FEODALE HERINNERINGEN; Het gevecht van Engeland met zijn adel

The Decline and Fall of the British Aristocracy door David Cannadine xvi + 814 blz., geïll., Yale University Press 1990, f 72,10 ISBN 0 300 04761 4

In 1805 bracht Horatio Nelson de Franse vloot bij Trafalgar een verpletterende nederlaag toe. Hij zelf overleefde de slag niet maar de dankbare natie zette hem op een zuil (op Trafalgar Square) en schonk zijn nabestaanden een adellijke titel en een jaargeld. Bijna anderhalve eeuw later, na de Tweede Wereldoorlog, vond de toenmalige Labourregering het welletjes. Het pensioen van ¢8 5000 werd gestopt en de familie moest haar landgoed opgeven. De huidige Lord Nelson verdient een eerlijke boterham als politieagent. Hij behoort daarmee tot de nouveaux pauvres, zoals ze in adellijke kring zuurzoet genoemd worden. Net als Lord Teviot, buschauffeur, of wijlen de graaf van Buckinghamshire, tuinman.

Ook het woongenot van de adel is niet meer wat het geweest is. De klad kwam er al in toen de hertog van Newcastle als eerste van zijn soort terecht kwam in een huis met een nummer. Inmiddels huist de graaf van Breadalbane in een zitslaapkamer en behelpt Lord Grey zich met een woonboot. Zij vormen de randfiguren van een klasse die ooit Engeland in een feodale greep had maar nu, als we David Cannadine mogen geloven, voornamelijk tot decoratieve nietswaardigheid is vervallen.

Àls we Cannadine mogen geloven inderdaad, want het zou wel eens zo kunnen zijn dat de landed classes weliswaar te gronde zijn gegaan, maar dat het feodale ethos, los van die grondbezittende families, vervolgens een eigen leven is gaan leiden en Engeland nog heel lang in de ban heeft gehouden, misschien wel tot de dag van vandaag.

RIJKDOM, STATUS EN MACHT

Cannadine is naar eigen zeggen een ””lower-middle-class product of the Welfare State'' en daardoor niet belast met persoonlijke betrokkenheid bij zijn onderwerp. Zijn these luidt dat de Britse grondbezittende aristocratie haar superieure positie in de samenleving - goed-Weberiaans onderscheiden in rijkdom, status en macht - tot ca. 1870 intact had weten te houden, maar daarna razendsnel terrein verloor. Tot het laatste kwart van de negentiende eeuw was het grondbezit op de Britse eilanden in zeer weinig handen geconcentreerd: een kwart van het land in Engeland en Wales was in het bezit van 710 personen, driekwart in handen van minder dan 5000. Binnen een halve eeuw zou dit grondmonopolie worden gebroken.

De agrarische depressie van de jaren 1880 en het instorten van de graanprijs betekende dat het land waarop de positie van de territoriale elite was gebaseerd zich niet meer automatisch liet vertalen in rijkdom, prestige en macht. De invoer van goedkoop Amerikaans graan gaf de Britse grootgrondbezitters een zware klap die niet kon worden goedgemaakt door de tegelijkertijd in grote aantallen geïmporteerde Amerikaanse erfdochters. De legende heeft deze bruiden trouwens heel wat gefortuneerder gemaakt dan ze in werkelijkheid waren. Er was echter meer aan de hand dan alleen een inzakkende graanprijs. De Britse middle-class die al sinds onheuglijke tijden aan het stijgen was, begon - met de hete adem van de arbeiders in de nek - nu toch werkelijk te knagen aan de positie van de toplaag. Driemaal werd in de negentiende eeuw het Engelse kiesstelsel herzien. De eerste Reform Bill van 1832 was vooral een succesvolle manoeuvre om door het uitbannen van misstanden de aristocratische suprematie intact te laten. De tweede van 1867 was een (niet geheel geslaagde) poging van de conservatieve leider Disraeli om de middle-class te sandwichen tussen adel en volk onder het mom van Tory Democracy. Maar met de derde Reform Bill van 1885-86 begon er zowaar iets te gloren van democratie en zelfs van massapolitiek. Het electoraat werd verdubbeld tot bijna zes miljoen, hetgeen betekende dat 60% van de mannen nu het kiesrecht bezat. Tegen die achtergrond werd de nog altijd ongebroken machtspositie van het erfelijke House of Lords steeds meer als een anomalie beschouwd.

