Er was een kiosk in de buurt. Ik vroeg naar de ...

Er was een kiosk in de buurt. Ik vroeg naar de nieuwe weekbladen, maar die kwamen 's middags pas en toen vroeg ik naar de geïllustreerde weekbladen, maar die kwamen ook 's middags pas.

Met een krant onder mijn arm liep ik het strand op. Het was er koud en winderig. Bovendien had mijn zelfbeleving een tamelijk broos stadium bereikt. Daarom besloot ik de strijd tegen de elementen maar aan anderen over te laten.

Ik beklom de trappen naar een op het duin gelegen paviljoen. Hier nam ik een makkelijke rieten stoel en bestelde ik koffie met een glaasje vieux.

De interne vegetatie was min of meer tropisch en er vlogen mussen rond en verderop zat een oude man treurig over zijn tafeltje gekromd. Zijn bange, bijna uitgedoofde ogen puilden uit hun kassen. Hij beefde zo, dat hij zijn kopje met beide handen moest vasthouden en dan knoeide hij nog.

Geniet zijn laatste koffie, stelde ik grimmig vast. Om mijn weerzin tegen deze man te onderdrukken begon ik aan de vrachtwagens te denken, die op datzelfde moment in het hele land onderweg waren met Deze Weeks.

De eerste aflevering was opgebouwd rond mijn onderhoud met die vreselijke doctor Jansen en ik was zo vrij geweest hem een stuk minder vreselijk te maken. Niet omdat ik zijn botheid wilde vergoelijken (Dag meneer Visser - als ik daaraan terugdacht, steeg het bloed me nog steeds naar mijn hoofd), maar omdat ik niet de indruk wilde wekken van een aanklacht tegen de medische stand. Dat zou de aandacht maar afleiden. Van meet af aan moest duidelijk zijn waar het om ging en het ging om mij.

Stel je voor: als kind was ik ook eens in het ziekenhuis geweest. Ik had een abces aan mijn kaak en moest worden geopereerd. Daarna werd ik een weeklang vertroeteld door zustertjes, die stuk voor stuk een ideale moeder zouden zijn geweest. En daarna was ik beter. En wat geloof je dan als kind? Als kind geloof je dan dat het ziekenhuis een plek is waar ze je altijd beter zullen maken! Wat een jammerlijk misverstand.

Zo had ik het pad geëffend naar mijn jeugd en ik was van plan dat tot aan het einde af te gaan. Want dat ze wisten dat ik doodging was één ding, maar ze moesten toch vooral weten wie er doodging.

Afijn.

Ondertussen had ik ruimte gemaakt om de krant te kunnen uitspreiden. Ik bladerde door het nieuws van de dag en bewoog van tijd tot tijd op een zonderlinge manier mijn hoofd. Bij een bepaalde beweging ging er een pijnscheut door het bobbeltje onder mijn kaak, alsof er een snaar knapte. Soms maakte ik deze beweging opzettelijk om te zien of het er nog zat.

Toen viel mijn oog op de advertentie!

Deze week in Deze Week. Het stond met koeien van letters in het hart van de pagina: De Nederlandse kroniek van een aangekondigde dood. En in een kleiner corps: Arnold Verdamme: Toen zei de dokter iets waarvan ik altijd had gedacht, dat het alleen tegen anderen werd gezegd. Plus twee foto's, één zoals ik was, één uit mijn kinderjaren.

Ik bloosde en sloeg mijn handen voor mijn mond. Het was alsof de hele wereld met me meelas. Telkens weer spelde ik die woorden, verbaasde ik me over het gebruikte lettertype, haalde ik mijn hart op aan beide foto's. Ik kreunde. O, o, o, o, een complete serie loepzuivere oo's.

Eindelijk keek ik op en daar zag ik de oude man vertrekken. Trillend, kromgetrokken tot in zijn merg, stumperde hij naar buiten. Ik bedacht dat ik nooit zo oud zou worden als hij en daar werd ik toch zo verschrikkelijk blij van, ik had wel kunnen barsten van geluk.

(wordt vervolgd)