend voor zijn bijdrage aan het verzet tegen de Duitse bezetting. Zoals alle Engelandvaarders die erin slaagden door de Duitse linies te komen en Engeland te bereiken, mocht hij in Londen bij koningin Wihelmina persoonlijk zijn verhaal doen. In een kano was hij, met een clubgenoot, de Noordzee overgestoken, in Engeland bij de R.A.F. in opleiding genomen, als matroos eerste klas zeemiliciën bij de Kleine Gevechtsvaartuigendienst van de Koninklijke Marine tewerkgesteld en in de daarop volgende winter ingezet voor verkenningslandingen op de Nederlandse kust. In maart 1942 viel hij bij één van die ondernemingen in Noordwijk in handen van de Duitsers, die hem eerst in Wilhelmshaven interneerden en via het kamp Amersfoort in het kamp Vught opsloten, waar hij een jaar later "door uitputting' overleed. Tot zover de feiten.

In het vijfde deel van zijn geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dat in 1975 verscheen, schreef dr. L. de Jong enkele alinea's over die gebeurtenis op het strand te Noordwijk, die hij interpreteerde als een bewijs van verraad in de rangen van de Nederlandse contraspionage. De gearresteerde student Maassen had, aldus De Jong, “vrijwel onmiddellijk na zijn gevangenneming de Duitsers alles meegedeeld wat hij van de operatie van de groep-Hazelhoff Roelfzema wist”. Die laatste toevoeging wekte de verontwaardiging op van de Wassenaarse oud-verzetsman ir. P.J. de Lint, die in dezelfde jaren met Maassen in Delft had gestudeerd, omdat De Jong naar zijn mening op dat punt er volkomen naast zat. De Lint beschikte over de historisch onweerlegbare feiten dat Maassen niet had doorgeslagen en verlangde van de "rijkshistoricus' een ruimhartige rectificatie van diens vergissing, die voor De Lint en zijn Delftse clubgenoten onverteerbaar was. Maar hoe krijg je de Prometheus van de Nederlandse historiografie zo ver dat hij een vergissing èn toegeeft èn herstelt? De Lint kreeg het gedaan, maar het duurde wel vijftien jaar voordat hij de goden van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (en de Clio van de oorlogsgeschiedschrijving zelf) tot een erkenning van hun vergissing wist te brengen.

De Jongs eerste officiële reactie was afwijzend geweest. Op De Lints protestbrieven antwoordde hij kort na de verschijning van zijn deel vijf: “Wat ik heb geschreven, is zakelijk juist. Het is mogelijk dat Maassen spoedig nadien vergeten heeft wat hij precies in Wilhelmshaven had gezegd - begrijpelijk acht ik het dat hij daaromtrent ook aan zijn naaste vrienden niets heeft meegedeeld” (brief van 16 oktober 1975). Vorig jaar kwam hij daarop terug en erkende door de feiten die De Lint in de archieven van de Marine had verzameld overtuigd te zijn. “Ik ben tot de conclusie gekomen dat mijn eerder bericht van 16 oktober 1975 iets te haastig geschreven was.” Hij had besloten, zo schreef hij, “de nodige correcties aan te brengen in deel 14 van mijn werk” (brief van 17 februari 1990). Aan die volmondige erkenning waren stortvloeden van brieven, historische verhandelingen en gefotokopieerde documenten van De Lint voorafgegaan, niet meegerekend zijn eigen dagboek met aantekeningen over zijn leven in dezelfde gevangenis waarin Armand Maassen zat, dat hij in 1946 aan (toen nog) drs. L. de Jong op Oorlogsdocumentatie ter beschikking had gesteld. Die barrage had ten slotte haar vruchten afgeworpen. De rehabilitatie van Armand Maassen was veiliggesteld - dank zij het bewaard gebleven dagboek, dank zij bewijsstukken van de Marine en dank zij interventies van vooraanstaande getuigen, die konden bewijzen dat Maassen niet op de hoogte was van de operaties van Hazelhoff Roelfzema c.s en daarover dus niet kon hebben doorgeslagen.

De Lint en alle medestanders die zich in de loop der jaren op zijn bandwagon hadden verzameld, hadden echter te vroeg gejuicht. Want deel 14 van De Jongs Koninkrijk verscheen zonder de toegezegde rectificatie. De redactie-commissie die verantwoordelijk was voor de samenstelling had de correctie over het hoofd gezien (“waarvoor onze welgemeende verontschuldigingen”). L. de Jong kon niet meer nagaan hoe één en ander gebeurd was, daarbij verwijzend naar zijn ziekte van twee jaar tevoren (herseninfarct). De nieuwe directeur van het RIOD, dr. C.M. Schulten, zorgde tenslotte voor recht. Hij nam de verantwoordelijkheid van de onder zijn voorgangers gemaakte fouten op zich en stelde een oplossing in het verschiet, die voor De Lint en zijn medestrijders (intussen aangegroeid tot een heel legerkorps) acceptabel is. Er komt een vervolg op deel 14, waarin ook andere correcties op het meesterwerk van zijn vermaarde voorganger zullen worden opgenomen. Schulten moest even door de kosten van zo'n uitgave heenbijten, maar dat deed hij tenslotte ten laste van de schatkist. De Lint bekostigde zijn strijd uit eigen zak zonder daar ooit een woord over te zeggen. Dat was hij aan de gerechtigheid verschuldigd.