De aanval op het dubbelmonopolie van land en macht werd het eerst ingezet in Ierland. Daar verdween de enkele eeuwen tevoren overgeplante Engelse bovenlaag, de Ascendancy, binnen 30 jaar vrijwel van het toneel: uitgekocht door een reeks Land Acts waarbij het land in handen van de pachters overging. Het effect van deze gedwongen uitverkoop was nauwelijks minder ingrijpend dan dat van de Russische Revolutie op het grootgrondbezit aldaar. Het verschil was alleen dat in Ierland op kosten van de overheid een vreedzame revolutie werd bewerkstelligd. Door de ontheemde Anglo-Ierse adel werd deze als vaandelvlucht en verraad ervaren. En door sommigen als een voorproefje van wat de adel wellicht ook in Engeland te wachten stond.

Dat was te pessimistisch gezien maar de lage graanprijzen en een landonvriendelijk overheidsbeleid legden ook in Engeland een zware druk op de landgoederen die steeds vaker werden opgebroken. Daardoor werd vervolgens de politieke machtspositie van de grondbezitters in de graafschappen en in het Lagerhuis ondermijnd. Van de Commons waren in 1939 nog maar 50 grootgrondbezitters lid. En zelfs het Hogerhuis, hun voornaamste bolwerk, veranderde van karakter. In de adelstand verheven plutocraten (persmagnaten, industriebaronnen en andere grootverdieners) gingen de traditionele aristocratie verdringen. In het belangrijkste machtscentrum, het kabinet, hielden de landed classes, daarentegen verrassend lang stand. Het hoogtepunt was wel de familieregering rond de eeuwwisseling van Lord Salisbury, voortgezet door zijn neef Arthur James Balfour: het ”Hotel Cecil' (naar Salisbury's familienaam). Maar ook in alle latere conservatieve regeringen (inclusief die van Margaret Thatcher) waren de grootgrondbezitters relatief oververtegenwoordigd.

WARE KRUISTOCHT

Voor of tegen de landed classes werd eind negentiende eeuw een partijpolitiek issue omdat de adel toen niet langer over de beide politieke hoofdrichtingen verdeeld was. Het radicale programma van Gladstone en de zijnen dreef de hoogaristocratische Whigs (die tot dusver een alliantie hadden gevormd met meer burgerlijke liberalen) in de armen van de Tories. Gladstones belofte van Home Rule, zelfbestuur voor Ierland, was in 1886 de druppel die de emmer deed overlopen. Het gevolg van deze politieke verschuiving was echter in hoge mate contraproduktief omdat het de liberalen nu veel makkelijker werd gemaakt de landed classes met al hun privileges, inclusief een speeltuin als het House of Lords, aan te pakken.

Wie daar na 1890 een ware kruistocht van maakte was Lloyd George, de populistische tovenaar uit Wales. In een reeks vernietigende speeches bracht hij de landed classes onherstelbare schade toe. Tegen die aristocraten die durfden beweren dat hun totaal niet-representatieve Hogerhuis juist de stem van de Natie vertolkte, sneerde hij dat het House of Lords niet de waakhond van de natie was maar het schoothondje van Balfour, de conservatieve leider. Waarom zouden ””500 mensen toevallig bijeengeraapt uit het leger werkelozen'' het beter moeten weten dan de miljoenen die in de industrie het geld voor Engeland verdienden? Lloyd Georges vendetta liep in 1909 uit op een frontale botsing toen het Hogerhuis zijn People's Budget verwierp. Daarin werd het grootgrondbezit zwaar belast, ter bekostiging van oorlogsbodems en ouderdomspensioenen.

Deze machtsstrijd werd door Lloyd George glansrijk gewonnen. De bevoegdheden van het House of Lords werden door de Parliament Act van 1911 gekortwiekt, al moest daarvoor eerst wel gedreigd worden met de verheffing van 500 nieuwe liberale peers. Dit was echter nog niet Lloyd Georges definitieve afrekening met de adel. Die kwam na 1916 tijdens zijn eigen premierschap toen hij het hele Honours System, het stelsel van titels en onderscheidingen, belachelijk maakte door alles van een prijskaartje te voorzien en in de etalage te zetten.

In de late negentiende eeuw was er al een sluipende praktijk ontstaan dat titels te koop waren voor een combinatie van veel geld voor liefdadigheid en het spekken van de partijkas. Deze praktijk bleef echter aan zekere grenzen gebonden. Lloyd George bewees zijn minachting voor alles wat adel was door ook die schijn niet meer op te houden en een simpel tarief voor de diverse titels te hanteren: voor ¢8 10.000 kon je ridder worden, voor ¢8 30.000 baronet, en ¢8 50.000 waren goed voor een erfelijke adelstitel met de bijbehorende zetel in het Hogerhuis.

