ERNST TROELTSCH; Onstuimig wijsgeer van het protestantisme

Ernst Troeltsch. Leben und Werk door Hans-Georg Drescher 558 blz., geïll., Vandenhoeck & Ruprecht 1991, f 129,05 ISBN 3 525 55418 4

De theoloog en filosoof Ernst Troeltsch was er de man niet naar een blad voor de mond te nemen. Het ministerie voor wetenschap, kunst en "Volksbildung', waar hij van 1919 tot 1921 als onbezoldigd onderstaatssecretaris werkzaam was, karakteriseerde hij als "een zwijnestal'. Toen hem als student op een examen gevraagd werd, wat er te doen zou zijn aan vervelende lessen, antwoordde hij eenvoudig dat negen tiende van alle onderwijs inderdaad buitengewoon saai is, en wel omdat de meeste mensen en dus ook de meeste docenten saai zijn.

Een eigenzinnig man, die het conflict niet schuwde - zo komt Troeltsch uit de zojuist verschenen studie van Hans-Georg Drescher naar voren. Het is de eerste biografie over Troeltsch en tevens een bewijs dat zijn werk momenteel hoog in aanzien staat. Dat is wel eens anders geweest; na zijn dood in 1923 gold hij vanwege zijn ondogmatische, sterk historische wijze van werken al snel als een voorbeeld van hoe het niet moest. Maar vandaag de dag prijzen velen zijn historische en sociologische analyses van de plaats van religie in de moderne tijd. De christelijke religie staat in Troeltsch' visie niet lijnrecht tegenover de moderne cultuur, maar vormt er een onlosmakelijk en zijns inziens zelfs onmisbaar onderdeel van. Dat is de inzet die de hedendaagse liberale theologie heeft overgenomen.

Ernst Troeltsch werd in 1865 te Augsburg geboren. Na in een artillerieregiment in zijn geboorteplaats gediend te hebben, studeerde hij in Erlangen, Göttingen en Berlijn. De Pruisische hoofdstad maakte op de monarchistisch opgevoede, met Bismarck dwepende artsenzoon grote indruk. Hij bewonderde het koningshuis der Hohenzollern ""met zijn geniaal begrip van de geschiedenis''. Daarnaast waren er de musea en bovenal: Heinrich von Treitschke. Deze fel nationalistische historicus was zoveel als een halfgod voor de studenten. Als zij wilden dat hij weer eens over actuele politieke zaken sprak, hoefden zij alleen maar tijdens zijn college ongeduldig met hun voeten te schuifelen om hun zin te krijgen. ""Kathederprophetie'', zo oordeelde Troeltsch' latere vriend Max Weber over dergelijke optredens.

VLOEKEND IN DE HOEK

In 1892 werd Troeltsch op zevenentwintigjarige leeftijd buitengewoon hoogleraar voor systematische theologie in Bonn. Twee jaar later werd hij hoogleraar in Heidelberg - een kleine universiteit met zo'n vijftienhonderd studenten, waaronder niet veel meer dan zestig theologen. Op zijn uitdrukkelijk verzoek begonnen zijn colleges niet om zeven, maar om acht uur 's ochtends.

Die colleges en werkgroepen dienden vooral om zijn eigen ideeën uit te proberen en boeken voor te bereiden. De studenten moesten maar zien aan te haken, en dat was niet altijd gemakkelijk. Troeltsch ontwikkelde zijn gedachten namelijk aan de hand van die van anderen. En daarbij wist hij de mogelijkheden van de Duitse taal ten volle uit te buiten. Een saai docent was hij allerminst. Ludwig Marcuse, de latere cultuurcriticus, schreef: ""Enthousiast begon hij een boek te lezen; bij het tweede hoofdstuk wierp hij het vloekend in de hoek, en ten slotte lazen wij een enthousiaste kritiek''. Marcuse promoveerde bij deze "onstuimige' academicus, hoewel Troeltsch eerst een bijdrage van hem over godsdienstig stuk van de schrijver Gerhard Hauptmann had afgewezen omdat hij dit soort "religieus poëtiseren' verafschuwde.

Troeltsch is altijd een religieus en ook kerkelijk man geweest. Juist daarom aarzelde hij niet de zijns inziens verstarde theologie van zijn tijd scherp te kritiseren. Over de dogmatiek - het vak dat hij ook zelf doceerde - sprak hij eens als ""een herbarium van de gedroogde voorstellingen van de religie''. Deze kritiek werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Op een theologische bijeenkomst in 1896 sprak Troeltsch de woorden: ""Meine Herren, es wackelt alles'' en gaf een diagnose die dit oordeel ondersteunde. De oudere generatie sprak van "sjofele' theologie, waarop Troeltsch de deur achter zich dicht knallend de vergadering verliet.

