Florida in zeven weken (6); Ups en downs in Cape Canaveral

Over het Amerikaanse ruimtevaartprogramma mogen miljarden woorden zijn geschreven - enkele deelonderwerpen zijn daarbij schandalig verwaarloosd.

Een van de schrijnendste gevallen is de kwestie van de onroerend-goedprijzen in de directe omgeving van het Kennedy Space Center en meer in het bijzonder de daaruit voortvloeiende onbestuurbaarheid van de gemeente Cape Canaveral.

Begin jaren zestig kwam die naam maar één keer op de kaart voor: de in open zee stekende punt van een driehoekig schiereiland halverwege de oostkust van Florida. Al kort na de Tweede Wereldoorlog was de kaap gekozen als lanceerplaats voor de eerste ruimteraketten en de explosieve economische neveneffecten van het ruimteprogramma waren een jaar of vijftien in de wijde omtrek voelbaar. In 1968 bood de inmiddels tot Cape Kennedy herdoopte lanceerplaats werk aan 26.500 blauwe en witte boorden. Net als iedereen woonden ze graag dicht bij hun werk en onroerend-goedontwikkelaars begrepen dat snel. Hun oog viel omstreeks 1961 op de noordpunt van een landengte van gemiddeld een kilometer breed, parallel aan de kust en vol duinen, die tweehonderd meter ten zuiden van het schiereiland met de lanceerinrichtingen uit het water opdook. Nergens woonde je dichter bij het werk zonder af en toe met alle eerstegraads familieleden een schuilkelder in te hoeven.

Incorporatie van de nieuwbouw in de zuidelijker gelegen gemeente Cocoa Beach had gekund, maar de NASA-employés wisten iets beters: 215 van hen, inmiddels ieder in het bezit van een stuk grond, kwamen op 10 mei 1962 bijeen in de Tropicana Juice Plant, een van de schaarse bedrijven in het gebied waar ze hun nieuwe gemeente wilden stichten. Cocoa Beach bood het voordeel van een reeds bestaande bestuurlijke infrastructuur, maar het bezwaar van hoge onroerend-goedbelastingen. Om een lang verhaal kort te maken: in de gemeente Cape Canaveral (die op 16 mei 1963 officieel gestalte kreeg) is de eigenaar van een huis van $150.000 nu $58,50 per jaar aan gemeentebelasting kwijt. En conform het briljante idee van de stichters zijn praktisch alle andere gemeente-inkomsten gerelateerd aan het gebruik van gemeentelijke diensten. Als een ongeleide raket schiet de omvang van het gemeentebudget al dertig jaar heen en weer tussen grote hoogten en diepe dalen. Het andere cruciale bestuurstechnische gegeven van Cape Canaveral is namelijk dat de hele gemeente direct of indirect afhankelijk is van de grillige financiering van het ruimtevaartprogramma en de daarmee samenhangende wisselingen in het inwonersaantal: als president Bush besluit dat NASA moet bezuinigen, vallen op de kaap ontslagen, loopt Cape Canaveral half leeg, dalen de revenuen van gemeentelijke opcenten drastisch, en komt city manager Edward Spenik in moeilijkheden.

Als zakelijk leider bestierde hij al veel gemeenten, eerst acht jaar in Michigan, toen tien jaar in Florida, maar nog nooit had hij het zo zwaar. “Cape Canaveral besturen is buitengewoon lastig. Nu wonen hier ruim tienduizend mensen, maar dat aantal kan jaarlijks met drie tot vierduizend fluctueren en vijf van de zes woningen zijn huurhuizen: allemaal het gevolg van het ruimtevaartbeleid. En dat is grotendeels geheim tot er beslissingen worden genomen. We horen meestal pas van NASA's plannen als de gevolgen al merkbaar zijn. Voor onderzoek naar de samenstelling van de bevolking ontbreekt het geld, maar ik vermoed dat omstreeks veertig procent van de werkende bevolking bij NASA actief is. En bijna de hele rest is er indirect van afhankelijk. Het NASA-personeel is zo gespecialiseerd, dat ze hier nooit ander werk kunnen vinden. Ontslag betekent verhuizen. Als er weer eens flink gekort wordt op het ruimtevaartbudget zitten eerst een tijd de kerken extra vol en daarna lopen de scholen leeg en gaan er winkels over de kop. Grote supermarkten vind je hier niet meer: alleen kleine winkels weten zich te handhaven.”

De hardste klap kwam eind jaren zeventig toen NASA besloot een groot deel van de activiteiten, inclusief alle trainings- en andere faciliteiten voor astronauten, naar Houston te verplaatsen. De huizenprijzen daalden toen dermate dat een zwerm van duizenden economisch niet-plaatsgebonden bejaarden in het plaatsje neerstreek: de gemiddelde leeftijd steeg volgens Speniks schatting met twintig jaar tot boven de zestig nu. “En die zijn oerconservatief”, weet hij. “Ze willen alles houden zoals het is. Ik zou niets liever hebben dan dat we ook andere economische activiteit aantrokken, maar een plan om de interstate highway die hier langs komt van vier tot zes rijstroken te verbreden, hebben ze afgestemd.”

Voor de enorme panden van NASA-contractanten als Rockwell, Martin Marietta en Raytheon was minder snel een bestemming gevonden. Een groot deel van Cape Canaveral oogt nu als een ghost town. “We hebben 25.000 vierkante meter kantoorruimte leeg staan”, klaagt Spenik, “en ook daarover heeft de gemeente niets te zeggen. Het is allemaal in handen van één makelaar en we weten totaal niet wat hij van plan is. Andere dan ruimtevaartbedrijven hebben wel degelijk belangstelling getoond, maar hij wil niets verhuren. We vermoeden dat hij wacht tot er weer meer NASA bedrijvigheid naar dit gebied komt en de prijzen stijgen.”

Of dat laatste gaat gebeuren is ook voor Spenik een kwestie van afwachten, maar hij heeft zo zijn aanwijzingen. Rockwell informeerde onlangs bij hem of de gemeente bereid was een industriële bestemming te geven aan een braakliggend terrein. Spenik: “Hoe geïnteresseerd zijn jullie, vroeg ik. Ze waren zéér geïnteresseerd. Dat sterkte mij in het vermoeden dat NASA weer meer onze kant op komt. De jongste kortingen op het budget zouden wel eens kunnen leiden tot een concentratie in deze omgeving van NASA diensten die nu elders in het land zitten.”

Temidden van al deze onzekerheid staat één pijler onder Speniks planning voorlopig nog steeds stevig overeind: “Wat er ook gebeurt, de lanceringen zullen vrijwel zeker vanaf de kaap blijven plaatsvinden. Niet alleen vanwege de investeringen. Belangrijker is dat de zeebodem hier tot driehonderd kilometer van de kust uit zand bestaat zodat ze de restanten van een geëxplodeerde raket betrekkelijk makkelijk kunnen terugvinden.”

Die zekerheid kreeg Spenik uiteraard niet direct door NASA aangereikt. Hij hoorde het toevallig van een paar gepensioneerde NASA-medewerkers onder zijn ingezetenen.

Foto: Edward Spenik in zijn kantoor in de City Hall met een luchtfoto van Cape Canaveral

Foto Michiel Hegener