”LOST GENERATION'

De belegerde bovenlaag vocht natuurlijk terug. Letterlijk deed ze dat in de Eerste Wereldoorlog die door de elite werd aangegrepen om haar nut en bestaansrecht te bewijzen als een warrior class van officers and gentlemen. Ze stortte zich zelfs met zoveel overgave in de oorlog dat ze er bijna aan te gronde ging. Cannadine bevestigt het verhaal dat de elite verhoudingsgewijs zware verliezen leed: 20% keerde niet terug, tegen gemiddeld 12,5% uit de andere sociale groepen. Toch bestrijdt hij de mythe van de ”lost generation': 20% gesneuvelden betekent immers nog altijd dat 80% wel terugkeerde, hoe wrang dat ook klinkt en hoe schrijnend het leed in sommige families ook geweest mag zijn. Van de tien kleinzonen van Lord Salisbury sneuvelden er bijvoorbeeld vijf. Zo gretig als de elite de oorlog was ingegaan, zo aangeslagen kwam ze eruit. En het zal het moreel ook niet ten goede zijn gekomen dat de gehate Lloyd George voor het Britse publiek juist de gevierde oorlogsleider was.

Het verzet tegen het functieverlies van de territoriale elite kreeg meer en meer het karakter van een achterhoedegevecht. Zo ontwikkelden de begaafde zonen van de markies van Salisbury, Lord Hugh Cecil en Lord Robert Cecil, een delicaat talent voor het omarmen van verloren zaken waardoor ze uiteindelijk zelf buiten de werkelijkheid kwamen te staan.

Anderen zagen het in Engeland niet meer zitten en zwermden uit over de wereld. Ze teerden op hun titel en leefden heel wat goedkoper dan in patria. Een deel wist zich lucratieve proconsulaire posten te verwerven, al legt Cannadine er de nadruk op dat het echte werk in de koloniën steeds door hardwerkende middenklassers werd gedaan. Sommige global nobles probeerden niet eens de indruk te wekken iets nuttigs te doen en wilden slechts leven in een stijl die in Engeland niet meer op te houden viel. Het meest beruchte voorbeeld daarvan was een groep renegaten die tussen 1905 en de Tweede Wereldoorlog naar Kenia trok. Ze bouwden er riante bungalows met grote veranda's, hadden een sleep personeel en droomden in hun klamboes van vergane glorie. ”Happy Valley' noemden ze de streek waar ze een leven leidden beheerst door drank, drugs en seks (enkele jaren geleden vereeuwigd in de film White Mischief). De Casanova van Happy Valley was de 22ste Earl of Erroll, telg uit een oud Schots geslacht, van Eton weggestuurd, naar Kenia gevlucht, beladen met schulden, contactman voor Kenia van de British Union of Fascists en in 1941 als kroon op een verloederd leven vermoord, waarschijnlijk door de man van één van zijn vele vriendinnen.

Erroll was niet de enige die zijn toevlucht zocht bij de Britse fascisten. Hun leider Oswald Mosley was zelf een produkt van de ontwortelde aristocratie en zijn schoonfamilie, de Mitfords, vormt nog altijd een van de fraaiste voorbeelden van de Werdegang van een adellijke familie in de knel. De vijf dochters en de zoon van de derde Lord Redesdale zagen hun idyllische bestaan aan de rand van de Cotswolds langzaam instorten. Dat leidde tot doorschieten naar verschillende kanten: drie kinderen zochten hun heil bij de fascisten, zoon Tom en de dochters Unity en Diana. Unity werd een Hitler-groupie. Diana trouwde in Duitsland met Oswald Mosley, met een receptie ten huize van Goebbels en Hitler als gast. En terwijl Unity haar kamer behing met hakenkruizen, versierde Jessica de hare met hamers en sikkels en ging ze de republikeinen in de Spaanse burgeroorlog helpen. De oudste dochter Nancy maakte naam als schrijfster die met fijne ironie schreef over het verval van haar klasse. De jongste dochter Debo bereikte intussen als hertogin van Devonshire de hoogste toppen van de Britse aristocratie.

ARISTOCRATISCH ETHOS

De Mitford-farce doet het altijd goed maar is bepaald niet representatief voor wat de landed classes in deze eeuw overkwam, net zo min trouwens als het ranzige verhaal van de Keniase renegaten. Dergelijke uitwassen zouden ook in eerdere perioden (toen de macht van de aristocratie nog ongebroken was) moeiteloos aan te wijzen zijn. Ze zijn echter wel typerend voor de teneur van Cannadines boek dat op alle fronten en haast tot iedere prijs verval wil vaststellen. In feite lijkt hij zich onophoudelijk te ergeren aan alles wat naar adel zweemt en geeft hij een massief gedocumenteerde versie van de verkettering van de oude elite door Loyd George, die dan ook zijn grote held is.