Waarom nu was alles wankel geworden? Een belangrijke oorzaak van de crisis van de religie zag Troeltsch in de opkomst van de moderne wetenschap. Het beroep op het bovennatuurlijke verloor zijn geldingskracht. Het gezag van de religieuze traditie of van de Schrift was geen vanzelfsprekendheid meer. De theologie zou dientengevolge moeten veranderen. Zij moest volgens Troeltsch radicaal historisch te werk gaan. De dogmatische uiteenzetting van boventijdelijke waarheden kon niet langer hoofdzaak zijn. Nee, theologie zou moeten worden tot een godsdienstwetenschappelijke discipline die het christendom als godsdienst onder andere godsdiensten ziet. Niet alleen de geschiedenis der kerk, maar ook verketterde groepen en sekten dienden bestudeerd te worden. Het spreken over "ketterij' was volgens hem niet te verenigen met een ondogmatische, kritische bestudering van religie. Zoals het in de algemene geschiedenis niet langer uitsluitend om de geschiedenis van de staat, maar ook om die van maatschappij en cultuur ging, zo diende ook de kerkgeschiedenis omgevormd te worden tot de geschiedenis van de christelijke religie in het algemeen.

PERIODISERING

Deze nieuwe aanpak leidde ook tot een nieuwe periodisering van de geschiedenis. De moderne tijd begint volgens Troeltsch niet met de Reformatie, maar met de Verlichting van de late zeventiende en achttiende eeuw. Luther was in de ogen van Troeltsch voor het ontstaan van de moderne pluralistische cultuur, waarin de vrijheid en autonomie van het individu centraal staan, veel minder belangrijk dan de Lutherse kerkhistorici altijd in koor hadden beweerd. Het waren volgens hem de vermaledijde sekten, zoals bijvoorbeeld de Dopersen, die met hun claim van de principiële zelfstandigheid van het individu jegens overheid en institutionele kerk, de wezenlijke bijdrage aan moderne principes als tolerantie en vrijheid van geweten en godsdienst geleverd hadden.

Een consequentie van Troeltsch' opvatting was overigens dat het Duitse Lutherdom met zijn pre-moderne idealen van een paternalistische gemeenschap niet in staat was de problemen van een moderne, kapitalistische staat op te lossen. En dat verklaart wellicht het bittere karakter van de tegen hem gevoerde polemiek.

In de Heidelbergse theologische faculteit stond Troeltsch tamelijk alleen. Zijn naaste collega betichtte hij van oncollegialiteit en onbeschoftheid. Een huwelijk moest dit sociale isolement verlichten. Troeltsch had een vrij zakelijke opvatting van het huwelijk en een verloving met de dochter van een collega liep daarop stuk - zij was hem te "schwärmerisch'. Op 31 mei 1901 huwde hij de dochter van een officier en grondbezitter in Mecklenburg. Maar ook zij begreep slechts langzaam dat volgens Troeltsch het zwaartepunt van het wezen van de man in zijn beroep ligt.

Een zeer nauwe band had Troeltsch met de socioloog Max Weber. Zij woonden lange tijd in hetzelfde huis, in de kapitale villa van de Webers aan de Ziegelhäuserlandstrasse 17 en verkeerden dagelijks met elkaar. Zij werkten nauw samen en het was soms moeilijk vast te stellen wie de auctor intellectualis van een bepaalde opvatting was. Troeltsch meende dat hij een groot deel van zijn weten en kunnen aan Weber te danken had. Beiden zagen religie als een zelfstandige macht die ook de sociaal-maatschappelijke realiteit beïnvloedt. Webers poging de invloed van het protestantisme op de ontwikkeling van het kapitalisme aan te tonen, is hier een voorbeeld van.

In augustus 1904 maakten Troeltsch en Weber gezamenlijk een reis naar de Verenigde Staten, een land dat hen zeer sterk fascineerde. Het bezoek gaf evenwel ook aanleiding tot kritiek op de ""horigheid'' aan het kapitaal, zoals Troeltsch het uitdrukte.

Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog kwam het tot een breuk vanwege vermeend oneervol gedrag van de kant van Troeltsch. Hoewel nooit precies is opgehelderd wat er aan de hand was, is wel duidelijk dat na vijf jaar een zekere verzoening tot stand kwam. In zijn in memoriam bij de dood van Weber in 1920 schreef Troeltsch, die wegens een overvol werkprogramma de rouwplechtigheid niet kon leiden, dat Webers vriendschappen niet zozeer op persoonlijke sympathieën als wel op gemeenschappelijke zakelijke interesses berustten.

ANARCHIE DER WAARDEN

In 1915 lukte het eindelijk om Troeltsch naar Berlijn - het centrum van de Duitse wetenschap - te halen; eerdere pogingen daartoe waren gestrand op tegenwerking uit conservatief Lutherse kring. Om de benoeming door te zetten werd de oude leerstoel van Friedrich Schleiermacher overgeheveld naar de filosofische faculteit, alwaar Troeltsch een volledig op hem toegesneden, bijna allesomvattende leeropdracht kreeg toebedeeld.