Dat Cannadine geen liefhebber van de adel is blijkt ook uit de vele kleine foutjes die hij maakt in zaken als titulatuur en namen van landhuizen, vergissingen die een echte aficionado nooit zou begaan. In zijn strijdbaarheid verliest hij verder zijn eigenlijke onderwerp wel eens uit het oog: de relatie tussen grond, macht en status. Soms heeft hij het inderdaad over de landed classes in eigenlijke zin, soms over een nauwelijks gedefinieerde ”artistocratie', soms over het Hogerhuis als bolwerk van die aristocratie (maar in de twintigste eeuw al lang niet meer een exclusief bastion van grootgrondbezitters), soms - lijkt het wel - over bepaalde vormen van (over)gecultiveerd gedrag. Maar als het erom gaat aan te tonen dat de eeuwenoude relatie tussen grond, macht en status vanaf het derde kwart van de negentiende eeuw in snel tempo werd ondermijnd, is Cannadines ”gelijk' zo evident dat niemand het zal willen betwisten.

Aan de andere kant schenkt hij echter nauwelijks aandacht aan het blijven voortbestaan (of zelfs sterker worden) in Engeland van een aristocratisch ethos dat het land volgens sommigen in een fatale omklemming heeft gehouden. In 1981, bij het begin van de Thatcher-revolutie, publiceerde Martin J. Wiener zijn English Culture and the Decline of the Industrial Spirit, 1850-1980. Daarin werd de (toen druk besproken) stelling gelanceerd dat Engeland de aansluiting met de moderne tijd heeft gemist omdat het - precies in de jaren waarin Cannadine de neergang van de landed classes situeert - gevangen raakte in een ”feodaal', dat wil zeggen ruraal en anti-industrieel waardenpatroon: het ideaal van Engeland als tuin waarin geen plaats was voor rokende fabrieksschoorstenen. Juist de nieuwe rijken die het in de handel of industrie gemaakt hadden zouden zich zo snel mogelijk aan deze traditionele waarden hebben geconformeerd, met funeste gevolgen voor de slagvaardigheid van Engeland als industrienatie. Het gentleman-ideaal werd zelfs systematischer dan ooit (via de Public Schools) op de jongere generatie overgedragen. En dat verklaart weer waarom de elite zich zo gretig en zo massaal in de Eerste Wereldoorlog stortte.

Dat die feodale herinneringen nog altijd als een gewatteerde deken over Engeland liggen bewijst ook de florerende Heritage Industry, het openstellen van landhuizen door de bewoners als manier om het voorvaderlijk bezit in stand te houden. Cannadine ziet hier vooral adellijke profiteurs die poseren als beheerders van het nationale erfgoed maar intussen bezig zijn een goed leventje te leiden. Dat mag in bepaalde opzichten waar zijn, anderzijds is het ook zo dat dit landhuistoerisme alleen bestaat bij de gratie van drommen bezoekers voor wie een Lord nog steeds een magische aantrekkingskracht blijkt te bezitten.

RURALE DROMEN

Sommige van Cannadines voorbeelden komen tegen deze achtergrond in een ander licht te staan. Zo gaat hij uitvoerig in op de keuze tot premier in 1923 van de industrieel Baldwin boven de artistocraat Curzon. Daarbij moet hij al meteen toegeven dat de superieure aristocraat Curzon een wandelend anachronisme was en daarom ongeschikt voor die functie op dat moment. Maar zelfs als aankondiging van een nieuwe tijd is dit voorbeeld niet erg gelukkig. Uitgerekend de Midlands-industrieel Baldwin (die zijn fortuin in ijzer had gemaakt) figureert in het bovengenoemde boek van Wiener als kroongetuige van het anti-kapitalistische ethos, iemand die zich met hart en ziel overgaf aan de rurale dromen van zijn neef, de dichter Rudyard Kipling (”our England is a garden').

Nu is het niet helemaal eerlijk om Cannadines boek, dat bijna bezwijkt onder de opgetaste bewijslast, te vergelijken met het impressionistische en eenzijdige essay van Martin Wiener, waarop als zodanig ook heel wat aan te merken valt. Het is bijvoorbeeld goed vol te houden dat niet een vermeend feodaal ethos Engeland economisch heeft verlamd maar juist de macht van de vakbonden. Toch blijft het merkwaardig (zoals ook door anderen is opgemerkt) dat Cannadine aan Wieners stelling geen aandacht schenkt.

Als Cannadine de economische en politieke achteruitgang van de teritoriale elite in verband had gebracht met het voortleven van het feodale ethos, waardoor die elite wellicht over haar graf kon doorregeren, had hij waarschijnlijk ook meer kunnen zeggen over het verval van Engeland als wereldmacht dat zich nu in precies dezelfde periode voltrok als het verval van de landed classes. Nu komt hij in zijn slotwoord niet verder dan het constateren van een ”remarkable coincidence' tussen deze twee processen van neergang. Ietwat overdreven zou men kunnen zeggen dat zijn lijvige prachtboek nog maar de helft van het probleem behandelt en in zekere zin zelfs de verkeerde (want minst problematische) helft.