Volgens de overlevering begon hij zijn openingscollege in het Auditorium Maximum met de woorden: ""Ik ben naar Berlijn gekomen om aan de anarchie der waarden een einde te maken.'' Deze vermoedelijk apocriefe uitspraak heeft Troeltsch onder andere door zijn vroegtijdige dood maar zeer ten dele waar kunnen maken. En men kan zich inderdaad afvragen inhoeverre het mogelijk is om op grond van historisch inzicht tot een verantwoorde waardenbepaling (en zelfs een politieke stellingname) te komen.

Geschiedenis was voor Troeltsch niet alleen voorwerp van studie, maar ook terrein van politieke inzet. Hij was jarenlang lid van de Badense Eerste Kamer, en in Berlijn was hij na de oorlog afgevaardigde voor de "Duitse Demokratische Partij' en later onderstaatssecretaris. Alhoewel Troeltsch zeker aan het begin van de Eerste Wereldoorlog enige oorlogsretoriek niet schuwde, geldt hij als gematigd. Hij distantieerde zich van een annexatiepolitiek en zette zich in voor vredesonderhandelingen. Dat maakte hem in die tijd verdacht. De classicus Wilamowitz-Moellendorff wees Troeltsch' felicitatie met zijn zeventigste verjaardag af met de opmerking, dat hij van ""landverraders'' geen gelukwens in ontvangst wenste te nemen. Toch betekende het verdrag van Versailles (""een vrede van wraak en bedrog'') ook voor Troeltsch een zware klap. De toekomst van de Weimarrepubliek, die hij actief ondersteunde, zag hij somber in. Nadat zijn joodse vriend, de zakenman en minister Walther Rathenau op 24 juni 1922 door Duitse nationalisten was vermoord, werd hij depressief: ""Voorzover ik voor aardse dingen leefde, heb ik voor mijn vaderland geleefd, en ik zie nu zijn hopeloos verval.''

Alles mag dan politiek zijn, politiek is daarmee, zoals bekend, nog niet alles. Uiteindelijk wilde Troeltsch een vernieuwing van de westerse cultuur. Daarbij was de christelijke religie voor hem een van de belangrijke elementen. Het christendom moest in zijn ogen de waarborg voor de vrijheid van de individuele persoon zijn; een vrijheid die hij bedreigd zag door de bureaucratische staat en het kapitalisme.

De idee van vrijheid zag Troeltsch als religieus-metafysisch van aard. Hij poogde deze idee ook in wijsgerige zin verder te onderbouwen. Daarbij moest de verhouding tussen het oneindige (God) en het eindige (de mens) zo gedacht worden dat de zelfstandigheid en vrijheid van de mens bewaard blijft. Dat was geen eenvoudige zaak: men kan immers op goede gronden verdedigen dat met de veronderstelling van een alomvattende macht als God de autonomie van de sterveling in gevaar is. Op dit punt in Troeltsch' denken in aanzetten blijven steken. Daarom wordt vaak gesteld dat zijn program mislukt is: kijk maar, de historisch geworden rede komt niet boven zichzelf uit en leidt per definitie tot relativisme, heet het dan.

DOGMA'S

Maar heden ten dage groeit in theologische kring het besef dat de weg die Troeltsch is ingeslagen in principe de juiste is: zonder een analyse van de sociaal-maatschappelijke plaats van de christelijke traditie binnen de moderne cultuur komt men er niet. Anders blijft het christendom een stelsel van dogma's en ideeën die in geen enkele relatie tot de werkelijkheid staan. De wereld is veranderd en daarmee moet ook de theologie veranderen. Ook op geestelijk gebied is een situatie van concurrentie ontstaan en men moet zich derhalve zowel binnen als buiten de kerken instellen op een pluralistische situatie. Of de christelijke religie dan nog een macht van betekenis kan zijn en werkelijk in staat zal zijn een tegenwicht te vormen voor de tendensen die de vrijheid van de individuele persoon bedreigen, is een open vraag.

Maar dat het werk van Troeltsch bij deze en andere vragen een oriëntatiepunt vormt voor de liberale theologie van onze tijd staat buiten kijf. Deze biografie is daarvan een teken. Het boek is vooral interessant vanwege het onuitgegeven materiaal dat wordt geciteerd. Voor het overige biedt de studie niet veel meer dan een samenvatting van Troeltsch' werk. En dat wordt op den duur wat vervelend, omdat de schrijver daaromtrent geen eigen nieuwe gezichtspunten biedt.

Troeltsch is begraven op het Invalidenfriedhof te Berlijn. Het graf is verwijderd in de tijd dat de begraafplaats, gelegen aan de Muur, tot "Sperrgebiet' was verklaard. In de Senaat van Berlijn is thans een debat gaande of de deels vernietigde begraafplaats als een monument ter herinnering aan het reëel bestaande socialisme in de huidige staat bewaard moet blijven, of dat zij in haar oude luister hersteld moet worden. In het laatste geval zal er zeker weer een gedenksteen voor Ernst Peter Wilhelm Troeltsch, een van de grote klassieke auteurs van het liberale protestantisme, worden gelegd.